Geschiedenis van de Jordaan, Amsterdam

Over het ontstaan van de naam Jordaan in Amsterdam

Het heeft weinig gescheeld of de nu zo populaire wijk de Jordaan in Amsterdam was gesloopt en vervangen door nieuwbouw, zoals dat gebeurde met de wijk Kattenburg. Maar waar komt de naam Jordaan vandaan?

Jardin en Jordictie

Lof der Jeneever
Lof der Jeneever
In haar boekje ‘Amsterdamsche straatnamen geschiedkundig verklaard’1 schenkt Margaretha van Gelder enige aandacht aan de herkomst van de naam Jordaan. Als oudste vermelding van deze naam noemt zij het gedicht ‘De Lof der Jeneever’ van Robert Hennebo, waarin gewag gemaakt wordt van de Jordaan:

Wie lust heeft volg my op myn spoor;
Wel aan, ik treê hem moedig voor,
En stap zo rechtdraads op de Weegen,
Recht over de Jordaan geleegen.2

Dit gedicht verscheen voor het eerst in 1716 en aan het begin van de achttiende eeuw was de naam Jordaan dus al in zwang voor de in de zeventiende eeuw in aanbouw genomen stadsuitbreiding die oorspronkelijk werd aangeduid als ‘Het Nieuwe Werck’. Van Gelder acht het aannemelijk dat de naam Jordaan is afgeleid van het Franse Jardin. Immers, aldus de schrijfster, refugiés uit Frankrijk, verdwaald in de stad, oriënteerden zich op weg naar hun woning in de Jordaan op een aan de Elandstraat gelegen tuin. Zij vroegen naar de jardin en konden, deze eenmaal bereikt hebbend, hun woning gemakkelijk vinden. De vele hofjes met tuintjes en de naamgeving van straten naar bloemen uit die tijd wijzen volgens Van Gelder ook in de richting van jardin als oorsprong van Jordaan.
Als andere verklaring voor het ontstaan van de naam Jordaan noemt Van Gelder de Jurisdictietheorie:

[….] dat het woord (Jordaan) oorspronkelijk Jordictie is geweest, een verbastering van Jurisdictie of rechtsgebied, ook vrijheid der stad genoemd, waarin deze streek in den aanvang van de 17e eeuw, voor het een stadsdeel werd, was gelegen, schoon toen nog buiten de veste of poort, doch reeds aanzienlijk bevolkt.

Een jaar na de publicatie van de ‘Amsterdamsche straatnamen’ verschijnt er in het maandblad ‘Amstelodanum’ een artikel van de hand van Mr. F.E. Posthumus Meyer3 die de Jardintheorie afwijst op een tweetal gronden. De eerste is van fonetische aard:

- advertentie -

De oplossing: jordaan = jardin heeft mij nooit kunnen bevredigen. Ten eerste op phonetisch-dialectische gronden: het klinkt zoo weinig waarschijnlijk dat de bewoners van die buurt het door hun fransche medeburgers goed-fransch uitgesproken jardin hebben veramsterdamscht tot jordaan. Waar bleef de j, die natuurlijk in een scherpe amsterdamsche s had moeten overgaan (vgl. jus = su, Jeannette = Senet, ook Georges = Sors, enz)? Waar kwam de o vandaan, terwijl de a toch noodwendig veranderen moest in een toonlooze e (vgl. pardon = perdon, Marie = Merie, vandaan = fedaan, madame = medam, enz). En waarom veranderde de uitgang din, als hij geschreven werd, niet op z’n jordaansch in dijn, met bij de uitspraak een zwaren nasaalklank naar æ of aa? M.a.w.: het fransche woord jardin moest in den mond van den buurtbewoner worden tot ‘serdaen’, en kon onmogelijk veranderen in het beschaafde ‘jordaan’.

Het tweede bezwaar van Posthumus Meyer betreft de verwijzing van Van Gelder naar het vragen van refugiés naar ‘hun’ jardin.

[….] toch wel niet zóó aanhoudend en zóó algemeen door de refugiés zal zijn genoemd, dat een geheele stadswijk door de bewoners naar die uitdrukking kan zijn gedoopt.

Ook maakt Postumus Meyer bezwaar tegen de suggestie van Van Gelder dat de vele hofjes, tuintjes en bloemennamen van de straten tot de naam Jardin-Jordaan zou hebben geleid.

Verder zouden de namen van bloemen en boomen, aan straten en grachten gegeven, de refugiés op de benaming ‘jardin’ hebben gebracht. Maar [….] de ‘jordaan’ bestaat voor slechts één derde gedeelte uit wegen naar het plantenrijk genoemd, en voor twee derden uit straten en grachten wier namen ontleend zijn aan de leerlooierij, aan verschillende andere bedrijven, aan kerken, gebouwen enz. En hun jardin lag juist niet in de bloemenbuurt!

Gordijn en Jerde

Postumus Meyer komt dan met een geheel andere veronderstelling op de proppen: de zogeheten Gordijntheorie. Een gordijn of gording is verbinding tussen twee bolwerken die deel uitmaakten van de stadswal. Is het denkbaar dat deze term verbasterde tot Jordaan? Ook hier voert Postuhumus een fonetisch argument aan:

Phonetisch-plat-amsterdamsch is deze overgang zeer goed verklaarbaar. De zachte g gaat gemakkelijk in een j over, terwijl de uitgang dijn, geheel zooals die thans nog in de bedoelde wijk wordt uitgesproken, met een sterken nasaalkank veranderde in daan, natuurlijker dan het hier onbekende din van jardin.

Maar in hetzelfde nummer van Amstelodanum maakt de taalkundige F.A. Stoett daar korte metten mee:

Jordaan af te leiden van gordijn komt me zeer onwaarschijnlijk voor, daar mij geen enkel voorbeeld van een overgang van g in j voor een o in onze taal bekend is. 4

Goudsbloemgracht (ca. 1850)
Goudsbloemgracht (ca. 1850)

In 1936 schuift de historicus B.H. van ’t Hooft in ‘Amstelodanum’ de Jurisdictietheorie terzijde en ventileert een nieuwe opvatting die bekend staat als de Gerde- of Jerdetheorie5.

Vermoedelijk hebben we hierin een verbastering te zien van het oud-Friesche ‘jerde’. Een jerde was, zooals nog in ’t tegenwoordige Friesch, een twijgje, maar duidde eertijds ook een maat aan, zoowel een lengte- als een landmaat ,’Jerde’ omvatte dus dezelfde beteekenissen, die we nog tegenwoordig vereenigd vinden in ‘roede’. Buiten Friesland vinden we het woord als gerde, garde, gaarde en geerde. Het is een maat van een naar de streek wisselende grootte.

’t Hooft erkent dat het begrip Jerde niet voorkomt in Amsterdamse oorkonden, maar:

Een Amsterdamsch schrijver, die gewoon was garde te zien met een g, schreef eveneens een g, ook al hoorde hij in zijn omgeving een j spreken. Trouwens wijzelf doen niet anders en schrijven erwt met een w, die al sedert lang niet meer wordt gesproken. Dat we dus ’t woord ‘jerde’ in Amsterdamsche oorkonden niet aantreffen, heeft weinig te beteekenen. [….] En zoo hebben wellicht de bewoners van den Haarlemmerdijk en die daar omstreeks woonen, wier uitspraak nog op ’t einde van de achttiende eeuw sporen van een Friesch getint dialect vertoonde, in ’t begin van de zeventiende eeuw aan de ‘Linde-Boom-straet’ den veldnaam ‘De Jorden’ of ‘De Jarden’ gekend, die na den uitleg van 1612, evenals trouwens de naam van deze straat zelf, op de bebouwde buurt zal zijn overgegaan.

Jardin-, Gordijn- en Jerdetheorie van tafel

Het is de historicus J.Z. Kannegieter die in 1959 onder auspiciën van de Gemeentelijke Commissie Heemkennis Amsterdam, een uitvoerige zoektocht naar de naamgeving van de Jordaan publiceert in de studie ‘De Amsterdamse Jordaan’6. Kannegieter begint met de verwerping van drie theorieën die hij niet de moeite van het bespreken waard acht. Het zijn de Jardin-, Gordijn- en de Gerdetheorie.

Naar mijn mening zijn zij al te lichtvaardig opgesteld. Bij de huidige stand van het onderzoek verdienen zij geen aandacht meer. Als stimulans hebben zij hun verdienste gehad. Thans stichten zij slechts verwarring. Men doet goed ze in de antiekkast op te bergen. Alleen de jurisdictie-jordiksie-jordiks en de uithangteken-theorie, [….] acht ik voor een behandeling in aanmerking komen.

Kannegieter over de Jurisdictietheorie

Wat de Jurisdictietheorie inhoudt hebben we reeds gezien. Kannegieter grijpt bij zijn behandeling van deze theorie 7 terug op het werk van de historicus Jan ter Gouw:

Is het te verwonderen, dat dit woord en de vermeende afleidingen er van: jordiksie en jordiks te eniger tijd met de Jordaan in verband zouden worden gebracht? Naar mijn weten was Ter Gouw de eerste (1858), die er op wees, dat het Jordaankwartier onder de bewoners van de buurt ook Jordiksie heette. [….] Het is duidelijk, zo ging hij verder, dat dit woord een verbastering is van jurisdictie. Een verband tussen Jordaan en Jordiksie wees hij (Ter Gouw) echter van de hand.

Zo niet de amateur-historicus C.A. Meijer die, aldus Kannegieter, in 1888:

Zonder over het woord Jordiksie te reppen, betoogde, dat Jordaan wel afgeleid kon zijn van jurisdictie. Daarnaast huldigde hij de mening, dat ,,onze bijbelvaste voorouders den uithoek over de Prinsengracht schertsend „het land over de Jordaan” noemden”. [….] „Onwillekeurig dachten de zeventiende-eeuwers, als zij zich naar het overblijfsel der oude Jordikzie begaven, aan het land over de Jordaan, dat in dezelfde verhouding stond tot het Joodsche land in zijn geheel als deze achterwijk tot Amsterdam, en eer men ’t wist was ,,Jordikzie” verbasterd en verkort tot ,,Jordaan”, welke naam in later eeuw door iedere Amsterdammer werd gebruikt”.

Prinsengracht Groentemarkt
Prinsengracht Groentemarkt

In april 1943 ontvangt Kannegieter een brief van de heer Paul Sabel, net als Meyer een geharnast voorvechter van de Jurisdictietheorie. Kannegieter citeert uitvoerig uit deze brief.

Omstreeks 1890 hoorde de heer Sabel door een zijner neven, die als kind op de Egelantiersgracht had gewoond, de Jordaan betitelen met het woord Jordiks. De uitdrukking gold als zeer ordinair en zijn neef haalde zich menige berisping op de hals, wanneer hij er zich in het bijzijn van zijn ouders, plagenderwijs, van bediende.

Sabels herinneringen uit de tijd rond de eeuwwisseling worden door Kannegieter weergegeven. Sabel was toen lid van een whistclub:

Wij hadden de gewoonte, alvorens ons aan het edele whistspel te wijden, eerst een „Nieuwendijkje” te maken, om de parade van de „Jordiks-meiden” gade te slaan, dat waren de Jordaanmeisjes, voornamelijk koffiepiksters, die dan uit haar woonwijk via Haarlemmerdijk, Haarlemmerstraat en Nieuwendijk, op zijn fraaist uitgedost, met hooge kapsels, bonte kleeren en breede rokken, stadwaarts togen, liefst gearmd in rijen van drie of vier. Ik meen mij te herinneren, dat omstreeks dien tijd ook een revue in ”Flora” ging, waarin een stelletje koffiepiksters voorkwam, een liedje zingende met het refrein „Wij zijn meiden uit de Jordiks”.

Sabel was heilig overtuigd – aldus Kannegieter – van de gelijkheid in betekenis en de taalkundige verwantschap van het woord jurisdictie met Jordiks.

Rozenhofje
Rozenhofje

Kannegieter twijfelt er niet aan dat de bewoners van de Jordaan hun wijk ook wel Jordiks noemden, maar is met Ter Gouw van mening dat deze namen taalkundig geen verwantschap vertonen. Hij wijst de Jurisdictietheorie af, niet op fonetische, maar op historische gronden.

[….] te Amsterdam gebruikte men slechts zelden het woord jurisdictie. De buitenterreinen stonden bekend als de vrijheid. [….] Het is ten zeerste de vraag, of de pioniers, die in 1614 en volgende jaren een nieuwe woning in de Tuinstraat of op de Lauriergracht betrokken, zich wel bewust waren van het feit, dat zij zich op het oude buitenstedelijke rechtsgebied bevonden. Een bijnaam wordt geboren in de gemeenschappelijke gedachtenwereld van een homogene massa. Aan de overzijde van de Prinsengracht had men deze laatste in 1614 niet te zoeken. En later? Zeg omstreeks 1650? Wat wisten de Walen, Brabanders, Denen, Noren, Hannoveranen, Engelsen, enz., alsmede de Friezen, Groningers, Wieringers, Vlielanders, Amelanders, enz., die het nieuwe werk in hoofdzaak bevolkten, van de vroegere jurisdictie! Op deze gronden moet dus de theorie van C.A. Meijer en drs. Sabel als waardeloos ter zijde worden geschoven.

Uithangtekentheorie

De tweede theorie die Kannegieter bespreekt is de zogeheten Uithangtekentheorie. Deze theorie werd voor het eerst geopperd in 1890 door Mr. N. de Roever, stadsarchivaris van Amsterdam in zijn publicatie ‘Uit onze Oude Amstelstad’8. Nadat De Roever de Jardintheorie en de Jurisdictietheorie heeft afgewezen vervolgt hij met:

Een veronderstelling is nog niet geuit, dat namelijk de naam van een uithangteeken kan ontleend zijn van een huis, dat b.v. ieder moest passeeren, die dit stadsdeel wilde bezoeken. Het zou niet voor de eerste maal zijn, dat op deze wijze heel een buurtje een uithangbord tot peetvader had. [….] Maar hoe dit zij, niemand heeft nog den weetgierigen hieromtrent zekerheid kunnen verschaffen. Het is bij conjecturen gebleven.9.

Kannegieter neemt de suggestie van De Roever uiterst serieus en onderzoekt of er ergens in het gebied dat nu Jordaan heet een pand heeft gestaan met een dergelijk uithangbord. Hij vindt hier geen aanwijzing voor, maar treft wel de aanduiding Jordanengang aan. De Jordanengang wordt genoemd in de Lijst van Gangen van Dr. J.C. Breen (gepubliceerd in 1906) 10. Deze gang is overigens verder de geschiedenis ingegaan onder de naam Scheepjesgang. Kannegieter verwijst naar C.J. Gimpel die in 1918 betoogde dat

Vele gangen en stegen werden genoemd naar een der hoekhuizen. In het onderhavige geval kan de gangnaam zijn overgeslagen op de naaste omgeving. Uitbreiding over het gehele kwartier tussen Brouwers- en Passeerdersgracht is vervolgens denkbaar. Kort gezegd zou de ontwikkeling dus hebben plaats gehad van huisnaam naar gangnaam en van deze naar buurtnaam.11

Weliswaar is dat huis met het uithangbord nooit gevonden, maar er is wel een aanwijzing die het bestaan van dit huis waarschijnlijk maakt. Het betreft de vondst door Mr. H.F. Wijman van een doopaantekening uit 1655, gepubliceerd in het Maandblad Amstelodanum in 1928:

Lijsbeth sickes bejaerde dochter woont op de Lindegracht bij pieter sickes op de kamer in de Jordaen aengegeven van sytze sickes. (Lidmatenregister van de Waterlandsche Gemeente der Doopsgezinden in het Doopsgezind Archief te Amsterdam.)12

Kannegieter vindt dus geen huuis met een uithangbord, maar onderneemt vervolgens een duizelingwekkende speurtocht naar de precieze ligging van de niet meer bestaande Jordanengang. Hij vind wel enige aanwijzingen, maar:

Omtrent de oorsprong van de naam Jordaens- of Jordanengang kon ik, [….] een vermoeden uitspreken. Uit niets is gebleken, dat er verband heeft bestaan tussen de gangnaam en de buurtnaam. [….] Naar mijn overtuiging moet de uithangteken-, of wil men: de gangnaamhypothese, worden verworpen.13

De Jordannetheorie van Kannegieter

Tot slot lanceert Kannegieter een eigen hypothese: de Jordannetheorie.14 Hij begint met de vraag te stellen wanneer de term Jordaan voor het eerst werd gebruikt:

Zoals bekend, kon de vroegste vermelding van de bijnaam geconstateerd worden in het likkebroersgedicht De lof der Jeneever. Lanceerde Hennebo het woord, m.a.w.: is het in zijn brein opgekomen en moet 1718 beschouwd worden als het geboortejaar? Ik geloof: noch het een, noch het ander. Onze kastelein gebruikte de uitdrukking zo gewoon, zo onopvallend, dat zij stellig, reeds vóór de verbreiding op grote schaal, als pasmunt in kleine kring in omloop zal zijn geweest. Hermanus van den Burg sprak (1724) van de „moderne Jordane”. Een duidelijk bewijs, dat de naam nog splinternieuw was. Het ontstaan moet dus gesteld worden op kort vóór 1718, laten wij zeggen: in het tijdvak 1710—1715.

Zoals hierboven reeds is opgemerkt werd de stadsuitbreiding die in de eerste helft van de zeventiende eeuw zijn beslag kreeg, oorpronkelijk niet Jordaan genoemd, maar Het Nieuwe Werck. Kannegieter treft in tal van stukken uit de achttiende eeuw de naam Jordaan aan, waarmee de Prinsengracht werd bedoeld, om precies te zijn, het stuk vanaf de Brouwers- tot aan de Passeerdersgracht. De uitdrukking Nieuwe Werck was kennelijk geruisloos verdwenen.

Het staat dus als een paal boven water, dat het oudste gedeelte van de Prinsengracht in de eerste jaren der achttiende eeuw door een aantal Amsterdammers Jordaan werd genoemd, dat deze bijnaam vrij spoedig oversloeg op de volksbuurt er naast, zonder zich aan de Prinsengracht zelf te blijven hechten. Het behoeft nauwelijks betoog, dat de overgang van gracht op buurt zich gemakkelijk kon voltrekken. Vol is de geschiedenis van voorbeelden, die aantonen, hoe zonder aanwijsbare oorzaken sommige benamingen (en niet alleen topografische) van het ene object naar het andere kunnen verspringen. Vijgendam heette oorspronkelijk een gedeelte van de westelijke kade van het Damrak, later een aanplemping in het Rokin. Wij kennen in onze stad twee Bullebakssluizen, een bij de Raampoort en een in de Marnixstraat over de Brouwersgracht.15

Maar waarom heette dit westelijk deel van de Prinsengracht Jordaan? Had het een specifiek karakter dat een andere naamgeving rechtvaardigde? Kannegieter twijfelt geen moment. Het gedeelte van de Prinsengracht dat Jordaan werd genoemd onderscheidde zich door zijn verregaande vervuiling ten gevolge van het houden van de groentemarkt aldaar. Afval werd zonder pardon in de gracht gesmeten die verschrikkelijk moet hebben gestonken.

Op sommige plaatsen was het water van beschoeiing tot beschoeiing met weggeworpen koolstronken, onverkoopbare appelen, afgedankte kratten en manden, enz. bedekt. Het vuil werd door wind en stroom de zijgrachten in gedreven, zodat ook het nieuwe werk zijn deel kreeg van de stank der rottende plantendelen, die zich vermengde met de geuren der in het water uitvloeiende faecaliën.16

Kannegieter oppert de mogelijkheid dat een schersende opmerking geleid zou kunnen hebben tot de naamgeving Jordaan. Spot met gewijde voorstellingen kwam aan het begin van de achttiende eeuw veelvuldig voor en:

Men behoeft zich het uitgaan van de Noorderkerk maar voor te stellen na een preek [….]. Eén der toehoorders [….] ziet het onfrisse water van de Prinsengracht en roept uit: „Daar heb je nou onze Jordaan!” De mop slaat in en de bijnaam is ter wereld gekomen. Een dergelijke „ui” kan niet voor onmogelijk worden gehouden. Hij paste volkomen in de mentaliteit van een zeer groot aantal bewoners van het nieuwe werk.

Jordanne in Aurillac
Jordanne in Aurillac

Maar Kannegieter heeft zo zijn twijfels en zoekt verder. En dan valt zijn oog op een afbeelding van een riviertje in de Franse streek Cantal, de Jordanne. Dat riviertje, zo ontdekt Kannegieter, vertoont gelijkenis met de Prinsengracht. Net als de Amsterdamse gracht is de Jordanne in de plaats Aurillac sterk vervuild. Zouden inwoners van de dat gebied naar Amsterdam, de Jordaan zijn getogen en de Prinsengracht vervolgens spottend ‘onze Jordanne’ hebben genoemd? Kannegieter onderzoekt of aan het begin van de achttiende eeuw op het Nieuwe Werck Fransen hebben gewoond die de toestanden in Aurillac uit eigen ervaringen kenden.17

Aurillac
Aurillac
De stadsarchivaris stelt vast aan de hand van begraafregisters dat er in de periode 1680-1735 tal van Franse protestanten hebben gewoond die gevlucht zijn voor vervolgingen van rooms-katholieke zijde. Hij neemt contact op met een Franse collega die hem verzekert dat een aantal namen die Kannegieter is tegengekomen – zij het verhaspeld – een Cantaliaanse oorsprong hebben. Kannegieter concludeert:

Zeer waarschijnlijk hebben landverhuizers, afkomstig van het Franse district Cantal, die onderdak hadden gevonden, eind zeventiende en begin achttiende eeuw, in de straten, gangen en sloppen van het westelijke Amsterdam, de Prinsengracht vergeleken met de Jordanne, die, althans te Aurillac, sporen van vervuiling vertoont. Het duidelijkst deed zeker wel, evenals thans, dit verschijnsel zich voor bij een rijtje huizen, waarvan de achtergevels, uitbouwsels, plaatsjes, waterstoepen, enz. uitkomen op de rivier. Men vindt ze tegenwoordig op prentbriefkaarten vereeuwigd.[….] Zo waren deze schamele Fransozen, Jordaners reeds wegens hun herkomst, de eerste Amsterdamse Jordaners.18

~ Willem Peeters

Lees ook: Palingoproer in de Jordaan (1886)
Boek: In de Jordaan – Een liefdesverklaring aan de leukste buurt van Amsterdam in 500 foto’s
Geschiedenisboeken over Amsterdam

Noten

1) A. Margaretha van Gelder, Amsterdamsche Straatnamen Geschiedkundig verklaard, P.N. van Kampen & Zoon, Amsterdam 1913.
2) Robert Hennebo, Rouwklachten van den heere Jacobus Veenhuysen; beneevens de Lof der Jenever, eerste en tweede deel (1723), Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (http://www.dbnl.org/tekst/henn001rouw01_01/henn001rouw01_01_0005.php).
3) F.E. Posthumeus Meyer, Langs de weg, Amstelodanum, 1e jaargang, pg 21-22, Amsterdam 1914 (alle citaten uit Amstelodanum zijn te vinden op: http://www.amstelodamum.nl/archief-overzicht/).
4) Op. cit., pg 46.
5) Dr. B. H. van ’t hooft, De naam van de stadswijk de jordaan, Een friesch relict? Drieëndertigste Jaarboek van het Genootschap Amstelodanum, J.H. de Bussy, Amsterdam 1936, pg. 73-95.
6) J.Z. Kannegieter, De Amsterdamse Jordaan, Stadsdrukkerij van Amsterdam 1959.
7) Op. cit. Hst. III, pg. 47-88.
8) Mr. N. de Roever, Uit onze Oude Amstelstad Schetsen en Tafereelen betreffende de geschiedenis der veste, het leven en de zeden harer vroegere bewoners. Minerva, Amsterdam 1890. De in dit artikel gebruikte citaten zijn ontleend aan een herdruk uit 1967.
9) Op. cit. pg. 19.
10) J.C. Breen, Alphabetische lijst van Gangen, Vierde Jaarboek van de Vereniging Amstelodanum, Ten Brink en De Vries, Amsterdam 1906, pg 158.
11) Kannegieter op.cit., pg 55, citeert C.J. Gimpel, Amsterdam Oud en Nieuw, J.M. Meulenhof, Amsterdam 1918, pg. 134.
12) Maandblad Amstelodanum, Vijftiende jaargang 1928, pg. 43.
13) Kannegieter, op. cit., pg. 83
14) Op. cit. Hst. IV. pg. 89-127.
15) Op. cit. pg 7.
16) Op. cit. pg. 93.
17) Op. cit. pg. 103.
18) Op. cit. pg. 119.
Schilderij van de slag op de Zuiderzee door Abraham de Verwer
De Slag op de Zuiderzee, ook wel de Slag van Bossu geheten,…
Driekoningenschrijn in de Dom van Keulen - cc
Vermeende stoffelijk resten van de Wijzen uit het Oosten die bewaard worden…

Dit atikel is afkomstig van online geschiedenismagazine www.historiek.net

Ook adverteren op Historiek?
Goede keus! Klik hier