Valéry Giscard d’Estaing – Franse president en Europees staatsman (1926-2020)

///
20 minuten leestijd
Valéry Giscard d’Estaing als president van Frankrijk tijdens een bezoek aan de Verenigde Staten, 1 mei 1978
Valéry Giscard d’Estaing als president van Frankrijk tijdens een bezoek aan de Verenigde Staten, 1 mei 1978

Een van de meest bekende slachtoffers van de recente coronapandemie was Valéry Giscard d’Estaing, die van 1974 tot 1981 president van de Franse Republiek was. Hij overleed op 2 december 2020 op 94-jarige leeftijd. Geen enkel Frans staatshoofd werd zo oud. Bovendien heeft Giscard d’Estaing zijn presidentschap langer overleefd dan elke andere Franse oud-president: 39 jaar. Vandaar wellicht dat hij wat in de vergetelheid is geraakt. Toch betekende zijn regering een periode van verandering en vernieuwing, voor Frankrijk en voor Europa, want hij was een overtuigd aanhanger van de Europese eenwording.

Valéry Giscard d’Estain is een van de zeer weinige Franse staatshoofden die niet in Frankrijk is geboren. Hij zag het levenslicht in Koblenz, in het Duitse Rijnland, dat na de Eerste Wereldoorlog onder geallieerde bezetting stond. Zijn vader, een inspecteur van financiën, bekleedde daar tijdelijk een hoge post bij het bezettingsbestuur. Vader Edmond Giscard kwam uit het departement Puy-de-Dôme. Hij had daar, nabij de industriestad Clermont-Ferrand, een kasteel gekocht, waar de jonge Valéry zou opgroeien. Hij bezat een aanzienlijk fortuin, dat hij door zijn activiteiten in koloniale maatschappijen nog zou opvoeren.

Valéry Giscard d’Estaing in scouting-uniform, ca. 1935
Valéry Giscard d’Estaing in scouting-uniform, ca. 1935
De familie Giscard behoorde tot de hoge burgerij, met aristocratische trekjes. Vier jaar voor Valéry’s geboorte hadden zijn vader en zijn oom het recht gekregen om “d’Estaing” aan hun naam toe te voegen, als verre afstammelingen van de uitgestorven adellijke familie d’Estaing (zij het via een bastaardlijn). Daarmee werden ze zelf niet van adel, maar een dergelijke “valse adel” komt in Franse hoge kringen meer voor. Ook Valéry’s moeder – dochter van een senator en kleindochter van een minister – had adellijke voorouders. Een van hen was mogelijk – maar dat is nooit bewezen – een onwettige dochter van koning Lodewijk XV. Aanzien en afkomst speelden hoe dan ook een grote rol in Valéry’s familie, en zeker ook bij hemzelf. Zijn drie zussen zouden allen met een graaf trouwen. Zelf zou hij in 1951 in het huwelijk treden met Anne-Aymone Sauvage de Brantes, de dochter van een graaf en een prinses.

Valéry liep eerst school in Clermont-Ferrand. Tijdens de Tweede Wereldoorlog ging hij naar een van de befaamde lycea in Parijs, om zich voor te bereiden op de toelatingsproeven van een prestigieuze “grande école”. Bij de bevrijding van Parijs, in augustus 1944, behoorde hij tot een verzetsmilitie die instond voor de ordehandhaving. Meteen daarna meldde hij zich als vrijwilliger voor het Franse leger. Als richter in een tank nam hij deel aan de verovering van Duitsland. Zijn koelbloedig optreden leverde hem het Croix de Guerre op.

Valéry Giscard d'Estaing in de jaren 1940
Valéry Giscard d’Estaing in de jaren 1940
Na de oorlog slaagde hij briljant in het aartsmoeilijke toelatingsexamen voor de Ecole polytechnique. Die school is bedoeld om ingenieurs op te leiden, maar met de tijd was het prestige van er te studeren belangrijker geworden dan de opleiding zelf. Daarop kon hij overstappen naar de Ecole nationale d’administration (ENA), de pas opgerichte opleiding voor hoge ambtenaren. De studies aan de ENA gaven hem toegang tot de Inspectie van Financiën, een uitstekende springplank voor een politieke carrière. Giscard d’Estaing zou de eerste “enarch” (gediplomeerde van de ENA) worden die het tot president bracht.1

Nadat hij even medewerker van de toenmalige minister-president Edgar Faure was geweest, was hij bij de parlementsverkiezingen van 1956 kandidaat in de Puy-de-Dôme. Hij werd in de Nationale Vergadering verkozen voor het Centre National des Indépendants et Paysans (CNIP), toen de voornaamste partij van de rechterzijde: gematigd conservatief, nauw aanleunend bij de zakenwereld en overtuigd pro-Europees.

Een minister in de kijker

Toen Charles de Gaulle in 1958 opnieuw aan de macht kwam en de Vijfde Republiek stichtte, kreeg hij de steun van het CNIP. Het gevolg was dat Giscard d’Estaing het jaar daarop staatssecretaris voor Financiën werd. Zijn inzet en bekwaamheid maakten indruk op president de Gaulle, die hem begin 1962 minister van Financiën en Economische Zaken maakte. Hij was net geen 36 jaar.

Later in 1962 kwam het tot een breuk tussen de Gaulle en het CNIP. De partij had al grote moeite gehad met diens politiek om Algerije onafhankelijkheid te schenken, en keerde zich ten slotte tegen diens plan om de president rechtstreeks te doen verkiezen. Giscard koos echter de kant van de president en verliet met enkele aanhangers van het CNIP. Onder de naam Républicains indépendants (Onafhankelijke Republikeinen) bleven ze in de regeringscoalitie met de gaullisten.

Valéry Giscard d'Estaing in het Witte Huis tijdens een bezoek aan president John F. Kennedy, 24 juli 1962
Valéry Giscard d’Estaing in het Witte Huis tijdens een bezoek aan president John F. Kennedy, 24 juli 1962

Als minister toonde Giscard zijn bekwaamheid. Voor het eerst sinds de oorlog wist hij een overschot op de begroting te presenteren. De Gaulle hield hem lang de hand boven het hoofd, maar eerste minister Georges Pompidou was het regelmatig niet met hem eens. Wat Pompidou wellicht ook stoorde, was de manier waarop Giscard steeds in de kijker wist te lopen. De modern ogende Giscard was de eerst Franse minister die in trui op televisie verscheen. Eerder wist hij zich op het Witte Huis te laten ontvangen door de Amerikaanse president Kennedy. Door zijn jonge, dynamische aanpak sprak men later van de “Franse Kennedy”. Naar het voorbeeld van JFK liet hij zich “VGE” noemen. Het was duidelijk dat hij grote ambities had.

Zijn autoritaire maatregelen als minister maakten hem overigens niet altijd populair. Om de inflatie tegen te gaan blokkeerde hij een tijd te prijzen, tot woede van veel handelaars en ondernemers. Begin 1966, vlak nadat de Gaulle met meer moeite dan gedacht als president was herkozen, moest hij als minister opstappen.

Gemeentehuis van Chamalières
Gemeentehuis van Chamalières (CC BY 2.5 – Romary – wiki)
Giscard begon nu zijn Onafhankelijke Republikeinen uit te bouwen tot een echte partij. Die bleef een bondgenoot van de gaullisten maar met een duidelijk meer liberaal en meer pro-Europees profiel. In 1967 keerde hij in de Nationale Vergadering terug en werd burgemeester van Chamalières, een voorstad van Clermont-Ferrand.

Toen de Gaulle in 1969 een referendum aankondigde over de hervorming van de Senaat, steunde Giscard hem daarin niet. De Gaulle haalde in het referendum – waarin Giscard naar eigen zeggen blanco stemde – geen meerderheid en trad meteen af. Bij de daarop volgende presidentsverkiezingen steunde Giscard de gaullistische kandidaat Georges Pompidou, die verkozen werd. De nieuwe president zag zich verplicht om hem opnieuw in de regering op te nemen als minister van Economie en Financiën. Maar als “waakhond” kreeg hij een gaullistische staatssecretaris aan hem toegevoegd: de jonge, briljante Jacques Chirac.

Giscard ging als minister stormachtige financiële tijden beleven. Hij devalueerde meteen de Franse munt en moest in 1971 de crisis rond de dollar meemaken. Maar intussen bleef hij op andere manieren de aandacht van de media trekken. Door in Chamalières aan een plaatselijke voetbalwedstrijd deel te nemen. Of door accordeon te spelen in een populair televisieprogramma.

“Giscard à la barre”

De zieke Pompidou stierf op 2 april 1974 en vervroegde presidentsverkiezingen werden noodzakelijk. De rouwplechtigheden rond de overleden president waren nog niet voorbij of er ontstond binnen het gaullistische kamp een open strijd over diens opvolging. Giscard, aan wiens ambities niemand twijfelde, wachtte bijna een week om op het stadhuis van Chamalières zijn kandidatuur aan te kondigen.

François Mitterrand in het voorjaar van 1974
François Mitterrand in het voorjaar van 1974 (CC BY-SA 4.0 – André Cros – wiki)
De gaullistische partij wees uiteindelijk oud-premier Jacques Chaban-Delmas aan tot kandidaat. De linkse partijen schaarden zich achter de socialistische leider François Mitterrand. Tussen die twee leek Giscard als leider van een vrij kleine partij met beperkte middelen weinig kans te maken. Maar hij speelde het handig. Hij wist de steun van enkele anti-gaullistische partijen in het centrum te bekomen. Hij pleitte voor een echte vernieuwing maar zonder avonturen, zinspelend op het gevaar van een linkse machtsovername.

Bovenal begon hij een korte maar dynamische campagne “op zijn Amerikaans”. Frankrijk kende pas sinds 1964 rechtstreekse presidentsverkiezingen en de campagnes waren tot dan toe louter rond politieke thema’s gevoerd. Maar Giscards communicatieadviseur stelde dat men stemt voor een mens, niet voor een programma.

Hij toonde zich zo volks en zo dynamisch mogelijk. Hij verscheen met zijn vrouw en kinderen op affiches en meetings. Jonge mensen gekleed in t-shirts met de slogan Giscard à la barre (Giscard aan het roer) deelden folders uit. Zangers als Charles Aznavour en Johnny Halliday en filmsterren als Alain Delon en Mireille Darc zegden hem openlijk hun steun toe.

In peilingen bleek al snel dat Giscard voor lag op Chaban-Delmas en die voorsprong nam tijdens de campagne nog toe. Zeker toen een groep prominente gaullisten, aangevoerd door Jacques Chirac, openlijk de kant van Giscard kozen.

Bij de eerste ronde van de presidentsverkiezingen haalde VGE bijna 33 procent van de stemmen, meer dan het dubbele van Chaban-Delmas, maar tien procent minder dan Mitterrand. De twee best geplaatste kandidaten gingen naar de tweede ronde en dat zou een dubbeltje op zijn kant worden. Giscard kreeg de steun van alle rechtse en centrumpartijen en speelde in op de angst voor de communisten, die Mitterrands bondgenoten waren. Voor het eerst hielden de twee kandidaten een rechtstreeks televisiedebat. De jongere en meer dynamisch ogende Giscard toonde zich toen de sterkste. Velen, ook hijzelf, menen dat dit debat hem de overwinning heeft opgeleverd. Op 19 mei won hij de tweede ronde met 50,8 procent van de uitgebrachte stemmen, amper 425.000 meer dan Mitterrand. De meest nipte overwinning ooit in een Franse presidentsverkiezing.

Nederlandse krantenkop over de winst van Giscard
Nederlandse krantenkop over de winst van Giscard – De Volkskrant, 20 mei 1974 (Delpher)

Modern en vernieuwend

De nieuwe president wilde meteen tonen dat hij het meende met verandering en vernieuwing. Bij zijn overwinningstoespraak hield hij voor de internationale pers meteen enkele zinnen in het Engels, wat ongezien was. Acht dagen later begon hij aan zijn ambtstermijn door te voet naar zijn paleis, het Élysée, te stappen en daarbij geen gelegenheidskledij te dragen.

In zijn eerste kabinet benoemde hij een vrouwelijke minister, de eerste sinds zevenentwintig jaar. Het was de juriste Simone Veil, die minister van Gezondheid werd. De bekende journaliste Françoise Giroud kreeg de nieuwe post van staatssecretaris voor Vrouwenzaken. Iets later zou Giscard het aantal vrouwen in de regering opvoeren tot vijf, wat hij een wereldrecord noemde. Er waren toen inderdaad nogal wat regeringen zonder één vrouw…

Zoals verwacht werd Chirac premier, maar de macht van de gaullisten in de regering daalde fors, hoewel ze nog steeds verreweg de grootste partij in het parlement vormden. Giscard wist zijn regeringsmeerderheid uit te breiden met enkele centrumformaties.

De nieuwe president kondigde de stopzetting aan van alle illegale afluisterpraktijken (iets waar gaullistische ministers zich nogal eens aan hadden bezondigd).

Simone Veil tijdens een bezoek aan Nederland in  1980
Simone Veil tijdens een bezoek aan Nederland in 1980 (CC0 – Rob Bogaerts / Anefo – wiki)
De eerste maanden van zijn bewind volgden de hervormingen zich op. De meest opvallende was de legalisering van abortus. Het was minister Veil die in het parlement het wetsontwerp verdedigde, dat enkel goedgekeurd kon worden doordat de linkse oppositie massaal voorstemde. Tegelijk werd beslist dat voorbehoedsmiddelen door de ziekteverzekering zouden worden terugbetaald. Ook echtscheiding – tot dan toe alleen mogelijk als gevolg van overspel of andere feiten – werd vergemakkelijkt. Er kwamen sociale hervormingen, zoals de verhoging van het minimumloon.

Giscard liet de grondwet aanpassen, waardoor de oppositie de mogelijkheid kreeg om wetsontwerpen voor toetsing aan de Grondwettelijke Raad voor te leggen. Hij liet ook de kiesgerechtigde leeftijd verlagen tot 18 jaar, hoewel hij wist dat de jongeren overwegend links stemden.

Een opvallende hervorming was er in het medialandschap. Er kwam een einde aan de ene overkoepelende staatsomroep, die rechtstreeks onder het gezag van de regering, zo niet van het Élysée stond. De drie televisienetten werden zelfstandige maatschappijen die elkaar konden beconcurreren. Giscard had zelfs gedacht aan het invoeren van commerciële televisie, maar daar waren de gaullisten (toen nog) fel tegen.

Niet alle hervormingen waren even geslaagd. Sommigen vonden dat de president te veel wilde veranderen. Zo verving hij de officiële uitvoering van het volkslied, de Marseillaise door een tragere, meer oorspronkelijke versie, die niet meer het karakter van een militaire mars had.2 Het publiek kon er niet aan wennen en de “trage” Marseillaise zou zijn presidentschap niet overleven. Anderzijds liet VGE de doodstraf – waar de meeste Fransen voorstander van bleven – ongemoeid. In 1976 en 1977 liet hij nog drie doodstraffen met de guillotine uitvoeren. Het zouden de laatste executies in West-Europa zijn.

De president bleef intussen een volks en eenvoudig imago bespelen. De media toonden hem in hemdsmouwen, in tennistenue, of in zwembroek op het strand. Hij organiseerde gespreksavonden met gewone burgers op televisie en ging dineren bij het gezin van een Parijse brandweerman. Met kerstmis nodigde hij de vuilnisophalers die bij het Élysée hun ronde deden uit voor het ontbijt. Hij organiseerde de eerste opendeurdagen van het Élysée, maar daar kwam zoveel volk op af, dat hij ze niet herhaalde.

Maar zoals in alle Westerse landen werd de politiek in Frankrijk al snel gedomineerd door economische problemen. Kort na Giscards verkiezing werd duidelijk dat er een eind was gekomen aan de dertig jaren van stijgende welvaart– de trente glorieuses – sinds de Tweede Wereldoorlog. Er was veel inflatie en de werkloosheid steeg snel.

Tegen 1976 was de toestand zo ernstig dat zware maatregelen zich opdrongen. Daardoor ontstonden spanningen tussen president en premier. Premier Chirac wilde meer armslag om maatregelen te nemen. Daarmee beging hij de doodzonde om de macht van de president in twijfel te trekken. Tegelijk wilde Chirac zich meer rechts profileren tegenover Giscard. Achter de politieke onenigheid begon ook een persoonlijke aversie tussen beiden. In 1975 waren Chirac en zijn vrouw voor een informeel diner uitgenodigd op het presidentiële vakantieverblijf. Kort daarop meldde een krant dat Giscard bij die gelegenheid op een “troon” had gezeten terwijl zijn gasten op gewone stoelen moesten plaatsnemen. Giscard was woedend toen het nieuws uitlekte, maar Chirac ontkende dat hij erachter zat.

Noordelijke façade van het Élysée
Noordelijke façade van het Élysée

Chirac nam in 1976 ontslag en begon als leider van een nieuwe gaullistische beweging kritiek te leveren op het bewind van Giscard, zonder evenwel de regeringscoalitie in gevaar te brengen. Als premier werd hij opgevolgd door de partijloze econoom Raymond Barre, die impopulaire bezuinigingsmaatregelen nam. Onder meer werd de verhoging van sommige sociale uitkeringen uit het begin van Giscards presidentschap ongedaan gemaakt. Het leidde tot stakingen en protesten terwijl de economie niet verbeterde.

Het zag er een tijd naar uit dat de linkse partijen de parlementsverkiezingen van 1978 zouden winnen. Maar nadat er zware ruzie was uitgebroken tussen communisten en socialisten, wist de centrumrechtse coalitie rond de president de meerderheid te behouden. Wel bleven de gaullisten van Chirac de sterkste partij, maar ze konden daar niet van profiteren, want zolang het parlement over een “presidentiële meerderheid” beschikt, ligt de echte macht bij de president. Dat werd onder Giscard nog meer het geval dan onder zijn voorgangers.

Pro-Europees

In de buitenlandse politiek veranderde er wat onder Giscard d’Estaing. Hij toonde zich meer dan zijn gaullistische voorgangers een voorstander van Europese integratie. Vrijwel tegelijk met hem was in West-Duitsland de gematigde sociaaldemocraat Helmut Schmidt bondskanselier geworden. Giscard en Schmidt konden het goed met elkaar vinden en zo werd de Frans-Duitse “as” eens te meer de motor van verdere Europese samenwerking.

Eind 1974 organiseerde de Franse president in Parijs een topconferentie van de (toen negen) landen die de Europese Gemeenschap vormden. Op zijn aandringen werd besloten van zo’n Europese top een vast orgaan te maken: de Europese Raad van staatshoofden en regeringsleiders. Dat was eigenlijk een oud idee van de Gaulle, die een overleg van regeringsleiders een tegengewicht zag tegenover het “Europa der technocraten”, en mede daarom gewantrouwd door andere landen. Giscard kon echter de Europese premiers overtuigen tot deze vernieuwing door op andere domeinen toegevingen te doen.

Giscard en Helmut Schmidt, 1976 (1)
Giscard en Helmut Schmidt, 1976 (1) (CC0 – Hans Peters / Anefo – wiki)

De nieuwe Europese Raad bleek te werken en nam al snel belangrijke beslissingen. Zo werd in 1976 besloten om in 1979 voor het eerst rechtstreekse verkiezingen voor het Europees Parlement te organiseren. Giscard wist die hervorming in het Franse parlement door te drukken, ondanks het verzet van de gaullisten. In Frankrijk zelf zouden die Europese verkiezingen een succes zijn voor de president: ze werden gewonnen door een lijst van zijn aanhangers, aangevoerd door Simone Veil, die meteen de eerste vrouwelijke voorzitter van het Europees Parlement werd.

Giscard en Schmidt, beiden oud-ministers van Financiën, stelden ook een monetaire samenwerking binnen Europa voor. In 1979 legden ze de basis voor het Europees Muntstelsel, waarbij de koers van een aantal Europese munten op elkaar afgestemd werden. Het was een belangrijke stap naar een Europese eenheidsmunt, die pas veel later zou komen.

Nog een ander initiatief van Giscard zo blijven. In 1975 nodigde hij de leiders van de zes grootste westerse industrielanden uit voor overleg in het kasteel van Rambouillet, niet ver van Parijs. De moesten gemeenschappelijke antwoorden vinden voor de opduikende economische crisis. Hoewel het resultaat niet spectaculair was, ontstond hieruit de gewoonte om jaarlijks een top van de (voortaan zeven) grootste industrielanden te houden: de G-7 was geboren.

Over het algemeen toonde Giscard meer vertrouwen tegenover de Verenigde Staten dan zijn gaullistische voorgangers. Het kwam ook tot betere samenwerking met de NAVO. Toch bleef Frankrijk proberen om een rol in de internationale politiek te spelen.

Kasteel van Rambouillet
Kasteel van Rambouillet (CC BY-SA 3.0 – Tsr78 – wiki)

Giscard de Afrikaan

In Afrika verschilde het Franse beleid onder Giscard niet zoveel van dat van zijn voorgangers. Dat hield in dat Frankrijk nauwe betrekkingen onderhield met zijn voormalige koloniën. De – meestal zeer autoritaire – leiders van die landen regelden vaak zaken door persoonlijke contacten met het Élysée. In ruil voor een grote politieke, economische, militaire en culturele invloed konden ze op steun van het voormalige moederland rekenen als ze het moeilijk kregen.

Franse garnizoenen garandeerden de stabiliteit van sommige Afrikaanse regimes. Zo waren er voortdurend Franse troepen in Tsjaad, om het regeringsleger te steunden tegen een guerrilla in het noorden, die de steun van het Libië van kolonel Khadafi had. In 1978 stuurde Giscard para’s naar Shaba, de rijke koperprovincie van Zaïre (de huidige Democratische Republiek Congo), waar een opstand tegen het dictatoriale bewind van president Mobutu plaatsvond. Dit optreden vergrootte de invloed van Frankrijk in Zaïre, enigszins tot ongenoegen van de vroegere kolonisator België.

Valéry Giscard d'Estaing in 1975
Valéry Giscard d’Estaing in 1975 (CC BY 4.0 – Christian Lambiotte – wiki)
Nog voor hij president werd had Giscard goede relaties met generaal Jean Bedel Bokassa, de dictatoriale president van de Centraal-Afrikaanse Republiek. Als jachtliefhebber was hij er zelf op groot wild gaan jagen. Eind 1976 riep de eerzuchtige dictator zich uit tot keizer Bokassa I en een jaar later organiseerde hij in zijn doodarm land een pompeuze kroningsplechtigheid. De keizerlijke kroon, troon, mantel en andere kostbare attributen waren in Frankrijk gemaakt en terwijl veel landen uit reactie hun ontwikkelingshulp aan het nieuwe keizerrijk stopzetten, was Frankrijk een van de weinige landen die op de megalomane ceremonie vertegenwoordigd was.

In de maanden daarop kwam de nieuwbakken keizer helemaal in diskrediet toen zijn leger het vuur opende op betogende scholieren, waarbij tientallen van hen omkwamen. Bovendien zocht Bokassa toenadering tot Khadafi. Dat betekende de totale breuk met Parijs. Op 20 september 1979, terwijl de keizer in Libië verbleef bij zijn nieuwe bondgenoot, voerden Franse speciale eenheden een raid uit in de hoofdstad Bangui, waar ze een einde maakten aan zijn regime en aan zijn keizerrijk.

Nog geen drie weken na deze coup maakte het satirische weekblad Le Canard enchaîné bekend dat Giscard in 1973 – hij was toen nog minister – van Bokassa een klein fortuin aan diamanten cadeau had gekregen. Dit maakte een geweldige ophef, te meer daar andere onthullingen volgden over soortgelijke cadeaus aan vrienden en medewerkers van VGE. De president zou het verhaal “met minachting” ontkennen, maar Bokassa zelf – nu in ballingschap – bevestigde het. De precieze waarheid over die zaak is nooit helemaal duidelijk geworden. Ongetwijfeld wilde de ex-keizer zich wreken. Giscard zelf is altijd blijven ontkennen. Maar de “diamantenaffaire” zou blijven nazinderen.

Onthullingen

De Franse pers was tot dan gewoonlijk voorzichtig geweest met negatief nieuws over de president, want ze kon worden daarvoor worden vervolgd door een wet tegen “majesteitsschennis”. Maar precies Giscard had vanaf het begin gezegd dat hij die wet niet meer zou toepassen.

In september 1974 raakte bekend dat de president om 5 uur ‘s morgens aan het stuur van een sportwagen in Parijs in botsing was gekomen met de kar van een melkboer en per taxi had moeten terugkeren.3 Hij was niet alleen in die auto. Wie er bij hem zat, is nooit met zekerheid bekend geraakt, maar namen van bekende filmactrices werden genoemd. Behalve Le Canard enchaîné besteedde vooral de – minder discrete – Britse pers aandacht aan Giscards nachtelijke escapades. Hijzelf heeft die verhalen nooit tegengesproken en schepte zelfs een zeker genoegen in die reputatie van Don Juan.

Een minder frivole zaak was die rond prins Jean de Broglie, de hoogadellijke penningmeester van Giscards partij, die op kerstavond 1976 op straat werd doodgeschoten. Amper enkele dagen later wees de minister van Binnenlandse Zaken de pers op een persconferentie enkele zakenpartners van het slachtoffer aan als de daders. Die minister was prins Michel Poniatowski, een andere hoogadellijke partijgenoot en vriend van de president, die met deze uitspraken het geheim van het gerechtelijk onderzoek en het vermoeden van onschuld schond. De beschuldigden zouden worden veroordeeld, maar later werd die veroordeling ongedaan gemaakt omdat hun rechten geschonden waren. Hun advocaten hadden aangetoond dat prins de Broglie aan het hoofd stond van een Luxemburgse spookvennootschap die afhing van de streng-katholieke organisatie Opus Dei in Spanje. Langs die weg zou mogelijk een deel van Giscards verkiezingscampagne zijn betaald. Maar officieel had dit allemaal niets met de moord te maken. De zaak is nooit opgehelderd.

De synagoge in de Parijse rue Copernic
De synagoge in de Parijse rue Copernic (CC BY-SA 3.0 – Mu – wiki)
Op 3 oktober 1980 ontplofte een bom nabij een synagoge in de Parijse rue Copernic, waarbij 4 doden en 46 gewonden vielen. Het was de eerste antisemitische aanslag in Frankrijk sinds de Tweede Wereldoorlog en de verontwaardiging was enorm. Maar het duurde dagen voordat er een reactie van het staatshoofd kwam. Hij had het te druk met jagen. Giscard was inderdaad een verwoed jager, die regelmatig grote zakenlui en leden van vorstenhuizen uitnodigde voor de “presidentiële jachtpartij” op de daarvoor gereserveerde staatsdomeinen.

Begin 1981 publiceerde het linkse weekblad Le nouvel Observateur een reportage met de opmerkelijke titel “De man die koning wilde worden”. Die gaf staaltjes van Giscards ijdelheid en toonde hoezeer zijn presidentschap monarchale trekken had gekregen. De president die graag volks en eenvoudig wilde voorkomen hanteerde in zijn omgeving een vrijwel koninklijk protocol. Op banketten werd hij als eerste bediend, en de ministers pas na zijn familieleden. Ooit organiseerde hij een exclusief diner waarbij het personeel achttiende-eeuwse kostuums en pruiken droeg. Ook zijn pogingen om als staatshoofd toegang te krijgen tot exclusieve clubs en eerbewijzen4 toonden aan dat zijn volks imago weinig oprecht was.

Diner ter ere van Giscard in het Witte Huis. Links van hem first lady Betty Ford. Rechts acteur Clint Eastwood, 1976
Diner ter ere van Giscard in het Witte Huis. Links van hem first lady Betty Ford. Rechts acteur Clint Eastwood, 1976

Niet herkozen

Ondanks die vervelende onthullingen besloot Giscard zich herkiesbaar te stellen voor de presidentsverkiezingen van 1981. De opiniepeilingen leken aanvankelijk gunstig. Chirac, die ook kandidaat zou zijn, kon hem niet bedreigen en de linkse partijen kibbelden nog altijd.

Toch liep de campagne niet zoals voorheen. VGE kon zich niet meer als een vernieuwer presenteren en er waren veel ontevredenen. De werkloosheid was nog altijd hoog, ondanks het begin van een economisch herstel. En de pers bleef opmerkingen maken over diamanten en koninklijke allures. Giscard haalde in de eerste ronde de meeste stemmen, maar met een lagere score (28 procent) dan in 1974. De tweede ronde ging opnieuw tegen Mitterrand. Maar terwijl de communisten zich voor die tweede ronde duidelijk achter de socialistische kandidaat schaarden, kreeg Giscard enkel een vage, dubbelzinnige steun van de gaullisten. Chirac deed niet meer dan op te roepen om vooral niet op Mitterrand te stemmen.

Portret van Mitterand dat in 1985 werd verspreid via het communicatiesysteem Videotex om de winnaar van de presidentsverkiezingen bekend te maken
Portret van Mitterand dat in 1985 werd verspreid via het communicatiesysteem Videotex om de winnaar van de presidentsverkiezingen bekend te maken (CC BY-SA 4.0 – Antenne2 – wiki)
Het televisiedebat tussen de twee kandidaten was ditmaal niet in het voordeel van Giscard, die er na zeven jaar duidelijk ouder uit zag. Het hielp niet dat nog meer vedetten hem steunden – Louis de Funès bijvoorbeeld – of dat Mireille Mathieu op zijn meetings de Marseillaise zong. Als klap op de vuurpijl onthulde Le Canard enchaîné vier dagen voor de stemming dat Giscards minister van Begroting Maurice Papon tijdens de Tweede Wereldoorlog als ambtenaar geholpen had met de deportatie van 1600 joden naar Auschwitz.5 Of het waar is – zoals een journalist achteraf beweerde – dat VGE door die scoop in één klap 200.000 stemmen van joodse kiezers verloor, doet er eigenlijk niet toe. Mitterrand won de tweede ronde met een verschil van meer dan een miljoen stemmen.

Kort daarop verliet Giscard het Elysée zoals hij het betreden had: te voet. Hij weigerde aanwezig te zijn op de inhuldiging van zijn opvolger. Twee dagen eerder had hij een sombere afscheidstoespraak voor de televisie gehouden die hij besloot met “Au revoir”, waarna hij theatraal opstond en uit het beeld stapte.

Na het presidentschap

VGE was echt getroffen door zijn nederlaag, die hij niet verwacht had. Hij trok zich maandenlang terug en volgde de actualiteit niet. Hoewel hij als oud-president kon rekenen op een royaal pensioen en allerlei door de staat betaalde voordelen, was hij op zijn 55ste niet van plan met politiek te stoppen. Hij keerde in 1984 terug in de Nationale Vergadering als afgevaardigde van de Puy-de-Döme.

Raymond Poincaré
Raymond Poincaré
Volgens waarnemers had hij een “Poincaré-syndroom”: hij vergeleek zich met Raymond Poincaré, die president van Frankrijk was geweest tijdens de Eerste Wereldoorlog, en later als premier meermaals orde op zaken had gesteld in de chaotische naoorlogse jaren. Maar die gelegenheid kreeg Giscard niet. Bij de parlementsverkiezingen van 1986 veroverden de rechtse partijen weer de meerderheid, maar met de gaullisten als sterkste partij. Giscard wilde graag zijn oude ministerspost van Financiën terug, maar Chirac, nu opnieuw premier, gunde hem dat niet. Ook een poging om voorzitter van de Nationale Vergadering te worden mislukte.

Giscard d’Estaing bleef nog tot in 2002 Frans parlementslid, met een overstap van enkele jaren naar Europese parlement. Hij was voorzitter van de Union pour la Démocratie Française, een federatie van centrumrechtse partijen die hem gesteund hadden. Zijn invloed op de Franse politiek verminderde echter snel. Hij waagde het niet meer om presidentskandidaat te zijn. Wel speelde hij nog een actieve rol op Europees niveau. Zo was hij de voorzitter van de Conventie over de Toekomst van Europa (2002-2003), die een Europese grondwet opstelde. Tot zijn verdriet werd die grondwet in een referendum door een meerderheid van de Fransen verworpen.

Valéry Giscard d’Estaing in 2015
Valéry Giscard d’Estaing in 2015 (CC BY-SA 4.0 – WDKrause – wiki)
Intussen had hij wel een tweede politieke leven gevonden als voorzitter van de regionale raad van Auvergne. Hij spande zich in om deze vrij achtergestelde regio, waar hij was opgegroeid, beter te ontwikkelen door de aanleg van wegen en toeristische infrastructuur. Een realisatie waar hij trots op was, werd Vulcania, een educatief attractiepark rond de oude vulkanen van Auvergne. Hij probeerde nog burgemeester van Clermont-Ferrand te worden, maar werd ook daar door een socialist verslagen.

In 2003 werd hij verkozen tot lid van de Académie française, misschien de grootste eer die een Fransman kan krijgen. Dat wekte verbazing, omdat de Académie vooral een literair onderonsje is, maar Giscard was intussen auteur van enkele politieke essays6, memoires en zelfs een roman. Later schreef hij nog enkele romans. Eén daarvan, La Princesse et le Président (2009) deed in Engeland de wenkbrauwen fronsen, omdat dit werk gaat over de liefde tussen een Franse president en een Britse prinses, waarmee duidelijk prinses Diana werd bedoeld. Giscard benadrukte dat het om fictie ging! VGE had zijn reputatie van rokkenjager intussen niet verloren. Nauwelijks enkele maanden voor zijn dood klaagde een Duitse journaliste hem nog aan wegens ongewenste aanrakingen.

Giscards ijdelheid rond zijn adellijke roots kwam nog eens aan de oppervlakte in 2005 toen bekend raakte dat hij het kasteel van Estaing in de Aveyron had verworven om het om te bouwen tot een museum en zijn persoonlijk archief in onder te brengen. De gemeente had het stamslot van de familie d’Estaing voor een prikje gekocht van een kloostergemeenschap om het enkele jaren later vrijwel stiekem aan de oud-president en zijn familie te verkopen. De kloosterlingen waren verbolgen.

Het was op een andere kasteel, dat van zijn echtgenote in Authon (niet ver van Blois in Loir-et-Cher), dat Valéry Giscard d’Estaing uiteindelijk zou overlijden, enkele weken nadat hij COVID-19 had gekregen. Hij werd ook in dat dorpje begraven, in intieme kring. Op zijn kist lagen zowel de Franse als de Europese vlag.

~ Tim Trachet

Noten

1 – Na hem zouden er nog drie komen: Jacques Chirac, François Hollande en Emmanuel Macron.
2 – Zie https://www.cmf-musique.org/quand-valery-giscard-destaing-remaniait-la-marseillaise/
3 – Het voorval raakte bekend door La Lettre de l’expansion (24 september 1974), een doodernstig weekblad voor de zakenwereld.
4 – Zo probeerde hij bij een staatsbezoek aan Spanje te worden opgenomen in de Orde van het Gulden Vlies. Tevergeefs.
5 – Papon zou hiervoor uiteindelijk – maar pas in 1997 – worden veroordeeld.
6 – Tijdens zijn presidentschap publiceerde hij La démocratie française, dat een enorme oplage kende en zelfs in het Nederlands vertaald werd (Naar een ware democratie, 1976).

Abonneer
Stuur mij een e-mail bij
guest
0 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties
Eerder gepubliceerd

Hoe de politieke loopbaan van Mark Rutte begon

Hierna verschenen

Jan Kappeyne van de Coppello – De man van de dode vlieg

0
Reageren op dit bericht?x