Avonturiers in Amerika in de achttiende eeuw

De adembenemende 18e eeuw – Francis Weyns
//
12 minuten leestijd
1
Kolonisten in Philadelphia, 1795 - Jean Leon Gerome Ferris
Kolonisten in Philadelphia, 1795 - Jean Leon Gerome Ferris
De achttiende eeuw was een eeuw van grondige verandering. Alles wat voordien onwrikbaar leek, kwam op de helling te staan: de macht van de Kerk en de adel, het absolutisme van de heersers, de rechteloosheid van het volk. De Amerikaanse grondwet trad in werking en had mondiaal een grote invloed op begrippen als democratie en burgerrechten. De Franse revolutie wierp de alleenheerschappij van de monarch omver. Dit alles kwam er niet zonder slag of stoot. Want terwijl revolutionairen en avonturiers stormden, boden puriteinen, slavenhandelaars en machtshebbers weerstand. Francis Weyns beschrijft dit historische keerpunt in het onlangs verschenen boek De adembenemende 18e eeuw (Borgerhoff & Lamberigts). Op Historiek een fragment uit zijn boek, over de pioniersjaren van Amerika, toen de verschillende bevolkingsgroepen het niet altijd goed met elkaar konden vinden.


‘God Bless America’

Aan het begin van de achttiende eeuw is Noord-Amerika een lappendeken waar kleine nederzettingen en gehuchten in de uitgestrekte en nauwelijks bevolkte gebieden vruchteloze pogingen ondernemen om een eenheid te vormen. De blanke koloniale smeltkroes aan nationaliteiten bestaat voor drie vierde uit mensen die uit Europa op de vlucht zijn geslagen voor religieuze vervolging of gewoonweg voor hun schuldeisers. Tot 1718 maken vooral de Duitse protestantse emigranten de dienst uit. Ze vestigen zich zo goed als allemaal in Pennsylvania, gevolgd door Ierse, Schotse en Engelse emigranten.

De kolonies vormen een massale godsdienstige beweging die zich als een uitverkoren religieuze voorhoede beschouwt.

Vanaf 1718 sturen de Britse autoriteiten nog eens duizenden Engelse en Ierse veroordeelde dwangarbeiders naar Virginia en Maryland, om er het numerieke overwicht van de slaven die op de plantages werken terug te draaien en hun gevangenissen leeg te laten lopen. In 1760 werken al zo’n dertigduizend aan elkaar geketende dwangarbeiders in de zogenaamde chaingangs.

De rode draad die door alle Britse kolonies op het Noord-Amerikaanse continent heen loopt, is de diepgewortelde religie bij de kolonisten. Hun drang naar religieuze zuiverheid leidt in Amerika vanaf 1740 naar een vloedgolf van religieuze massabewegingen die men de ‘Great Awakening’ (het Grote Ontwaken) noemt. In zowel de achterliggende gebieden als in steden als Philadelphia, Boston en New York komen tienduizenden gelovigen uit de wijde omtrek in open vlaktes samen om er naar vurige geestelijke leiders te komen luisteren die als echte sterren hun aanhangers met hun vurige preken begeesteren.

Benjamin Franklin
Benjamin Franklin
Zo publiceert drukker, uitgever, uitvinder en latere founding father Benjamin Franklin in zijn Pennsylvania Gazette dat ‘op donderdag de eerwaarde Mr. Whitefield rond 6 uur in de avond begon te prediken vanop de trappen van het gerechtsgebouw en dat er 6000 mensen voor hem in de straat stonden die in een ijzingwekkende stilte naar hem luisterden’. Franklin ziet er wel brood in om de sermoenen die de succesvolle prediker op zijn geestelijke schaapjes afvuurt uit te geven. Hij verkoopt er vervolgens duizenden exemplaren van en wordt er schatrijk door.

De kolonies vormen een massale godsdienstige beweging die zich als een uitverkoren religieuze voorhoede beschouwt. Zo prediken de puriteinen, die vanuit Engeland massaal naar Massachusetts zijn verhuisd, dat ‘elke kolonie gebonden was aan een verbond met God waardoor ze verplicht werden om zich aan de geboden van de Bijbel te houden en volgens de wetten van God te leven’. God bless America, emigreren met de goedkeuring van God dus, want de kolonisten zijn ervan overtuigd dat Hij een uitgekiend plan met ze voorheeft en dat ze niet zomaar op goed geluk de oceaan zijn overgestoken. De strijd voor Amerikaanse onafhankelijkheid zal altijd nauw verbonden blijven met religie. Veel kolonisten die op het platteland wonen, worden in de aanloop naar de Amerikaanse Revolutie niet zozeer beïnvloed door de politieke pamfletten van revolutionairen als John Adams of Thomas Jefferson, maar wel door de religieuze boodschappen die lokale predikanten elke zondag opnieuw in de plattelandskerken verkondigen.

Het beloofde land

Het verzet van de kolonisten wordt jarenlang en wekelijks op zondag in de plaatselijke kerk met een Bijbelse saus uit het Oude Testament overgoten. Hun geestelijke boodschappers worden door de Britten als ‘the black regiment’ aangeduid. De sermoenen van de predikanten, waarin ze in een begrijpelijke en eenvoudige taal aan de kolonisten uitleggen dat ‘God oproept om zich tegen de tirannie te verzetten omdat men anders een zonde pleegt’, bereiken in de jaren voor de Amerikaanse Revolutie veel meer mensen dan de politieke pamfletten die voornamelijk in de steden worden verspreid. Het is dus niet verwonderlijk dat de radicale filosoof Thomas Paine in zijn Common Sense, een pamflet dat begin 1776 van de Amerikaanse persen rolt en dat het filosofische houvast betekent voor de kolonisten die zich tegen de Britse monarchie keren, schrijft dat Amerika het ‘beloofde land’ is. Paine heeft de wervingskracht van religie voor de strijd tegen de Britten goed begrepen. Van zijn messianistische boodschap worden in de achttiende eeuw 3 miljoen exemplaren verkocht. Wanneer enkele maanden later de Onafhankelijkheidsverklaring wordt opgesteld, stelt Benjamin Franklin het ‘nieuwe Amerika’ voor als ‘Mozes die met zijn staf de Rode Zee scheidt om het uitverkoren volk de weg te wijzen’. Thomas Jefferson beschrijft de Amerikaanse Revolutie als een Bijbels tafereel waarin ‘de kinderen van Israël de weg door de woestijn wordt gewezen’.

Benjamin Franklin, John Adams (midden) en Thomas Jefferson werken aan de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring (Publiek Domein - wiki)
Benjamin Franklin, John Adams (midden) en Thomas Jefferson werken aan de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring (Publiek Domein – wiki)

Het is diezelfde diepe religieuze overtuiging waar een president als Donald Trump twee en een halve eeuw later gebruik van zal maken om zich als ‘America First’ te profileren, en om de ‘Great Awakening’ als een politieke strijdkreet in zijn campagne te verweven waarbij de ‘door God gekozen’ leider zijn landgenoten de weg naar het Aards Paradijs wijst. In het geval van Donald Trump is dat een plek waar je liever niet al te lang wil vertoeven.

Rijkdom en armoede

De Europese kolonisten hebben in de eerste decennia van de achttiende eeuw voldoende weerbaarheid opgebouwd om zich aan het Amerikaanse klimaat en de lokale leefomstandigheden aan te passen. De knik in de mortaliteitscijfers zorgt ervoor dat de blanke bevolking op het Noord-Amerikaanse continent flink aangroeit. Het dagelijkse leven is er weliswaar nog altijd hard, want het klimaat is niet in alle kolonies even aangenaam, en ook de bodem zorgt niet overal voor dezelfde inkomsten. Zo heeft New England een voornamelijk rotsachtige ondergrond met een kort groeiseizoen, waardoor alleen kleine boeren er kunnen overleven. De zogenaamde middle colonies Pennsylvania, New York, Delaware en New Jersey genieten dan weer van een gematigd klimaat, waardoor men graan, mais, rogge en gerst kan telen.

Delaware in 1757
Delaware in 1757 (publiek domein / wiki)

De Amerikaanse kolonisten leven, net zoals overal anders ter wereld, in een hiërarchische standenmaatschappij, maar die sociale onderverdeling valt niet te vergelijken met hoe men in Europa leeft. In Amerika zijn de sociale en economische verschillen tussen de standen minder groot. De meeste kolonisten, tenzij men tot slavernij of tot dwangarbeid is veroordeeld, leiden in Amerika een beter leven dan wie in Europa woont. Er is grond en werk genoeg en dus verdienen de kolonisten die de grond en plantages bewerken gemiddeld het dubbele van wat een Engelse arbeider ontvangt.

‘Ondanks de bevolkingsexplosie blijven de kolonies een provinciale samenleving’

De meeste kolonisten kennen geen hongersnood en er is voldoende grond voor iedereen die het wil innemen en bewerken. In 1762 schrijft Nathaniel Ware, de comptroller of the customs of Boston, dat ‘de laagste [Amerikaanse] standen beter gevoed en beter gekleed zijn, of met andere woorden, een beter leven leiden dan de hardwerkende ambachtslui in Londen’. De economische en sociale kracht die de kolonisten uitstralen, is een eeuw later nog altijd voelbaar in American Notes, het reisverslag dat de Engelse auteur Charles Dickens in 1842 schrijft naar aanleiding van zijn rondreis door Amerika:

‘Om op Boston terug te komen. Toen ik er op zondagochtend op straat ging, was de lucht zo zuiver, de huizen zo kleurrijk […], de muren waren heel rood, de stenen heel wit, de vensterluiken heel groen […] het leek alsof ik door een scène in een toneelstuk wandelde. […] De stad is mooi, en kan niet anders dan indruk maken op elke vreemdeling.’

De Amerikaanse blanke kolonisten leven langer en gezonder, kennen een hoge alfabetiseringsgraad (75 procent van de blanke mannen kan lezen en schrijven terwijl dat in Engeland maar in 60 procent van de gevallen is), er heerst een lagere mortaliteit, er wordt sneller gehuwd, er is een hoger geboortecijfer dan in Europa, de kolonisten worden niet bedreigd door religieuze vervolgingen en de onregelmatigheden met de inheemse volkeren blijven beperkt. De enorme vraag naar tabak en suiker vanuit Europa zorgt voor een voortdurende vraag naar arbeiders en slaven, waardoor de bevolking exponentieel toeneemt. De kolonie van Virginia vertienvoudigt in minder dan 100 jaar tijd haar inwoners. Hetzelfde gaat op voor een kolonie als Noord-Carolina dat in 1660, in nauwelijks een eeuw tijd, van een paar honderd bewoners naar 120.000 inwoners groeit. Ter vergelijking: Engeland en Wales tellen in 1759 samen zo’n kleine 7 miljoen inwoners, terwijl er in Schotland 1,3 miljoen en in Ierland op datzelfde ogenblik net iets meer dan 2 miljoen mensen wonen. De algemene verwachting is dus dat de Amerikaanse bevolking op minder dan 100 jaar tijd de Engelse bevolking zal overtreffen. Dat is geen ijdele gedachte, want aan het einde van de achttiende eeuw telt Amerika al bijna 4 miljoen inwoners, onder wie 700.000 slaven. De Verenigde Staten van Amerika zullen voor het eerst in 1851 op demografisch gebied Engeland voorbijsnellen.

‘Er heerst in de steden een hoge intellectuele bedrijvigheid’

Maar ondanks de bevolkingsexplosie blijven de kolonies een provinciale samenleving. De urbanisatiegraad ligt er laag, want de bewoners richten zich in de eerste plaats op het verwerven van grond, en niet zozeer op het leven in een stad. Negen op de tien kolonisten werken als landbouwer en wonen in piepkleine landelijke nederzettingen. Dat leven wordt ook op alle mogelijke manieren gepromoot. Zo waarschuwt Thomas Jefferson dat het stadsleven de ‘bron voor alle kwaad’ is en propageert hij het platteland als het ‘Amerikaanse ideaal’:

‘Zij die de aarde bewerken, zijn de uitverkoren mensen van God, als hij ooit uitverkoren mensen had.’

Verstedelijking en hiërarchie

In de eerste helft van de achttiende eeuw vallen er geen grote Amerikaanse steden op de kaart te bespeuren: tussen Philadelphia en Charleston, die op 1000 kilometer afstand van elkaar liggen, ligt geen enkele andere stad. In een stad als Boston bijvoorbeeld wonen in 1735 nauwelijks 13.000 mensen. Er leven zoveel honden dat er een lokale wet wordt ingevoerd die verbiedt om honden te bezitten die groter dan 20 centimeter worden. Aangezien het voor de inwoners van Boston niet echt duidelijk is wat de grootte van hun hond te maken heeft met hun aantal, houden weinig Bostonians zich aan de naleving van die wet. In Amerikaanse steden als Philadelphia, New York City, Charleston en Newport, de regionale metropolen en havensteden vanwaaruit de kolonies bestuurd worden, wonen in 1750 niet meer dan 5000 kolonisten, meestal handelaars en financiers. Aan het einde van de achttiende eeuw telt Philadelphia, de grootste stad van Amerika, niet meer dan 42.000 inwoners.

Skyline van Philadelphia in 1761
Skyline van Philadelphia in 1761 (publiek domein/wiki)

Ook al woont maar nauwelijks 5 procent van de kolonisten in een stad, er heerst in die steden een hoge intellectuele bedrijvigheid: er worden bibliotheken opgericht, er circuleren kranten en aan universiteiten als Yale, Princeton en Harvard studeert de Amerikaanse intelligentsia af. In 1760 zijn er in Philadelphia meer boekhandels, zo’n 77 in totaal, te vinden dan in de 10 grootste provinciesteden in Engeland samen. De verstedelijking van Amerika neemt voornamelijk na 1760 toe: zo worden er in een kwarteeuw in de noordelijk gelegen kolonie New England 264 nieuwe steden gesticht.

De armen leven in de kolonies in minder penibele omstandigheden dan wat de arme Europeanen moeten verduren, maar dat betekent niet dat de kolonies een aards paradijs zijn. Er bestaat wel degelijk armoede; zo leeft een vierde van de inwoners in Boston in 1740 onder de armoedegrens en in kolonies als Virginia en Maryland woont zelfs 30 procent van de bevolking in volstrekte armoede. Alleen, daar waar het behoeftige deel van de bevolking in Engeland op voortdurende liefdadigheid is aangewezen, koesteren de arme kolonisten in de Amerikaanse kolonies nog altijd de hoop dat ze hun levensstandaard zullen kunnen verbeteren. Zo bezit 75 procent van de blanke kolonisten een stuk grond, wat beduidend meer is dan de 20 procent van de Engelsen die grond of eigendom bezitten. Maar dat betekent niet dat er in de kolonies van een gelijke samenleving sprake is. De premisse dat je het in Amerika kan maken op basis van wat je kan en van wat je wil worden, wordt door de sociale realiteit overschaduwd. Veel Europese emigranten zijn namelijk afkomstig uit de laagste sociale klassen en zullen eenmaal in Amerika aangekomen zelfs nooit de kans krijgen om een stuk grond te kopen en bebouwen.

‘De kolonies worden door rijke familiedynastieën bestuurd’

Het ontbreekt de kolonies aan een aristocratische bovenlaag waar graven, baronnen of markiezen de plak zwaaien, maar de Amerikaanse samenleving blijft hoofdzakelijk een patriarchaal raamwerk. Hierbij kijkt de zogenaamde gentry, de rijke elite bestaande uit geestelijken, rijke handelaars, advocaten, dokters en hoge officieren van de Royal Navy, neer op het ‘gewone volk’. Een ‘gentleman’ onderscheidt zich, net zoals in Engeland en de rest van Europa, van het gewone volk door zijn uitgebreide kennis van klassieke talen, het feit dat hij een muziekinstrument kan spelen, dat hij een gepoederde pruik draagt, een mansion bezit en de vrijheid geniet om geen handenarbeid te hoeven verrichten om in zijn levensonderhoud te voorzien. Zijn geraffineerde levensstijl, waarmee hij de Europese adel imiteert, verschaft hem een morele en sociale superioriteit over de onderste lagen van de bevolking, die dagelijks met hun handen moeten wroeten om te kunnen overleven. Het Amerikaanse samenlevingsmodel is, voor het zich in 1776 onafhankelijk verklaart, even hiërarchisch qua structuur als de Europese samenleving. In Boston bezit 5 procent de helft van alle rijkdom van de stad, terwijl de laagste klassen nauwelijks 5 procent aan eigendommen bezitten.

Thomas Jefferson in 1786, schilderij van Mather Brown
Thomas Jefferson in 1786, schilderij van Mather Brown
De kolonies worden door rijke familiedynastieën bestuurd: in New York heersen de Hollands-Britse families Van Rensselaers, de Stuyvesants en de Philips; in Virginia heersen de Beverley-dynastie en de Carters over de tabaksplantages. Landon Carter, een rijke grondbezitter uit Virginia en een latere pleitbezorger voor de Amerikaanse onafhankelijkheid, klasseert het ‘gewone volk’ als ‘idioten’, terwijl George Washington, de toekomstige eerste president van de Verenigde Staten, landbouwers voor ‘the grazing multitude’ (vrij vertaald: ‘de grazende kudde’) houdt. Thomas Jefferson, die in 1801 als de derde president van de Verenigde Staten zijn opwachting zal maken, leeft zelfs in de overtuiging dat ‘tavernehouders, knechten en koetsiers tot het soort boeven behoren waar we helemaal geen rekening mee dienen te houden in onze samenleving’. Veel Amerikaanse landeigenaars leven nochtans, net zoals in Frankrijk, op de rand van het bankroet, want een plantage onderhouden kost handenvol geld. Dat is meteen ook de reden waarom founding fathers als George Washington en Thomas Jefferson tot aan hun dood honderden slaven op hun landgoed Mount Vermon en Monticello houden.

Afhankelijkheid van Engeland

De groeiende rijkdom die de Amerikaanse kolonies te beurt valt, is een gevolg van de Britse mercantilistische politiek. Engeland is vanaf 1660 de centrale economische spil voor al zijn koloniale handel geworden, waarbij alle handel met niet-Engelse handelaars via het thuisland moet verlopen. De kolonies krijgen op hun beurt de garantie dat hun handelsschepen door de Royal Navy beschermd worden, en een opendeurpolitiek zorgt ervoor dat er jaarlijks genoeg arbeidskrachten de oversteek naar de kolonies maken. De slavenhandel zorgt er ondertussen voor dat de lonen laag en de winsten hoog gehouden worden. De kolonies halen hun rijkdom dus uit de internationale zeehandel met Engeland en die is jaarlijks goed voor zowat de helft van de omzet van de Britse zeevaart. Tussen 1747 en 1765 verdubbelt de Amerikaanse uitvoer van 700.000 pond naar 1,5 miljoen pond. Omgekeerd kunnen de kolonisten vanuit Engeland goedkoop luxegoederen, gereedschap en wapens kopen.

De adembenemende 18e eeuw - Francis Weyns
De adembenemende 18e eeuw – Francis Weyns
De keerzijde van de handelsmedaille is dat de kolonisten hoe langer hoe meer afhankelijk zijn geworden van de overzeese handel met Engeland en dat de relatief goede economische omstandigheden waarin een groot deel van de kolonisten leeft, bepaald worden door de goodwill van de Engelse kroon om de invoerheffingen laag te houden. Het overgrote deel van de kolonisten heeft Britse wortels en belijdt het protestantisme, maar van een onderlinge samenhang is geen sprake. Zo goed als elke kolonie leeft in onmin met haar naaste buur en kijkt weg wanneer haar buren door de inheemse volkeren worden aangevallen. Aangezien niet alleen Engelsen en Schotten, maar ook Nederlanders, Vlamingen, Duitsers en Fransen in de loop der jaren in de kolonies zijn komen wonen, blijft ook in Amerika het onderlinge wantrouwen tussen de verschillende blanke bevolkingsgroepen hangen. Zo uit Benjamin Franklin zijn bezorgdheid dat Pennsylvania door de grote instroom van Duitsers te veel ‘Germanized’ zal worden, en raadt men kolonisten die naar Albany willen reizen aan om voldoende Nederlands te leren praten. Net zoals in Europa heersen er in de kolonies grote onderlinge vooroordelen: Duitsers worden als dom, Nederlanders als gierig, Fransen als frivool en Ieren als dronkenlappen beschouwd. De kolonies leven zij aan zij en elk met hun eigen type van bestuur. Kolonies als Virginia, New York en Zuid-Carolina behoren tot de Engelse kroon en worden bestuurd door een lokale gouverneur. Maryland en Pennsylvania staan onder privaat toezicht van een lord proprietor. Alleen Connecticut en Rhode Island hebben een autonome structuur en hangen dus niet automatisch af van de Engelse kroon of een private onderneming. De onverschilligheid tussen de kolonies komt het moederland goed uit, maar ironisch genoeg bewerkstelligen de politieke strubbelingen tussen het Britse parlement en de kolonies een eensgezinde samenhang tussen de Amerikaanse kolonies.

~ Francis Weyns

Boek: De adembenemende 18e eeuw – Francis Weyns

Bekijk dit boek bij:

Bekijk dit boek bij Historiek Geschiedenisboeken

Abonneer
Stuur mij een e-mail bij
guest
1 Reactie
Oudste
Nieuwste Meest gestemd
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties
Eerder gepubliceerd

Antieke auteurs over de Feniciërs

Hierna verschenen

Hitler meldde zich pas laat voor de Eerste Wereldoorlog