“Iedere vierkante meter van Oświęcim is besmet”

Vele malen reisde beeldend kunstenaar Hans Citroen, vergezeld door zijn echtgenote, de architecte Barbara Starzyńska, naar het Poolse stadje Oświęcim. Voor hem is het de locatie van het beruchte kamp Auschwitz, waar zijn Joodse grootvader tijdens de oorlog gevangen zat. Voor haar de plek waar ze een fijne jeugd doorbracht.

Auschwitz-Oświęcim, Oświęcim-Auschwitz
Auschwitz-Oświęcim, Oświęcim-Auschwitz
Hun enige tijd geleden verschenen boek Auschwitz-Oświęcim, Oświęcim-Auschwitz is een fotografisch onderzoek naar de nauwe relatie tussen het naoorlogse stadje en het kamp. Het echtpaar ging buiten de begane paden en ontdekte dat buiten de tegenwoordige museumterreinen veel restanten van de naziperiode te vinden zijn, buiten het oog van toeristen en onverschillig gelaten of hergebruikt door lokale bewoners.

Verborgen geschiedenis

Een willekeurige dag in Auschwitz. Toeristen poseren voor een foto onder de toegangspoort met de kreet “Arbeit macht frei”. Ze zijn gekomen om de overblijfselen te zien van het concentratie- en vernietigingskamp: de barakken, de prikkeldraadhekken, de wachttorens en de spoorrails. In vitrines bekijken ze de afgeknipte haren, brillen, koffers en andere bezittingen van de circa 1 miljoen Joden die vermoord zijn in het kamp. Jaarlijks zijn ze met velen: in 2014 werd met 1,5 miljoen bezoekers opnieuw het record verbroken. Een bezoek aan het kamp wordt alom ervaren als een indrukwekkende ervaring, maar voor toeristenogen blijft veel van de geschiedenis verborgen en hetgeen ze wel te zien krijgen is niet altijd wat het lijkt te zijn. Het verroeste prikkeldraad bijvoorbeeld: het ziet er authentiek uit, maar het wordt om de zes jaar vervangen, maar wel met prikkeldraad dat eerst in de regen heeft kunnen voorroesten. “Nieuw prikkeldraad is natuurlijk geen gezicht”, aldus het hoofd van de conserveringsafdeling.

Toeristen voor de ingang van het hoofdkamp van Auschwitz. © Hans Citroen
Toeristen voor de ingang van het hoofdkamp van Auschwitz. © Hans Citroen

Het museum beslaat twee locaties: het hoofdkamp (Stammlager) in Oświęcim en het vernietigingskamp Birkenau drie kilometer verderop. De toegangspoort met de beruchte leus bevindt zich in het hoofdkamp. Pas door deze poort binnen te treden, beland je in de concentratiekampwereld, althans die suggestie wordt gewekt. In feite bevond de poort zich echter vanaf 1941 binnen het kampterrein. Het uiteindelijke kamp was namelijk veel groter dan het tegenwoordige museumterrein. Het museum toont het kamp zoals dat eruit zag in 1940, toen het nog de omvang had van de Poolse legerkazerne die hier eerst gevestigd was. In 1941 werd het kamp uitgebreid, onder andere met een omvangrijk industrieterrein, de Industriehof, bestaande uit fabriekshallen en loodsen van de SS waar gevangenen dwangarbeid verrichtten. Tegenwoordig zijn deze gebouwen onderdeel van een rommelig bedrijventerrein. De bouwstijl, die vergelijkbaar is met die van het kamp, verraadt echter hun geschiedenis. Dat geldt ook voor het entreegebouw van het museum: waar zich nu een restaurant, pinautomaten, toiletten en andere bezoekersvoorzieningen bevinden, werden eens de gevangenen kaalgeschoren, ontluisd en getatoeëerd met een nummer, voordat ze het kamp binnentraden. Opmerkelijk genoeg wordt hiervan tegenwoordig nergens in het gebouw melding gemaakt.

- advertentie -

Judenrampe van Birkenau

Al even berucht als de toegangspoort tot het hoofdkamp is het poortgebouw van Birkenau. Door de opening voor de spoorlijn reden treinen het kamp binnen om vervolgens hun menselijke lading te lossen op het perron waar de selecties voor de gaskamer plaatsvonden. Wat weinig bezoekers zullen weten is dat dit aankomstperron in Birkenau en de bijbehorende spoorverbinding naar het kamp echter pas in april 1944 opgeleverd werd. Voor die tijd arriveerden de deportatietreinen op de zogenoemde Judenrampe, het “Jodenperron”, op 1 kilometer afstand van kamp Birkenau. Tussen de 600.000 en 1.000.000 Europese Joden en 20.000 Roma’s zijn hier uit de trein gestapt en dus niet op het perron in kamp Birkenau. Ze moesten de afstand naar het kamp lopend afleggen of werden als ze daartoe niet in staat waren vervoerd in vrachtwagens.

Het poortgebouw van vernietigingskamp Birkenau. © Hans Citroen
Het poortgebouw van vernietigingskamp Birkenau. © Hans Citroen

Pas in 2004 werd de “Judenrampe Memorial Site” opgericht. De originele spoorrails werd vervangen, er werd nieuw steengruis gestrooid, het tracé werd iets verlegd en twee goederenwagons werden neergezet als relikwieën van de Holocaust. Behalve dat het onbekend is of de goederenwagons werkelijk gebruikt zijn voor deportaties, bevindt de herinneringsplaats zich waarschijnlijk op de verkeerde plek, namelijk zo’n 40 meter van de eigenlijke Judenrampe. De spoorrails daar is overgroeid met gras en struiken en enkel in de winter zichtbaar. Vanaf de weg is de gekozen plek voor het monument makkelijker te bereiken. Toegankelijkheid was bij de aanleg van het monument vermoedelijk belangrijker dan historische accuraatheid. Niet minder onbedachtzaam wordt er omgegaan met de spoorlijn naar Birkenau: deze loopt door achtertuintjes en is op vele plaatsen overwoekerd.

Goederenwagons als onderdeel van de “Judenrampe Memorial Site”. Waarschijnlijk bevindt het monument zich op de verkeerde plek. © Hans Citroen
Goederenwagons als onderdeel van de “Judenrampe Memorial Site”. Waarschijnlijk bevindt het monument zich op de verkeerde plek. © Hans Citroen
De overwoekerde spoorlijn richting Birkenau doorkruist een achtertuintje. © Hans Citroen
De overwoekerde spoorlijn richting Birkenau doorkruist een achtertuintje. © Hans Citroen

Van ruïne tot werelderfgoed

Behalve het eerder genoemde prikkeldraad is er nog veel meer niet authentiek in Birkenau. Het kamp was na de bevrijding nog vrijwel intact, maar werd daarna door de bewoners van Oświęcim en de Poolse autoriteiten veranderd in een ruïne, dat het tegenwoordig nog steeds voor een deel is. Inwoners die na de oorlog terugkeerden in Oświęcim gebruikten de bakstenen en het hout van het kamp voor het herbouwen van hun woningen die door de Duitsers afgebroken waren. Zelfs de stenen van de door de Duitsers opgeblazen crematoriagebouwen, waar ook de gaskamers gevestigd waren, werden hiervoor gebruikt. De houten paardenstallen, die gebruikt waren als gevangenenbarakken, werden door de overheid gedemonteerd en daarna gebruikt als bouwketen of verwerkt tot steigermateriaal bij de wederopbouw van Warschau. Ook met het kampterrein werd aanvankelijk bepaald niet respectvol omgegaan: mensen lieten hier hun vee grazen en het pad langs het overgroeide perron werd gebruikt als openbare weg.

In 1947 besloten de Poolse autoriteiten dat kamp Birkenau voor toekomstige generaties bewaard moest worden. In de jaren vijftig werd begonnen met het herbouwen van een deel van het kamp. Met zoveel mogelijk origineel hout werden de uitkijktorens en tien barakken gereconstrueerd. De zo kenmerkende bakstenen schoorstenen verrezen weer als enige “restanten” van de overige barakken. Het poortgebouw werd grondig gerestaureerd, want ook daar waren onder andere dakpannen en houten vloeren uit weggehaald om te dienen als bouwmateriaal. Kamp Birkenau en het hoofdkamp, dat na het einde van de oorlog nog wel grotendeels intact was, werden in 1979 toegevoegd aan de Werelderfgoedlijst van UNESCO. Rondom de museumterreinen werd een beschermingszone van 500 meter (later 100) aangewezen. Alcohol, feesten, lawaai en horeca zijn hier taboe en er gelden bouwrestricties. De Judenrampe ligt buiten de zone, evenals een heleboel kampgebouwen die een andere bestemming hebben gekregen. Zo bevinden zich tegenwoordig woningen in de Kommandantur van het hoofdkamp (het kantoor van de kampcommandant en zijn staf). Ook de villa van kampcommandant Rudolf Höss en de gebouwen van de vrouwenafdeling van het Stammlager, waarin ook de laboratoria waren gevestigd waar experimenten werden uitgevoerd op vrouwelijke gevangenen, zijn tegenwoordig bewoond.

Deze gebouwen van de vrouwenafdeling van het hoofdkamp, waarin ook de laboratoria gevestigd waren waar experimenten werden uitgevoerd op vrouwelijke gevangenen, zijn tegenwoordig bewoond. © Hans Citroen
Deze gebouwen van de vrouwenafdeling van het hoofdkamp, waarin ook de laboratoria gevestigd waren waar experimenten werden uitgevoerd op vrouwelijke gevangenen, zijn tegenwoordig bewoond. © Hans Citroen

“Auschwitz is het kamp en Oświęcim de stad”

De geschiedenis van Auschwitz bevindt zich dus ook buiten de museumterreinen en de UNESCO-zone. “Iedere vierkante meter van Oświęcim is besmet”, zo concludeert Hans Citroen. Als kind had hij zich het kamp voorgesteld als “een walmend stuk grond waar niets wil groeien met bedompte houten gebouwtjes.” Dat Auschwitz ook een stad is waar mensen wonen, realiseerde hij zich pas toen hij in 1992 zijn echtgenote Barbara Starzyńska (ze overleed in 2010) ontmoette in Rotterdam. Ze had een gelukkige jeugd in Oświęcim en wist als kind niet “dat daar in die kampen een groot deel van de Europese Joden is vermoord”. Met haar vrienden en familie bracht ze zomerdagen door op het strandje aan de rivier de Soła tegenover de villa van Höss. “Villa Höss betekende zonnen, zwemmen en plezier.” Dat de oevers van de Soła vol lagen met de asresten van de crematoria van Birkenau wist niemand toen. Het kamp kende Barbara wel, maar voor haar was het een museum waarin de communistische overwinning op het fascisme getoond werd.

Kamppalen zijn gebruikt als tuinhek. © Hans Citroen
Kamppalen zijn gebruikt als tuinhek. © Hans Citroen
“Auschwitz is het kamp en Oświęcim de stad”, dat was hoe Barbara de geschiedenis in duidelijke lijnen afbakende en hoe de inwoners van Oświęcim dat nog steeds doen. Het bleek een grote misvatting, zo moest Barbara gaandeweg concluderen. Soms tot haar frustratie en die van omwonenden van het kamp beet haar echtgenoot zich vast in de geschiedenis van het kamp en ontdekte hij, met haar hulp als tolk en deskundigheid als architecte, hoe het kamp en de stad met elkaar verweven zijn. Auschwitz was een prestigeproject van de SS: in en om de stad moest een Duitse kolonie oprijzen. Een voetbal- en atletiekstadion, zwembaden en recreatiegebieden maakten onderdeel uit van het plan (maar werden niet gerealiseerd). Gevangenen werden ingezet voor bouwwerkzaamheden en in de omvangrijke industrie van de SS. Veel gebouwen in het naoorlogse Oświęcim maakten oorspronkelijk deel uit van het kamp en de omliggende industrie. Behalve voor de eerder genoemde gebouwen gold dit ook voor de chemiefabriek waar Barbara’s vader en een groot deel van de beroepsbevolking van de stad en omliggende plaatsen werkten. Hoewel het met trots werd voorgesteld als een na de oorlog door het communistische Polen opgerichte fabriek, was het in de oorlog door dwangarbeiders gebouwd in opdracht van het Duitse chemieconcern IG Farben. Maar over die geschiedenis zwegen de Polen liever.

“Pas op gas”

Inwoners van Oświęcim worden liever niet geconfronteerd met het naziverleden van hun stad. Toch is die geschiedenis overal zichtbaar, ook in kleine details. Hans Citroen fotografeerde tientallen betonnen palen die eens onderdeel waren van de prikkeldraadhekken die door de Duitsers overal in Auschwitz aangelegd werden om gevangenen en dwangarbeiders op hun plek te houden. Terwijl ze op de huidige kampterreinen netjes bijgehouden worden door ze te voorzien van nieuw beton en “nieuw” prikkeldraad, staan ze op andere plaatsen te verrotten als stille getuigen van de geschiedenis. Slechts één paal herinnert bijvoorbeeld nog aan Monowitz, het derde concentratiekamp van Auschwitz, dat niet behouden is gebleven op enkele bouwwerken na, zoals een barak die nu wordt gebruikt als rommelopslag. Ook zijn de kenmerkende palen, die voor ons de donkere wereld van de concentratiekampen symboliseren, door vlijtige omwonenden gebruikt om een kippenhok mee af te rasteren of als tuinhek. Elders omringen de palen een butaangasinstallatie. Wanneer je bekend bent met het oorspronkelijke gebruik van deze palen kijk je met andere ogen naar het aan het hek bevestigde waarschuwingsbordje met daarop de waarschuwing: “pas op gas”.

Een voormalige kampbarak is in gebruik genomen als rommelopslag. © Hans Citroen
Een voormalige kampbarak is in gebruik genomen als rommelopslag. © Hans Citroen
Een voormalige kampbarak is in gebruik genomen als rommelopslag. © Hans Citroen
Een voormalige kampbarak is in gebruik genomen als rommelopslag. © Hans Citroen

Toren van Babel

Veel sporen van het naziverleden in en om Oświęcim zijn in de loop der tijd uitgewist, zo ontdekten Hans en zijn echtgenote tijdens hun speurtochten. Dat geldt bijvoorbeeld voor de carbidtoren van het voormalige IG-Farbencomplex die in 2006 afgebroken werd. De toren, die door kampgevangenen van alle nationaliteiten werd gebouwd, werd genoemd door Auschwitz-overlevende Primo Levi in zijn boek “Is dit een mens”. “De bakstenen [werden] gemetseld met haat en tweedracht, net als de Toren van Babel,” zo schreef hij, “en zo noemen we hem ook: Babelturm, Babelturm; en hierin haten we de krankzinnige, grootheidswaanzinnige droom van onze meesters, hun minachting voor God en de mens, voor ons mensen.” Bij navraag door het onderzoekersduo bleek dat Poolse organisaties die zich bezighouden met het bewaren van historische bouwwerken de fabriek met de toren hadden ingeschaald als een object zonder waarde. Met behulp van een Europese subsidie wordt het voormalige fabrieksterrein heringericht.

Muur om het voormalige fabrieksterrein van IG-Farben en de carbidtoren. De toren is inmiddels gesloopt en het fabrieksterrein wordt heringericht. © Hans Citroen
Muur om het voormalige fabrieksterrein van IG-Farben en de carbidtoren. De toren is inmiddels gesloopt en het fabrieksterrein wordt heringericht. © Hans Citroen

Hans Citroen noemt de sloop van de toren “een tragische vergissing”. Hij had liever gezien dat de toren gebruikt zou worden als uitkijktoren, onderdeel van een op te richten museum waarin de geschiedenis van de industrie van Oświęcim getoond wordt. Zo zou duidelijk worden dat de twee als museum ingerichte kampen slechts een deel van de oorlogsgeschiedenis van Auschwitz vertellen. Dwangarbeid in de omliggende industrie was een wezenlijk onderdeel van het lijden van de gevangenen. Het kamp fungeerde als “arbeidsbureau” voor dwangarbeiders. Velen stierven als gevolg van de uitputtende arbeidsomstandigheden. Maar Auschwitz was meer dan een kamp, het was “een gigantische organisatie”, een industrieel centrum, een “Bollwerk des Deutschtums im Osten”. Maar de inwoners van Oświęcim zitten er helemaal niet op te wachten dat er een link wordt getrokken tussen het kamp en hun stadje. Ze houden het naziverleden liever veilig en overzichtelijk achter het prikkeldraad. “Pas wanneer [de Auschwitzgeschiedenis] uit hun levensomgeving is gebannen”, aldus Hans Citroen, “is er voor Oświęcim een nieuw toekomstperspectief, denken zij.”

Solahütte

Niet gespaard van sloop is ook de SS-Hütte Soletal, ook wel de Solahütte genoemd. Het was een rustiek gelegen recreatiehut voor de staf van Auschwitz in de bossen op ongeveer 40 kilometer van het kamp. Hans en zijn echtgenote dronken eens thee op het terras van het gebouw toen zij hem het vakantiedorp liet zien waar zij en haar familie in haar jeugd de zomer doorbrachten. Het echtpaar kende toen de achtergrond van de kantine nog niet, al hoorden ze van een andere bezoeker dat het vakantiedorp door gevangenen van Auschwitz gebouwd was. Dat bleek dus echter slechts een deel van het verhaal.

De SS-Hütte Soletal in 2008. Het gebouw werd in de zomer van 2011 gesloopt. © Hans Citroen
De SS-Hütte Soletal in 2008. Het gebouw werd in de zomer van 2011 gesloopt. © Hans Citroen

Ongeveer een jaar later, in 2007, verschenen er in de media foto’s die in het bezit gekomen waren van het United States Holocaust Memorial Museum. Het zijn vakantiekiekjes van SS’ers die werkten in Auschwitz. Ze poseren vrolijk met SS-vrouwen en liggen uitgestrekt in ligstoelen op een zonnig terras. Onder andere commandant Höss en de beruchte kamparts Josef Mengele voeren een ontspannen gesprek met elkaar. Op een foto herkende Hans de kantine van het vakantiedorp, op de foto aangeduid als de SS-Hütte Soletal. Ook tijdens die rustige wandeling in de bossen, een jaar eerder, bleken hij en zijn vrouw dus niet om Auschwitz heen gekund te hebben. Toen Hans in augustus 2011 het gebouw weer bezocht, zag hij dat de sloop in volle gang was. Het dak lag er al af. Tot zijn schrik verdween opnieuw een onderdeel van het Auschwitzcomplex.

Auschwitz app

Het in 2011 door Hans Citroen en Barbara Starzynska gepubliceerde boek “Auschwitz-Oświęcim, Oświęcim-Auschwitz” is helaas niet meer verkrijgbaar in de boekhandel. Een goed alternatief is de in 2014 uitgebrachte app voor de iPad en iPhone. Behalve foto’s en informatieve teksten bevat deze app ook een kaart met diverse locaties in Oświęcim die herinneren aan het naziverleden. De App is te downloaden in de App Store. Meer informatie op: auschwitzoswiecim.com. Ook het in 2014 bij uitgeverij Verbum verschenen boek “Auschwitz-de Judenrampe” bevat een uitgebreide selectie foto’s die Hans Citroen maakte van Auschwitz en omgeving.

~ Kevin Prenger

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in Wereld in Oorlog. Het tweemaandelijks verschijnende magazine vertelt opmerkelijke, aangrijpende en dramatische verhalen achter belangrijke gebeurtenissen, ontwikkelingen en militaire operaties in de recente oorlogsgeschiedenis.

Bekijk ook onze uitgebreide onderwerpenlijst of het personenregister

Dit atikel is afkomstig van online geschiedenismagazine www.historiek.net

Gelijk naar geschiedenisboeken over: