Dark
Light

Roland Köster – Diplomaat onder Wilhelm II en Hitler

26 minuten leestijd
Roland Köster (Foto: bildarchivaustria)
Roland Köster (Foto: bildarchivaustria)

Op 11 november 1918 kwam de Duitse Keizer Wilhelm II als vluchteling vanuit Spa aan op kasteel Amerongen. Een dag daarvoor was graaf Godard van Aldenburg Bentinck door de commissaris van de koningin in Utrecht, graaf Van Lynden van Sandenburg, benaderd om de keizer voor drie dagen onderdak te verlenen. Uiteindelijk zouden dit achttien maanden worden.

Tijdens de vlucht naar en het latere verblijf van Wilhelm II in Nederland speelt de toenmalige secretaris van het Duitse gezantschap in Den Haag, Dr. Jur. Roland Wilhelm Helmut Dietrich Köster (1883-1935), een belangrijke rol. Mogelijk is hij ook betrokken geweest bij de voorbereiding van de vlucht van Wilhelm II naar Nederland. Tijd voor een uitvoerige schets van deze Duitse diplomaat waarvan de diplomatieke carrière in 1915 onder keizer Wilhelm II begint en op 31 december 1935 onder Hitler abrupt met zijn plotselinge dood zou eindigen.

Inleiding

Door een recente publicatie van Beatrice de Graaf1 en de uitzending Een koninklijke leugen van Andere Tijden2 met betrekking tot de betrokkenheid van koningin Wilhelmina bij de plotselinge komst van keizer Wilhelm II naar Nederland, staat dit onderwerp na honderd jaar weer volop in de belangstelling. Officieel zou zowel Wilhelmina, als het kabinet Ruys de Beerenbrouck als graaf Bentinck niet van te voren op de hoogte zijn geweest van de vlucht van de keizer naar Nederland. Pas in de nacht van 9 op 10 november 1918 stelde de Duitse legerleiding het Nederlandse gezantschap in Brussel van de vlucht op de hoogte, waarna in de ochtend van 10 november zowel koningin Wilhelmina en het kabinet door Herman van Karnebeek, de minister van Buitenlandse Zaken, werden ingelicht. Er zijn echter aanwijzingen die het tegendeel kunnen doen vermoeden.3,4

Paul Boucabeille, ca. 1919 (Haags Gemeentearchief - Fotograaf onbekend)
Paul Boucabeille, ca. 1919 (Haags Gemeentearchief – Fotograaf onbekend)
Zoals het telegram van de Franse militaire attaché in Den Haag, generaal Paul Boucabeille, chef van de Franse inlichtingencentrale in Nederland, aan de minister van oorlog in Parijs. In dit telegram, gedateerd op 9 oktober 1918, wordt gemeld dat ‘uit betrouwbare bron’ is vernomen dat het Nederlandse hof de burgemeester van Oldenzaal onder geheimhouding heeft opgedragen maatregelen te nemen voor een eventuele ontvangst, bewaken en doorsturen naar kasteel graaf Bentinck bij Arnhem van veertig (hut)koffers van grote waarde, afkomstig van het Duitse keizerlijk hof. Dit zou betekenen dat er mogelijk plannen waren om de keizer op Kasteel Middachten te ontvangen. Welk ‘betrouwbare bron’ dit is geweest, of met het Nederlandse hof ook koningin Wilhelmina op de hoogte was en of de 40 koffers ooit in Oldenzaal zijn aangekomen is niet bekend.

Daarnaast bracht Wilhelmina’s adjudant-generaal J.B. van Heutsz ook nog eens van 5 tot en met 8 november 1918 een bezoek aan het bezette België. In dat kader had hij ook een bezoek gebracht aan Spa, waar het hoofdkwartier van de Westelijke Duitse legermacht was gevestigd. Op 8 november lunchte Van Heutsz nog met de keizer; tevens had hij gesproken met opperbevelhebber Paul von Hindenburg. Die ontmoeting, zo vlak voor de vlucht van de keizer, riep bij velen vragen op, onder andere bij het SDAP-Kamerlid Polak. De regering antwoordde dat Van Heutsz al op 30 oktober door de Duitse legerleiding was uitgenodigd. De keizer was toen nog onderweg vanuit Potsdam. Van een plan om naar Nederland uit te wijken zou toen nog totaal geen sprake zijn geweest. De uitnodiging aan Van Heutsz had vermoedelijk te maken met twijfels bij de Duitsers over de houding van Nederland in het internationale politieke bestel. Vanwege de Nederlandse ‘neutraliteit’ werd het bezoek pas twee dagen na het einde van de Eerste Wereldoorlog in de kranten bekendgemaakt, waarbij er nadrukkelijk op werd gewezen dat het bezoek niet bedoeld was geweest om de komst van de keizer voor te bereiden.

Tijdens de vlucht naar en het latere verblijf van Wilhelm II in Nederland speelt de toenmalige secretaris van het Duitse gezantschap in Den Haag, Roland Köster, een belangrijke sleutelrol. Hij is een van de grote onbekenden in de Duitse diplomatiek gebleven. Op het eerste blik merkwaardig omdat zijn beroepscarrière op een van de belangrijkste posten binnen het Duitse Rijk is geëindigd: van november 1932 tot aan zijn vroege dood op 31 december 1935 was hij Duits gezant in Parijs.

Mogelijk was hij ook betrokken bij de voorbereiding van de vlucht van Wilhelm II naar Nederland. De daarmee samenhangende vraag is welke voorbereidende rol prins Hendrik en graaf Bentinck zouden kunnen hebben gespeeld bij de komst van Wilhelm II naar Nederland? Vooralsnog is daar geen overtuigend bewijs voor gevonden, maar feiten genoeg die in die richting wijzen.

De volgende beschrijving is gebaseerd op een publicatie in Francia6, aangevuld met genealogische gegevens7,8 en verder archiefonderzoek.

Biografie Roland Köster

Roland Köster werd op 1 juni 1883 in Mannheim geboren als tweede kind van een Duitse vader en een Nederlandse moeder. Zijn vader Wilhelm August Hippolyt Köster (1854-1902) was bankier en koopman, tevens consul van Venezuela en vice-consul van de Verenigde Staten. Op 23 september 1880 trouwde hij in Haarlem met Antonia Maria ‘Annette’ Dyserinck (1858-1943). Toen Roland werd geboren had het echtpaar al een dochter genaamd Wanda Anna Hermana Köster (1881-1956), die vanaf 1920 in Den Haag woonde en ongetrouwd is gebleven.9 Het huwelijk van Roland’s ouders werd in 1886 ontbonden, nadat zijn vader in een duel de minnaar van zijn vrouw had gedood. Nadat hun vader kortstondig gevangen zat, werd hem door keizer Wilhelm I gratie verleend en werden de beide kinderen vanaf 1889 aan de vader toegewezen. Na de dood van hun vader in 1902 woonden Roland en Wanda bij hun moeder in Lörrach en Heidelberg.

Roland volgde vanaf 1903 een rechtenstudie aan de universiteit van München en Heidelberg, waar hij in 1911, mogelijk geïnspireerd door het mislukte huwelijk van zijn ouders, promoveerde op het onderwerp ‘Germaanse huwelijksvormen’.10 Tijdens zijn studie was hij werkzaam bij het Badens ministerie van Justitie en de rechtbank van Heidelberg. Roland had een uitgesproken interesse in buitenlandse reizen, technische vernieuwingen en zin in avontuur. Na zijn studie ondernam hij een autoreis door half Europa en haalde in 191011 zijn brevet voor ballonvaarder en op 24 september 1913 voor luchtmachtpiloot.12 In 1913 moet Roland als eerste met een watervliegtuig boven de Bodensee hebben gevlogen.13

Op 1 juni 1924 trouwde hij in Reichenberg/Bohemen (het huidige Liberec in Tsjechië) met Theodora Hyacinthe Angelika Hélène Maria Louise Freiin von Liebieg14 (1902-1984), een dochter van de textielindustrieel Theodore Marie Freiherr von Liebieg en Maria Ida Blaschka. Het echtpaar kreeg twee kinderen, John Theodor Christian (geboren in 1926 en in 1943 geadopteerd door zijn oom Dankward Christian von Bülow. Vanaf dan noemt hij zich John Theodor Christian von Bülow Köster) en Josef (geboren en overleden in 1928).

Nadat Roland Köster onverwacht op 31 december 1935 in Neuilly-sur-Seine aan een longontsteking was overleden, hertrouwde zijn vrouw Theodora op 18 januari 1942 met de Duitse diplomaat en officier Ernst August Köstring (1876-1953).15

Diplomatieke carrière 16

Na zijn overstap van het Badens ministerie van Justitie naar de diplomatieke dienst van Baden, werd Roland Köster eind 1912 als attaché geplaatst op het Badens gezantschap in Berlijn. Vandaar solliciteerde hij op 10 april 1914 naar een post binnen de diplomatieke dienst van het Duitse Rijk. Na het met matig succes afgelegde toelatingsexamen (met name Franse taal) wachtte hem niet direct het begin van een carrière als attaché, maar de Eerste Wereldoorlog. Als luchtmachtofficier nam hij aan het westelijk front deel aan de slag bij Ieper, waarbij hij het IJzeren Kruis 1e Klas kreeg. Midden 1915 werd hij plotseling ‘op hoogste bevel van het ministerie van Buitenlandse Zaken ter beschikking gesteld aan de diplomatieke dienst’. Köster doorliep geen proeftijd, maar werd direct als gezantschapssecretaris bij het Duitse gezantschap in Den Haag aangesteld. Bij zijn aanstelling op 2 september 1915 stelde staatssecretaris van Buitenlandse Zaken Von Jugow dat de functie-indeling onder voorbehoud plaatsvond van een nog later in te halen examen.17 Het afsluitende examen zou Köster echter nooit meer hoeven af te leggen.

Haagse periode

Of zijn Nederlandse afstamming via zijn moeder en daardoor zijn kennis van de Nederlandse taal een rol speelde bij deze aanstelling is niet meer te achterhalen. Zijn komst in Den Haag was echter dringend gewenst. Het gezantschap in Den Haag was tijdens de Eerste Wereldoorlog een van de belangrijkste vertegenwoordigingen van het Duitse Rijk. Het neutrale Nederland was, net als Zwitserland, het centrum van geheime diplomatieke contacten tussen de oorlogvoerende partijen. De jonge Köster werd echter voornamelijk ingezet om de binnenlandse situatie in Nederland te observeren. Zijn familiebanden en beheersing van de Nederlandse taal waren voor hem bij deze taak onontbeerlijk. Dankzij zijn goede contacten met officieren aan het front was hij over de uitzichtloosheid van de Duitse strijd en de aanstaande Duitse nederlaag al in het voorjaar van 1918 op de hoogte.

Köster op kasteel Amerongen

Op 27 juli 1918 bezocht Roland Köster, samen met zijn collega van Buitenlandse Zaken Dankward Christian Berhard Alfred Freiherr von Bülow, voor het eerst graaf Bentinck op kasteel Amerongen. Op 7 en 8 september 1918 (Von Bülow schrijft per ongeluk 7/8 augustus 1918) kwamen beiden nogmaals bij graaf Bentinck op bezoek.19 De reden voor deze bezoeken is niet teruggevonden, maar er zijn sterke aanwijzingen dat het hier gaat om een voorbereiding van de ontvangst van keizer Wilhelm II, als deze na de nederlaag van het Duitse Rijk aan het einde van de Eerste Wereldoorlog zou moeten vluchten.20

Uit onderzoek blijkt dat zowel Roland Köster als Dankward Christiaan von Bülow een relatie hadden tot prins Hendrik, de echtgenoot van koningin Wilhelmina. Zo begeleidde Köster prins Hendrik in juni 1917 en mei 1918 op twee grote reizen door Duitsland. Ondanks dat Wilhelmina haar man deze reizen in zijn vaderland had verboden. De reden voor deze reizen is niet achterhaald, maar bekend is dat Hendrik regelmatig jaagde op zijn landgoed Dobbin.21 Mogelijk is tijdens deze reizen een bezoek van Köster aan Bentinck, met het naderende eind van de oorlog in zicht en de daaruit voortvloeiende positie van de keizer, besproken. Hierbij zou Hendrik als tussenpersoon kunnen hebben gefungeerd. Ook Von Bülow kende prins Hendrik. Zowel de familie Von Bülow als prins Hendrik waren afkomstig uit Mecklenburg en zullen elkaar ongetwijfeld hebben gekend. Het gaat zelfs zo ver dat Hendrik zich in sommige gevallen voordeed als ‘graaf Von Bülow’.22

Prins Hendrik
Prins Hendrik (Publiek Domein – wiki)
Voordat hij op weg ging naar Nederland voor zijn huwelijk met koningin Wilhelmina werd Hendrik bij zijn officiële afscheid van Mecklenburg met een groot galadiner op het slot te Schwerin op 30 januari 1901 onder meer toegesproken door de rijkskanselier Bernhard Heinrich Karl Martin Fürst von Bülow, de oom van Dankward Christian von Bülow. In tegenstelling tot Köster was Dankward Christian von Bülow van adel en kon hij het gezamenlijke bezoek van Köster en Von Bülow aan Bentinck een extra dimensie meegegeven. Bentinck zou hier zeker gevoelig voor zijn geweest.

Prins Hendrik had op zijn beurt weer een relatie tot graaf Bentinck en Wilhelm II. Uit het gastenboek van Bentinck blijkt dat zij elkaar kenden. Hendrik was jaarlijks bij Bentinck te gast als ze samen op jacht gingen en was in 1914 meerdere keren op bezoek geweest op kasteel Amerongen waar hij ook overnachtte. Zowel Hendrik als Bentinck waren lid van de Johanniter Orde in Nederland en hadden in die hoedanigheid de mogelijkheid besproken om Belgische vluchtelingen op kasteel Amerongen onder te brengen. Evenals Hendrik en Bentinck was Wilhelm II lid van de Johanniter Orde. Ongetwijfeld hadden de heren elkaar in deze hoedanigheid vaker ontmoet. Hendrik was een fervent aanhanger van de keizer en zou hem later in zijn ballingschap meerdere keren bezoeken. De onderlinge invloedssfeer kan als volgt in beeld worden gebracht.

Op de vraag of, zowel koningin Wilhelmina, als het kabinet Ruys de Beerenbrouck, van te voren op de hoogte zijn geweest van de vlucht van de keizer naar Nederland zou nog steeds ontkennend kunnen worden geantwoord. Zelfs Bentinck zou pas in laatste instantie op de hoogte kunnen zijn gebracht. Maar het is niet geheel ondenkbeeldig dat prins Hendrik (al of niet met medeweten van koningin Wilhelmina op de achtergrond, die naar de buitenwereld de schijn van neutraliteit moest ophouden24) buiten de officiële kanalen om een bemiddelende rol speelde. Bentinck zou dus in een vroeg stadium kunnen zijn gepolst hoe zijn standpunt was om eventueel een ‘broeder in nood’ te helpen. Köster en Von Bülow zouden na bemiddeling van Hendrik met dit doel op bezoek zijn gegaan bij Bentinck. Met het dan bij het Duitse gezantschap bekende standpunt van Bentinck zou tijdens het overleg op 10 november 1918 tussen Herman van Karnebeek en de Duitse gezant Friedrich Rosen al snel de keuze op kasteel Amerongen als tijdelijke verblijfsplaats zijn gevallen en werd contact met Bentinck gelegd.

Dit zou ook een ander licht op het telegram van generaal Paul Boucabeille met betrekking tot de koffers met bestemming Middachten werpen. Het zou prins Hendrik kunnen zijn geweest die deze opdracht verstrekte, zonder dat de rest van het Nederlandse hof, i.c. koningin Wilhelmina, hiervan op de hoogte was. Middachten (waar een neef van Bentinck woonde) als locatie zou een verkeerde interpretatie van Boucabeille kunnen zijn geweest bij het horen van de naam Bentinck. Dat Oldenzaal dan als plaats is uitgekozen is dan ook niet helemaal toevallig. Op 1 februari 1901 maakte Hendrik als toekomstig echtgenoot van Wilhelmina een treinreis vanuit Bremen naar Nederland, waarbij hij in Oldenzaal, het eerste Nederlandse station waar de trein stopte, werd begroet door de commissaris van de koningin, de heer P. Lycklama à Nijeholt. Mogelijk had Hendrik deze plaats als eerste station in Nederland in gedachte waar de koffers konden aankomen.

Wilhelm II neemt op 10 november 1918 afscheid van zijn gevolg op het Station Eijsden aan de Nederlands-Belgische grens.
De Duitse keizer Wilhelm II met zijn gevolg, op de vroege ochtend van 10 november 1918 bij Eijsden aan de Nederlandse grens.

Köster en Wilhelm II

Aan het einde van de oorlog werd Köster vanwege zijn kennis over de verhoudingen in Nederland door de Duitse gezant in Den Haag dr. Friedrich Rosen (de latere minister van Buitenlandse Zaken tijdens de Weimarrepubliek) ingezet om de komst van keizer Wilhelm II in Nederland te begeleiden. Rosen en Köster zouden op 11 november 1918 de gevallen monarch in Eijsden van het besluit van de Nederlandse regering omtrent zijn asielaanvraag op de hoogte brengen.25 De volgende maanden waren voor de jonge diplomaat van groot belang omdat Köster veel met de keizer te maken zou hebben.

Hij begeleidde de keizer op zijn reis vanaf de Belgisch/Nederlandse grens naar Maarn op weg naar zijn voorlopige ballingsoord, kasteel Amerongen. Een paar dagen later deed hij dienst als koerier tussen de keizer, het gezantschap in Den Haag en het ministerie van Buitenlandse Zaken in Berlijn om de moeilijke juridische en staatsrechtelijke situatie, die door het feitelijk aftreden van de keizer was ontstaan, tot een goede oplossing te brengen. Op 23 november 1918, de dag dat zijn identiteitskaart door het Nederlandse departement van Buitenlandse Zaken werd uitgegeven26, verscheen hij bij het regeringskantoor in de Wilhelmstrasse in Berlijn om de door de keizer te ondertekenen verklaring over de ontbinding van de door de Duitse beambten en officieren aan hem afgelegde eed voor te leggen. Staatssecretaris Solf was zich bewust dat de keizer formeel nog niet was afgetreden. Wilhelm II had slechts op 9 november 1918 mondeling toegezegd terug te treden als Duitse keizer, maar nog niet als koning van Pruisen. Köster werd daarom met de delicate kwestie belast om de keizer een bij Buitenlandse Zaken in de haast aangepaste acte van abdicatie te laten ondertekenen. Met de hoftrein, die keizerin Auguste Victoria in de vroege ochtend van 28 november 1918 naar Nederland vervoerde, bracht Köster de acte van abdicatie naar de keizer. Onderweg had hij de keizerin geïnstrueerd hoe zij haar man moest overhalen de acte te tekenen.

Uit aantekeningen van Roland Köster27 blijkt dat bij aankomst in Amerongen Köster de voor de keizer bestemde acte overhandigde aan Werner von Grünau, die tot dan namens het ministerie van Buitenlandse Zaken tot het gevolg van de keizer behoorde, en hem de order van Buitenlandse Zaken doorgaf dat het ondertekende document met de nog dezelfde dag terugrijdende trein naar Berlijn moest worden gebracht. Von Grünau zegde toe het document nog voor de lunch aan de keizer voor te leggen. De keizer en zijn vrouw spraken enkele uren in afzondering, maar tegen het middaguur kwam hij uit zijn kamer de trap af op het ogenblik dat Köster zich met enkele andere heren in de voorhal van het kasteel bevond. De keizer zag er tamelijk bleek en opgewonden uit en riep toen hij Köster zag: “Daar heb je ook zo’n diplomaat” en liet zich in niet-parlementaire bewoording uit over het ministerie van Buitenlandse Zaken en het daaraan verbonden personeel. Köster probeerde aan deze onverkwikkelijke scene een einde te maken door de keizer te antwoorden dat hij te kort bij het ministerie was betrokken om zich omtrent de beschuldigingen een oordeel te kunnen vormen. Toen de keizer desondanks doorging met zijn tirade en Köster hem nogmaals onderbrak dat hij te weinig voorkennis bezat, keerde de keizer hem opgewonden de rug toe met de woorden:

“Dan weet je het nu!”

De lunch verliep rustiger, waarbij de keizerin zich bewonderenswaardig gedroeg en probeerde zelfs enkele opbeurende woorden tegen haar tafelgenoot te zeggen. De keizer gedroeg zich nog steed sopgewonden, maar zonder onaangename zaken aan te roeren.

Voor Von Grünau en Köster was de lunch minder aangenaam, omdat Von Grünau nog voor de lunch had gezegd dat de keizer zou weigeren te tekenen, omdat beslag was gelegd op zijn privévermogen. Dit zou moeten worden opgeheven voordat de keizer onder welke verklaring dan ook zijn handtekening zou zetten. Dit was een probleem omdat de keizer voor 17.00 uur moest hebben getekend. Dan zouden Von Grünau en Köster (en 14 andere personen uit het gevolg van de keizer28) met de hoftrein teruggaan naar Berlijn. Köster ging de discussie met de keizer aan of de weigering gebaseerd was op zijn ergernis betreffende zijn in beslag genomen privévermogen of de stille hoop zich op deze manier aan een staatsrechtelijk aftreden te kunnen onttrekken. De keizer bleek door zijn ergernis een heldere blik op de toestand te zijn verloren.

Na afloop van de lunch liet de keizer Köster bij zich roepen. In tegenstelling tot de ochtend was hij nu vriendelijk en scheen de eerder gedane uitspraken te zijn vergeten. In aanwezigheid van Von Grünau spraken ze een half uur over de politieke toestand, waarna Köster voorzichtig het onderwerp van de inbeslaggenomen privévermogen probeerde aan te roeren. Hierbij maakte Köster de keizer duidelijk dat hij beter met de huidige machthebbers kon samenwerken dan allerlei processen te beginnen. Ook de keizer zou er niet gebaat bij zijn als de huidige regering of door links of door rechts ten val zou worden gebracht. De vraag rond zijn privévermogen zou dan van ondergeschikt belang worden.

Toen de keizer vroeg wat hij in deze ‘ongehoorde’ situatie moest doen, adviseerde Köster hem om door een goede jurist, die thuis was in het staatsrecht, een verslag op te laten stellen en op basis hiervan een aantal geschikte vertrouwensmensen met de regering te laten onderhandelen. Als jurist werd dr. Kriege voorgesteld, waarbij de keizer zichtbaar opleefde. De keizer kende Kriege en was van zijn loyaliteit overtuigd.

Dit was het moment om de acte van abdicatie onder de aandacht te brengen met de mededeling dat Kriege ook de acte had uitgewerkt en dit niet zou hebben gedaan als hij de keizer in de steek zou hebben gelaten. Met de ondertekening ‘zou de persoon van de keizer worden beschermd en het Vaterland voor een verdere afgang worden behoed’. Daarbij werd de keizer nog voorgehouden dat als hij niet zou tekenen de Entente en andere vijanden dit met vreugde zouden ontvangen. Al zijn eerdere gedane uitspraken over zijn terugtreden zouden hierdoor onomstotelijk als nietig worden gezien en dat de keizer in zijn hart helemaal niet aan aftreden dacht. De uitleveringsvoorwaarden van de Entente zouden ongetwijfeld worden aangescherpt. Door niet te ondertekenen zou de keizer tevens de huidige regering een drukmiddel leveren om de vraag rond de inbeslagname uit te spelen en hem tenslotte te dwingen te tekenen als hij zijn vermogen niet kwijt wilde raken.

Hierop beval de keizer Von Grünau hem de acte van abdicatie ter ondertekening te geven. En zo werd op 28 november 1918 uiteindelijk nog op tijd de acte getekend en kon het document alsnog met de hoftrein naar Berlijn.

Opvallend is dat de keizer heeft getekend zonder dat een harde toezegging werd gedaan. Slechts het vooruitzicht dat Kriege zich er mee bezig zou gaan houden was genoeg. Veiligheidshalve liet de keizer de voorwaarden, waaronder hij getekend had, schriftelijk vastleggen. Merkwaardig is ook dat Ilsemann in zijn dagboek hierover met geen woord rept. Hij volstaat met de opmerking

‘dat de keizer op 28 november 1918 de acte van troonsafstand heeft ondertekend. Hij zat daarvoor in zijn kamer aan een groot Louis XIV-schrijftafel, die vroeger toebehoorde aan Anna Bentinck, een tante van de hertog van Portland’. 29

In hetzelfde dagboek komt Kriege pas half februari 1919 in beeld om de keizer over de juridische kant van de (uitleverings)zaak in te lichten. Over het privévermogen geen woord.

De Haagse periode van Köster werd begin 1919 voor tien weken onderbroken, waarin de diplomaat tijdelijk als zaakgelastigde in Hamburg werd gestationeerd. Daarna keerde hij weer terug op zijn post in Den Haag om die in 1920 ter verruilen voor een post op het gezantschap in Brussel. Roland Köster zou overigens een goede band met het keizerlijk echtpaar als persoonlijk adviseur houden. Hij was nauw betrokken bij het opstellen van de vluchtplannen van Wilhelm II. Na de dood van Köster in 1935 zei de ex-keizer dat hij Köster voor zijn praktische hulp ‘tot aan zijn dood dankbaar zou blijven’.

Periode 1920 – 1932

De capaciteiten van Köster bleven niet onopgemerkt. In 1920, nog maar vijf jaar nadat hij bij het Auswartigen Amt als diplomaat in dienst was getreden en nog steeds niet het afsluitende examen had afgelegd, werd hij naar het pas weer opgestarte Duitse gezantschap in Brussel overgeplaatst, waar hij in 1921 tot gezantschapssecretaris II. Klasse werd benoemd.

Vanaf 1922 werd hij in dezelfde functie overgeplaatst naar het gezantschap in Praag, waar hij tot 1925 zou blijven. Het was in deze periode dat hij zijn vrouw Theodora Freiin von Liebieg leerde kennen. Op 1 juni 1924 trouwde hij in Reichenberg met haar. Opvallend is dat vier jaar later op 12 februari 1928 zijn (vroegere) collega Dankward Christiaan von Bülow trouwde met haar zus Helene Gabriele Gisbertine Freiin von Liebieg. Von Bülow was toen als secretario de legação verbonden aan het Duitse gezantschap in Rio de Janeiro in Brazilië.30 Blijkbaar was de band tussen Köster en Von Bülow al die tijd blijven bestaan en waren ze nu zwagers van elkaar.

In 1925 maakte Köster een reuzensprong binnen zijn carrière als diplomaat van de Weimar Republiek toen hij werd benoemd tot hoofd protocol van het ministerie van Buitenlandse Zaken in Berlijn. Als hoofd van het Referat Etikette mocht hij de titel ‘buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister’ voeren en stond hij direct onder de minister van Buitenlandse Zaken. Zijn opdracht was om de uitstraling van de Republiek meer glans te geven en een ceremonieel protocol op te stellen zoals in het buitenland al gewoon was. Zijn werkzaamheden brachten hem in de kringen rond de nieuwe rijkspresident Von Hindenburg. Door de prachtige vormgeving van ceremoniën en audiënties bij Von Hindenburg, die niet onder deden voor die uit het voormalige keizerrijk, werd Köster een van de bekendste en belangrijkste persoonlijkheden van Buitenlandse Zaken.

Van 1929 tot 1930 was Köster gezant van het Duitse gezantschap in Oslo. In eerste instantie zou hij naar Warschau gaan, maar daar zag hij weinig heil in. Hij verwachtte daar veel arbeid met weinig resultaat. Mede vanwege zijn gezondheidsproblemen werd het Oslo. Köster stond al vanaf 1916 onder behandeling van een cardioloog in Berlijn.

Bernhard Wilhelm von Bülow
Op 1 oktober 1930 kreeg Köster op voorspraak van minister Curtius en staatssecretaris Bernhard Wilhelm Otto Viktor von Bülow (een neef van zijn zwager Dankward Christiaan von Bülow) de leiding van Algemene Zaken, gevolgd in juni 1931 door zijn benoeming tot secretaris-generaal en tevens hoofd personeelszaken van het ministerie van Buitenlandse Zaken in Berlijn. Bij deze benoeming speelde zijn eerder opgebouwde relatie met de rijkspresident Paul von Hindenburg en zijn persoonlijke adjudant, zijn zoon majoor Oskar von Hindenburg, een belangrijke rol. Kösters kennis van militaire zaken viel in goede aarde bij Von Hindenburg en resulteerde in een vriendschappelijke relatie tot de dood van Von Hindenburg in 1934. Het was in deze periode dat hij goede contacten opbouwde met rijksminister Treviranus en staatssecretaris Von Schubert, maar ook met staatssecretaris Bernhard Wilhelm von Bülow. Hierdoor deed Köster zijn intrede binnen de Hindenburg-Kamarilla, de binnenste kring rond de rijkspresident, die grote medeverantwoordelijkheid droeg voor de politieke beslissingen van Von Hindenburg. Binnen deze kring werd steeds meer afstand genomen van de in 1925 door Gustav Stresemann bereikte Locarno-overeenkomst, waarbij de besluiten van het Verdrag van Versailles, met name het vastleggen van de landsgrenzen, werden geëffectueerd.

Het democratische Duitsland kon nog enkele jaren in een soms gespannen sfeer, maar wel productief, met andere landen samenwerken en nog meer versoepeling van het Verdrag van Versailles bereiken. De buitenlandse isolatie van Duitsland na de eerste Wereldoorlog was hiermee overwonnen. De groep rond Von Hindenburg streefde daarbij naar het herstel van de oude macht- en prestigepolitiek, “die Ruckkehr zum Alten”. Köster had hierbij echter een sympathie voor de republikeinse staatsvorm en verlangde niet terug naar een herstel van de monarchie. Köster bleef, ondanks zijn liberale opvattingen, trouw aan de traditionele nationalistische basisopvattingen. Met zijn invloed op benoemingen binnen Buitenlandse Zaken kon hij hier sturing aan geven.

Parijse periode

De benoeming van Roland Köster op 23 november 1932 tot Duits gezant in Parijs32 moet nauwelijks tot ontspanning in de toenemende verharding van de Duits-Franse verhoudingen hebben bijgedragen. De “Mann Hindenburgs”, die de ineenstorting van het Duitse Keizerrijk en de monarchie van zo dicht had meegemaakt, en als een van de weinige nog actieve diplomaten in de Eerste Wereldoorlog in de frontlinie had gevochten, was absoluut niet francofiel ingesteld. Zijn voorliefde voor de politieke cultuur van Groot-Brittannië stond lijnrecht tegenover die van de Franse Derde Republiek. Köster werd met tegenzin de opvolger van de sinds 1924 in Parijs residerende Leopold von Hoesch, die werd overgeplaatst naar Londen, de locatie die Köster veel meer aansprak. Het is onduidelijk gebleven welke rol Von Hindenburg in samenspraak met rijkskanselier Franz von Papen (aan wie Köster door zijn huwelijk in de verte verwant was) op de besluitvorming heeft gespeeld en welke rol de minister van Buitenlandse Zaken Konstantin Freiherr von Neurath en zijn staatssecretaris Bernhard Wilhelm von Bülow hebben gehad.

Köster kwam niet bepaald in een gespreid bedje terecht. Door oplopende spanningen tussen de Weimar Republiek en de Franse Derde Republiek waren de vooruitzichten van een uitbreiding van de bilaterale betrekkingen niet gunstig. De poging van Köster om Frankrijk voor een op gemeenschappelijk economische belangen gebaseerde en mogelijk antibolsjewistisch gerichte politiek te winnen had daardoor geen schijn van kans. Dit lag niet zo zeer aan de gespannen Duits-Franse relatie, maar meer aan de totaal veranderende politieke horizon in Duitsland. Met de machtsovername door Hitler op 30 januari 1933 traden grote verschuivingen in de Duits-Franse betrekkingen op, die ook op Köster als persoon en zijn voor ogen staande politiek terugsloegen. Terwijl de machtsovername door de nationaalsocialisten in Parijs verhoudingsgewijs rustig werd opgenomen, verslechterde vanaf midden februari 1933 de betrekkingen snel. Geruchten over een Duits-Italiaans verbond en de voortdurende Duitse provocatie van de Franse oostgrens, zorgde voor een uiterst nerveuze stemming in Frankrijk, die veel van Kösters diplomatieke capaciteiten eisten. Het Duitse gezantschap in het Palais de Beauharnais aan de Rue de Lille 78 in Parijs kreeg uitgebreide politiebewaking en Köster vroeg aan Berlijn of hij de zwart-wit-rode Weimar-vlag mocht blijven gebruiken, omdat de vlag met het hakenkruis tot ernstige ongeregeldheden zou kunnen leiden. In het voorjaar 1933 vond Köster de situatie zo bedreigend worden, dat hij Berlijn voor een eventuele oorlogssituatie moest waarschuwen.

Köster was zelf geen nazi. Medio 1934 deed Hitler tegen Alfred Rosenberg de uitspraak dat…

“Köster maakt de grootste moeilijkheden. Vroeger heeft hij rondgebazuind dat Hitler oorlog betekent. Hij kan ons daarom niet vertegenwoordigen”.

Friedrich von Prittwitz und Gaffron (Publiek Domein - wiki)
Friedrich von Prittwitz und Gaffron (Publiek Domein – wiki)
In eerste instantie geloofde Köster dat de machtsovername door Hitler geen grote invloed zou hebben op de buitenlandpolitiek, maar naarmate de binnenlandse radicalisering toenam, raakte ook Köster kritischer en gedesoriënteerd. Bij hem rees de vraag in hoeverre hij het nieuwe dictatoriale systeem kon en wilde vertegenwoordigen en of hij de verantwoording voor de snel verslechterde betrekking tussen Duitsland en Frankrijk voor zijn verantwoording wilde nemen. In dat kader is het interessant dat alleen de Duitse gezant in Washington, Friedrich von Prittwitz und Gaffron33, in 1933 uit protest is afgetreden in de veronderstelling dat er een collectief aftreden zou plaats vinden van Von Hoesch34 (Londen) en Köster (Parijs). In het voorjaar van 1933 stelde Von Bülow inderdaad een ontslagaanvraag op, waarin ook gelijktijdig het terugtreden van Köster, Von Hoesch en ook van Von Dirksen (Moskou) werd aangekondigd. Nadat Von Hoesch uiteindelijk zou hebben geweigerd vrijwillig terug te treden, spraken Von Hoesch, Köster, alsook staatssecretaris Bernhard Wilhelm von Bülow af om op hun post te blijven…

“um dem Amt so viel Anstand wie möglich zu retten, aber gleichzeitig zurückzutreten, wenn das Bleiben gegen die Ehre ginge“.

Het aanblijven van de diplomaten werd mede ingegeven door de blijvende aanwezigheid van rijkspresident Von Hindenburg en de vice-kanselier Franz von Papen, alsook Konstantin von Neurath en Bernhard Wilhelm von Bülow. Met name Von Hindenburg was voor Köster een belangrijke reden. Voor de Engelse gezant in Parijs, Lord Tyrrell, was Köster meer een vertegenwoordiger van Von Hindenburg dan een ambassadeur van Hitler.

Joachim von Ribbentrop
Joachim von Ribbentrop
Köster trok zich steeds minder aan van het nazi-regime. Voor hem waren de nazi’s die mensen in Duitsland met Hitler als rijkskanselier aan de top. In mei-vieringen en redevoeringen sprak Köster met geen woord over de nazi’s en nodigde hij vele Joden uit. Ook vermeed hij het contact met Duitse emigranten niet en nodigde hen zelfs uit op het gezantschap, waaronder de voormalige fractievoorzitter van de SPD in de Rijksdag, Rudolf Breitscheid. Hiermee kwam hij in de vuurlinie van nazi-partij en moest door Von Neurath in bescherming worden genomen. Hitler kon echter een Duitse diplomatieke vertegenwoordiger in Parijs, die zich als vertegenwoordiger van Von Hindeburg opstelde, nauwelijks als zijn vertrouweling zien. Daarom liepen steeds meer contacten tussen Duitsland en Frankrijk via Joachim von Ribbentrop, die via zijn Franse contactpersoon Fernand de Brinon direct in verbinding kon komen met de Franse buitenlandminister Daladier.

Hierbij werd Köster niet op de hoogte gehouden en in feite buitenspel gezet. Toen hij daarover zijn beklag deed bij Von Bülow bevestigde deze dat het ministerie aan de Wilhelmstrasse machteloos was. Hij benadrukte zelfs dat Buitenlandse Zaken niets kon ondernemen, omdat de rijkskanselier de onderhandelingen met Frankrijk in eigen hand had genomen. Bezwaren van Franse zijde tegen deze gang van zaken mochten niet helpen. Medio april 1934 werd Von Ribbentrop benoemd tot Beauftragten für Abrüstungsfragen en werden zijn lopende contacten gelegaliseerd. Vanaf 1934 waren er de facto twee vertegenwoordigers van het Duitse Rijk in Parijs. Desondanks trad Köster niet af en probeerde de invloed van de partij op de Duitse kolonie in Parijs tegen te werken.

Midden 1934 werd de situatie op het gezantschap in Parijs steeds moeilijker. Met de zuiveringen van 30 juni 1934 (de Röhm-putsch of de Nacht van de Lange Messen) werd de hele top van de Sturmabteilung (SA), het partijleger van de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei (NSDAP), vermoord door de Schutzstaffel (SS) van Heinrich Himmler. Hitler en zijn getrouwen wilden hiermee hun absolute macht in Duitsland consolideren. Hierbij werd ook een vriend van Köster, generaal-majoor Ferdinand von Bredow, naaste medewerker van de voormalige rijkskanselier Kurt von Schleicher, vermoord en werd Von Bülow op het nippertje door Göring van de dodenlijst geschrapt.

Paul von Hindenburg, 2e Rijkspresident van Duitsland
Paul von Hindenburg, 2e Rijkspresident van Duitsland
Vooral na het overlijden van Paul von Hindenburg op 2 augustus 1934 en de aansluitende proclamatie van Hitler tot Führer und Reichskanzler was de positie van Köster onhoudbaar. Bij de beëdiging van een nieuwe medewerker zei Köster:

“Sie wisse, Hindenburg ist gestorben, nun soll ich Sie auf diesen Reichskanzler vereidigen. Hier, unterschreiben Sie, es wird Ihnen nichts anderes übrigbleiben. Einen Eid will und kann ich Ihnen nicht abnehmen“.

In de veronderstelling dat de kamers in het gezantschap werden afgeluisterd voerde Köster gesprekken al wandelend door het Bois de Boulogne. Desondanks liet men Köster op zijn post. Köster was het regime van tactisch nut. Liever een gecontroleerde, onbetrouwbare vertegenwoordiger, dan door zijn vervanging de Fransen te verontrusten met een nazigetrouwe vertegenwoordiger.

Kösters gezondheid was de reden dat hij steeds meer afwezig was en regelmatig in zijn huis in Oberbayern verbleef. Op 7 november 1935 meldde hij aan Von Neurath dat hij voor langere tijd in Zwitserland zou worden behandeld. Hierop werd op 29 november 1935 besloten dat hij met pensioen zou gaan. Waarschijnlijk met het oog hierop kocht Roland Köster in 1935 het landgoed De Hezenberg in Hattem (ten zuiden van Zwolle). Tot februari 1936 zou hij nog in dienst blijven, maar dit werd echter op 31 december 1935 achterhaald, toen hij als gevolg van een longontsteking zou overlijden. Met ceremonieel vertoon werd het stoffelijk overschot overgebracht naar Heidelberg. Waarschijnlijk na de Tweede Wereldoorlog werd het stoffelijk overschot verplaatst naar een familiegraf op het Pfarrfriedhof in Unterwössen (Oberbayern).37

De dood van Roland Köster

Over zijn plotselinge dood op 31 december 1935 gingen al snel verhalen rond. Köster had een korte kerstvakantie in Oberbayern doorgebracht. Na zijn terugkomst in Parijs kreeg hij koorts en werd hij overgebracht naar het Amerikaanse ziekenhuis in Neuilly-sur-Seine. Kort daarna overleed hij aan een longontsteking. De vrouw van Köster lag gelijktijdig met hoge koorts in bed. Dit leidde tot speculaties dat zij door de nazi’s waren uitgeschakeld. Dit is overigens door hun zoon John von Bülow Köster tegengesproken. Feit blijft dat binnen korte tijd naast Roland Köster ook Leopold von Hoesch (hartaanval) en Bernhard Wilhelm von Bülow (longontsteking), door Von Ribbentrop als ‘drie vijanden van Duitsland’ benoemde diplomaten, overleden. Tijdens de rouwbijeenkomst van Von Bülow liet de Franse gezant in Berlijn André François-Poncet zich sarcastisch uit tegenover de vertegenwoordiger van Buitenlandse Zaken Emil von Rintelen met de woorden:

‘Pourquoi vous tuez tous vos meilleurs ambassadeurs?’.

Samenvatting

Roland Köster is van een veelbelovend Duits diplomaat onder keizer Wilhelm II uitgegroeid tot een diplomaat die door zijn standvastige politieke opstelling klem kwam te zitten tijdens het bewind van Hitler. Door zijn capaciteiten werd hij al vroeg in zijn carrière ingezet bij het verblijf van Wilhelm II tijdens diens ballingschap in Nederland. Mogelijk is dat hij bij activiteiten werd betrokken die de vlucht van Wilhelm II naar Nederland op 10 november 1918 moesten voorbereiden. Zeker is dat hij de ex-keizer tijdens zijn reis van Eijsden naar Maarn begeleidde en hem op 28 november 1918 tijdens zijn verblijf op kasteel Amerongen wist over te halen om de acte van abdicatie te ondertekenen.

Het vervolg van zijn carrière bracht hem op invloedrijke posities en uiteindelijk binnen de kringen rond Paul von Hindenburg, waarmee hij op zeer goede voet kwam te staan. In 1932 werd hij benoemd tot gezant in Parijs, waar hij in 1933 na de komst van Hitler een eigen anti-nazi beleid voerde. Na de dood van Von Hindenburg in 1934 werd zijn positie onhoudbaar doordat hij op gezag van Hitler in de Duits-Franse betrekkingen werd gepasseerd door Joachim von Ribbentrop en in feite buitenspel werd gezet. Dit leidde tot zijn vroegtijdige pensionering in februari 1936, een datum die hij echter door zijn plotselinge dood op 31 december 1935 (52 jaar oud) nooit heeft gehaald. Mede door de plotselinge dood van Von Hoesch (10 april 1936, 54 jaar oud) en Von Bülow (21 juni 1936, 51 jaar oud) kwam een einde aan de levens van de door Von Ribbentrop als ‘drie vijanden van Duitsland’ benoemde diplomaten, waarbij het vermoeden bestaat dat de nazi’s een rol speelden bij hun dood.

Bronnen

1 – Beatrice de Graaf, Vorstin op vredespad, Wilhelm II en Wilhelmina en het einde van de Eerste Wereldoorlog,
Tijdschrift voor Geschiedenis, 131 (4), 577-604, 2018
2 – Andere Tijden, Een koninklijke leugen, 10 november 2018
3 – Ronald Kousbroek, Help, de Keizer komt!, Kasteel Amerongen als vluchtplaats voor de gevluchte, Duitse Keizer Wilhelm II, Kasteel Amerongen, juni 2018
4 – Ronald Kousbroek, Roland Köster, diplomaat in Duitse dienst met een geheime missie?, augustus 2018 (ongepubliceerd manuscript)
5 – Europeana Collections, Haags Gemeentearchief, 5.19972
6 – Robert W. Mühle, Ein Diplomat auf verlorenem Posten: Roland Köster als deutscher Botschafter in Paris (1932-1935), Francia: Forschungen zur westeuropäischen Geschichte, Deutsches Historisches Institut, Band 23/3, Paris, 1996
7 – Landeskunde entdecken online; www.leo-bw.de
8 – www.genealogieonline.nl en www.geni.com
9 – Foto Roland en Wanda Köster, NL-HaNA, Köster, 2.21.101, inv.nr. 16
10 – Roland Köster, Die germanischen Eheschliessungsformen in älteste und fränkischer Zeit und die Stellung der
Frau bei der Eheschliessung, proefschrift, Heidelberg, 1911
11 – NL-HaNA, Köster, 2.21.101, inv.nr. 5
12 – NL-HaNA, Köster, 2.21.101, inv.nr. 6
13 – Familienarchiv Dr. von Bülow-Köster
14 – https://www.geni.com/people/THEODORA-Angelika-Hyacinthe-Helene-Maria-K%C3%B6string/6000000037829427960
15 – Köstring, Ernst-August, www.lexikon-der-wehrmacht.de
16 – Levensloop Roland Köster, in: Politisches Archiv des Auswärtigen Amtes (PA AA), Reichsaussenminister en Personalakten Dr. Roland Köster, geciteerd in Francia (ref. 6)
17 – NL-HaNA, Köster, 2.21.101, inv.nr. 7
18 – Landesarchiv Baden-Württemberg, Foto des kaiserlichen Diplomaten Dankward Christian von Bülow, geboren am 13.09.1887 (Passfoto), 456 F 137 Nr. 2 Foto 20, 1917, www.landesarchiv-bw.de/plink/?=4-1976432
19 – Gastenboek graaf Bentinck, archief kasteel Amerongen
20 – Ronald Kousbroek, Roland Köster, diplomaat in Duitse dienst met een geheime missie?, augustus 2018 (ongepubliceerd manuscript)
21 – Jolanda Withuis, Juliana, Vorstin in een mannenwereld, Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam/Antwerpen, 2016
22 – J.A. de Jonge, Hendrik, Prins der Nederlanden, Hertog van Mecklenburg-Schwerin, Uitgeverij De Bataafsche Leeuw, Amsterdam, 1988
23 – idem
24 – Beatrice de Graaf, Vorstin op vredespad, Wilhelm II en Wilhelmina en het einde van de Eerste Wereldoorlog,
Tijdschrift voor Geschiedenis, 131 (4), 577-604, 2018
25 – Ronald Kousbroek, Help, de Keizer komt!, Kasteel Amerongen als vluchtplaats voor de gevluchte, Duitse Keizer Wilhelm II, Kasteel Amerongen, juni 2018
26 – NL-HaNA, Köster, 2.21.101, inv.nr. 16
27 – Roland Köster, Verslag 28 november 1918, Politisches Archiv des Auswartigen Amts, Berlijn (Raum: Tresorebene A-Altes Amt, Regal: 65, Karton: 3665, Bestand: Den Haag)
28 – Ronald Kousbroek, Help, de Keizer komt!, Kasteel Amerongen als vluchtplaats voor de gevluchte, Duitse Keizer Wilhelm II, Kasteel Amerongen, juni 2018
29 – Sigurd von Ilsemann, Wilhelm II in Nederland, 1918-1941, Uitgeverij Aspekt, Soesterberg, 2015
30 – Ministerio das Relações Exteriores, Vol. 1, Almanak Laemmert: Administrativo, Mercantil e Industrial (RJ) – 1891 a 1940, Pasta: Edição A00080, 418/1635, http://memoria.bn.br
31 – Wikipedia
32 – NL-HaNA, Köster, 2.21.101, inv.nr. 7
33 – Wikipedia
34 – https://blackcablondon.net/2012/06/13/the-sad-tale-of-giro-dr-leopold
35 – Wikipedia
36 – Wikipedia
×