Opsporing en beoordeling van anti-Japanse activiteiten

Bij de herovering van Nederlands-Indië vonden vele zware veldslagen plaats, met aan beide kanten duizenden doden. Zo niet bij de inname van Hollandia, Nieuw-Guinea, op 18 april 1944, toen ongeveer 15 duizend Japanners zich volkomen lieten verrassen. Misschien was het juist dit verrassingselement dat er toe leidde dat allerlei documenten werden aangetroffen die anders mogelijk zouden zijn vernietigd. Eén van deze documenten was wel zeer bijzonder: een gestencild rapport van bijna 400 pagina´s over het anti-Japanse verzet op Java. De Amerikanen haastten zich het te vertalen.

De vraag is, of de informatie uit het rapport Anti-Japanese Activities in Java later nuttig is gebleken. In het kader van de oorlogsvoering waarschijnlijk niet. De kopie die uiteindelijk terechtkwam bij het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken en sinds kort bij het Nationaal Archief ligt, toont en marge enkele handgeschreven aantekeningen van na-oorlogse geschiedvorsers: vooral pogingen de namen te ontcijferen. Eenvoudig is dit niet. De Japanners schreven de Nederlandse namen in het Japans, en dát werd weer vertaald in het Engels. Uiteindelijk moeten we in enkele gevallen afgaan op een interpretatie van de klanken om de oorspronkelijke namen te achterhalen. Een voorbeeld:

“Hafukasuhetsu, a person of mixed blood, of Kalimas Station in Soerabaja, under the guidance of Knoop, head of the Eastern SS Bureau, and via Kamaheru, an Ambonese of Soerabaja, plotted the uplifting of the morale through the exchange of illegally heard information about the enemy offensive and the gathering of military information.”

De genoemde Knoop kunnen we thuisbrengen. Het betreft hier Ir. J.J. Knoop van de Staatsspoorwegen (SS). Maar wie hier de Indo Hafukasuhetsu is, of de Ambonees Kamaheru? Geen idee. De namen van de leiders van het verzet werden meestal correct geschreven, de overige meestal verbasterd.

‘Chain of command’
‘Chain of command’

Het rapport, afkomstig van de Japanse geheime politie, de Kenpeitai, bestaat uit vier delen: een hoofdrapport (229 pagina´s), getiteld ‘Overzicht van alle anti-Japanse activiteiten op het eiland Java, februari 1944’, en drie bijlagen:

- advertentie -
  1. een rapport van het Gouvernement in Batavia uit september 1941 over het beoogde gezag ná de oorlog. Dit rapport werd in oktober 1943 door de Kenpeitai gevonden bij Pieter Colijn, één van de leiders van het verzet in Soerabaja.
  2. Een compilatie van verschillende intelligence rapporten van de verzetsbeweging op Java uit december 1942.
  3. Een rapport over door het verzet gebruikte coderingen en communicatievormen.

In de Japanse versie telt het geheel maar liefst 389 pagina´s. Indrukwekkend, niet alleen om het grote aantal bijzondere details in de tekst, maar ook om de prachtige uitvouwbladen, waarop getekende overzichten, organogrammen, van alle connecties tussen de verschillende lokale verzetsgroepen. Het anti-Japanse verzet moet van enorme omvang zijn geweest. Maar was dat wel zo?

De Jong

Dr. Lou de Jong, die het rapport veelvuldig gebruikte voor Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, relativeerde deze veronderstelling. Hij constateerde dat het rapport getuigt van een enorme achterdocht. De Japanners zagen overal verzet, ook daar waar in het geheel geen sprake was van echt verzet. De Nederlanders werden gezien als ‘geharnaste tegenstanders van het regime van de bezetter’, en de Indische Nederlanders waren al niet veel beter. “Het is noodzakelijk”, citeert De Jong het rapport,“deze tot ongehoorzaamheid neigende groep, die de ware bedoelingen van ons zo welwillend militair bestuur niet begrijpt, streng te controleren.” Over de Ambonezen ten slotte:

“De Ambonezen zijn niet de minderen van de Indische Nederlanders. Zij zijn anti-Japanse en pro-Geallieerde socialisten. Zij hebben volhard in hun anti-Japanse gevoelens. De grondslag van hun denken is niet dezelfde geweest als die van de Javanen en overeenkomstige volkeren. Dit komt door hun grondige Christelijke vorming en door de gunsten welke zij van Nederland ontvangen hebben.”

Waar hij spreekt over het beoordelen van het verzet, wijst De Jong op de verschillen tussen Nederlands-Indië en Europa:

“Wij zullen niet alleen schrijven over de reële illegale activiteiten maar ook over die welke, zonder voldoende basis in de werkelijkheid, door de Japanners als zodanig werden bestempeld. Zouden wij die laatste terzijde laten, dan zou het op ons overzicht volgend beeld van de werkzaamheid van Kenpeitai en PID, van de voor de Japanse rechtbanken gevoerde processen en van het lot van diegenen die tot gevangenisstraf werden veroordeeld, hoogst onvolledig zijn, Er is namelijk een markant verschil geweest tussen, enerzijds, de Sicherheitspolizei und SD en de organen van de Duitse justitie en, anderzijds, de Kenpeitai, de PID en de organen van de Japanse justitie: de eerste hebben louter reële illegale activiteiten vervolgd, de tweede zowel reële als fictieve, en ook in dat opzicht was het bestaan van de Nederlanders en Indische Nederlanders in bezet Indië moeilijker dan dat van de Nederlanders in bezet Nederland.”

Verschillen met Europa

Schijn en werkelijkheid waren moeilijk van elkaar te onderscheiden. Dit had alles te maken met de Japanse achterdocht, en het Japans beleid om alles wat ook maar enigszins op verzet leek, zwaar te onderdrukken. Iedere verdachte werd gemarteld tot hij bekende. Uiteindelijk werden zo hele netwerken opgerold van personen die elkaar weliswaar kenden, maar die naar objectieve maatstaven gezien misschien niet veel meer gedaan hadden dan onschuldige berichten uitwisselen. Tientallen, honderden vonden de dood om niet meer dan een verdenking. Bij het beoordelen van aanvragen in het kader van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet (Wiv) gaf dat later soms problemen. Als de Japanners iemand hadden veroordeeld vanwege verzetsactiviteiten, en er waren geen bewijzen van het tegendeel: was dan wel sprake geweest van verzet?

Een ander verschil met de situatie in Europa was het gegeven dat mogelijke verzetsdeelnemers herkenbaar waren aan hun huidskleur. De Japanners hadden de bevolkingsgroepen van Nederlands-Indië, gebruikmakend van al bestaande rechtsverschillen, handig tegen elkaar uitgespeeld. De Inheemsen werd onafhankelijkheid beloofd, zodat deze groep – althans in het begin van de bezettingsperiode – weinig reden zag te protesteren. Pas in 1944 zou dit anders worden, echter toen was het te laat. Tegen de Nederlanders, de voormalige koloniale macht, werd van begin af aan hard opgetreden. Wat ten onrechte wel eens wordt verondersteld: de internering van het blanke bevolkingsdeel had geen raciale motieven. Het in april 1942 ingestelde pendaftaran (persoonsbewijs waarop raciale kenmerken) had niet ten doel blanken te treffen, maar ‘slechts’ de Nederlanders. Andere blanken, niet-Nederlanders zijnde, bleven buiten internering. Het gevolg van de Japanse interneringsmaatregelen was echter dat de blanken geen ruimte werd gegund voor verzetsactiviteiten, en dat niet-geïnterneerde pro-Nederlandse Indo-Europeanen, Ambonezen, Menadonezen en Chinezen reden hadden bang te zijn om te worden opgepakt.

Een derde onderscheid, tenslotte, is het feit dat de verzetsdeelnemers, anders dan in het bezette Nederland waar voortdurend contact met Londen werd gehouden, geen radioverbinding met de buitenwereld onderhielden. Er kon weliswaar op illegale wijze naar buitenlandse zenders (meestal radio San Francisco) worden geluisterd; men had geen zendinstallatie die vanuit bezet gebied berichten naar bijvoorbeeld Australië of Brits-Indië kon uitzenden. Het gevolg was, dat het gepleegde verzet tamelijk ongecoördineerd is gebleven. De conclusies van het Hollandia-rapport ten spijt, de Japanners hadden het georganiseerde verzet vanaf medio 1943, nauwelijks meer dan een jaar na hun inval, volledig onder controle.

Waaruit bestond het verzet? Samengevat: zo ongeveer alles wat afbreuk kon doen aan het Japanse gezag. We kunnen hierbij denken aan militairen die zich niet onderwerpen aan krijgsgevangenschap, aan het verbergen van wapens, aan het luisteren naar illegale radiozenders en het verspreiden van nieuwsberichten, aan spionage- en sabotage-activiteiten, aan het voorbereiden van de terugkeer van de geallieerden, enzovoort… De definiëring van verzetsactiviteiten is natuurlijk afhankelijk van wie of wat deze beoordeelt. De Japanners hanteerden een wel zeer ruime interpretatie: het Hollandia-rapport staat vol met conspiracies en subversive actions.

Drie regelingen

In na-oorlogse jaren konden Nederlanders een beroep doen op drie regelingen die – naast militaire dapperheidsonderscheidingen – specifiek het verzet in Nederlands-Indië waardeerden:

Verzetsster Oost-Azië 1942-1945
Verzetsster Oost-Azië 1942-1945
De Verzetsster Oost-Azië (Koninklijk Besluit, 26 oktober 1948) werd uitgereikt aan diegenen die zich “door geestkracht, karaktervastheid of gemeenschapszin op bijzondere wijze verdienstelijk hadden gemaakt voor door krijgsgevangenschap, internering of anderszins in de macht van de vijand geraakte Nederlanders of Nederlandse onderdanen, dan wel in het verzet tegen de vijand”. Hulp aan geïnterneerden – verzet van humanitaire aard – stond hier dus op de eerste plaats. De Verzetsster Oost-Azië, die slechts kon worden verkregen op voordracht door derden, werd 468 keer uitgereikt.

Het Verzetsherdenkingskruis (Koninklijk Besluit, 19 december 1980) was bedoeld voor zowel verzetsdeelnemers in Nederland als Nederlands-Indië. Omdat de situatie in Indië zoveel anders was dan in Nederland, werden de criteria voor toekenning op basis van verzet aldaar, bewust vaag gehouden. Het kruis werd uitgereikt aan “een ieder, die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Oost-Azië op door Japan bezet gebied of Japans gebied aan, naar het oordeel van het Nationaal Comité Verzetsherdenkingskruis als verzet tegen de vijand aan te merken handelingen heeft deelgenomen”. Toen deze regeling in 1985 werd gesloten waren 15.300 kruisen toegekend, het overgrote deel op basis van activiteiten in Nederland. Het aantal toekenningen op grond van verzetsactiviteiten in Nederlands-Indië is onbekend.

In navolging van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, bedoeld voor Nederlandse verzetsdeelnemers (1947), werd in 1986 de Wet buitengewoon pensioen Indisch Verzet in het leven geroepen. Recht op een buitengewoon pensioen hebben deelnemers aan het verzet die ten gevolge van dat verzet tenminste 10 procent invalidering hebben opgelopen. Ook hun weduwen/weduwnaars hebben recht op dat pensioen. Tot verzet in de zin van de wet wordt gerekend: “activiteiten welke na de capitulatie van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger, anders dan in militair verband, werden verricht met het oogmerk door daad of houding afbreuk te doen aan de militaire of ideologische doeleinden van de bezetter zonder dat daarbij persoonlijk gewin of andere persoonlijke motieven een rol speelden en welke een zekere mate van duurzaamheid of intensiteit inhielden en waaraan voor betrokkene een duidelijk risico verbonden was”.

‘Anders dan in militair verband’ betekent dat reguliere militaire activiteiten buiten beschouwing blijven. ‘Activiteiten door daad of houding’ laat ruimte voor een erkenning in verband met weigeringen om een loyaliteitsverklaring te ondertekenen. ‘Duurzaamheid’ vereist een langere periode, uitgezonderd die situatie waarin de verzetsdeelnemer wordt gearresteerd of gedood. En tenslotte, de toevoeging ‘duidelijk risico’ impliceert dat de activiteiten door de Japanners als gezagsondermijnend moesten worden gezien. In afwijking van bij de Verzetsster Oost-Azië wordt humanitaire hulpverlening hier niet als verzet beoordeeld.

In het kader van deze wet werden ruim 2500 aanvragen ingediend. In ongeveer een kwart daarvan was sprake van erkenning van de verzetsactiviteiten. Vooral de bewijslast was na zoveel jaren een struikelblok.

Omvang

De omvang van het verzet is moeilijk in te schatten. In afwijking van, bijvoorbeeld, internering, is hier natuurlijk geen sprake geweest van enige vorm van registratie. Iedere schatting is daarom per definitie onvolkomen. In geen enkele publicatie over het verzet in Nederlands-Indië is geprobeerd op dit punt tot een onderbouwde conclusie te komen.

Als we ons beperken tot het pro-Nederlandse verzet (van het Inheemse verzet is zeer weinig bekend, en dat onderdeel valt buiten het bestek van dit artikel), is hier misschien toch iets over te zeggen. In het Hollandia-rapport (dat alleen het verzet op Java betreft) wordt melding gemaakt van 20 opgerolde verzetsgroepen met 1730 leden, en 42 nog in behandeling zijnde (?) groepen met 1468 leden. Dit naast 8 ‘communistische verzetsgroepen’ met 691 leden. Deze cijfers zijn met enige goede wil te vergelijken met de hierboven genoemde cijfers in het kader van de Nederlandse verzetsregelingen. Misschien mogen we – rekening houdende met aftrek van vermeend verzet – concluderen dat twee à drieduizend personen het hebben aangedurfd om de Japanse bezetting actief te weerspreken. Dat mag misschien weinig lijken, de Japanners moeten er hun handen vol aan hebben gehad.

~ Bert ImmerzeelJava Post

Dit artikel is eerder verschenen op Java Post

Java Post

Bekijk ook onze uitgebreide onderwerpenlijst of het personenregister

Dit atikel is afkomstig van online geschiedenismagazine www.historiek.net

Gelijk naar geschiedenisboeken over: