Dark
Light

Britse archeologen en personal branding

Graven in drie negentiende-eeuwse autobiografieën
19 minuten leestijd
Britse archeologen en personal branding
Britse archeologen en personal branding

Begin september verscheen in de Volkskrant een artikel over wat de auteur ‘social-media-ontzorgers’ noemde. Hij doelde hiermee op bedrijven die de social media van voetballers en andere beroemdheden controleren op berichten die het publieke beeld (imago) van de beroemdheid in kwestie zouden kunnen schaden (pochen over je rijkdom valt bijvoorbeeld vaak slecht bij je fans). Daarnaast verzorgen deze bedrijven vaak de volledige uitstraling en vormgeving (‘personal branding’) van de accounts: ‘[s]ocial media zijn de nieuwe reclamezuilen’, aldus een van de oprichters van zo’n bedrijf.

William Flinders Petrie
William Flinders Petrie
Nu zou je denken dat dit soort controle van het imago van beroemdheden een recent fenomeen is. Dat is in het geval van social media natuurlijk ook inderdaad het geval, maar het willen controleren of bijsturen van je publieke beeld is zo oud als het concept van beroemdheden zelf: Alexander de Grote of (bepaalde) Romeinse keizers zijn slechts enkele voorbeelden van personen die in latere perioden graag als model ingezet werden door machthebbers om zichzelf te presenteren aan hun onderdanen. Gedurende de negentiende eeuw kwam voor persoonlijke presentatie echter een heel nieuw instrument ‘op de markt’: een nieuwe versie van de autobiografie. Dit nieuwe instrument werd dan ook graag gebruikt door enkele (toentertijd) beroemde Britse archeologen: Austen Henry Layard (1817-1894), William Flinders Petrie (1853-1942) en Robert Mortimer Wheeler (1890-1976).

Layard, Petrie en Wheeler waren niet zomaar archeologen. Layard, wiens archeologische carrière beperkt was tot de jaren 1840, was een van de grondleggers van wat we nu Assyriologie zouden noemen en zou later een invloedrijk politicus worden. Dezelfde baanbrekende positie is toe te kennen aan de iets later actieve Petrie, alleen dan met betrekking tot de Egyptologie. Wheeler, tot slot, was een van de eerste die zich toelegde op Britse archeologie en was bovendien de eerste archeoloog die het publiek actief betrok bij opgravingen.

Zij zijn daarnaast de enige Britse archeologen die autobiografieën schreven en het niet hielden bij memoires. Het verschil tussen deze twee genres is dat autobiografieën doorgaans het hele leven beschrijven, waar memoires vaak alleen bepaalde episodes toelichten. Bovendien ontwikkelde het genre van de autobiografie zich aan het begin van de negentiende eeuw op een manier die ervoor zorgde dat auteurs meer ruimte hadden om zichzelf op een bepaalde manier te presenteren. Layard was de eerste archeoloog die van deze ontwikkeling profiteerde.

Dat zij alle drie een autobiografie schreven is te danken aan de positie van archeologen in de Britse samenleving tijdens hun levens. Van de negentiende-eeuw tot aan de Tweede Wereldoorlog, toen archeologie zich net ontwikkelde, verkregen archeologen die grote ontdekkingen hadden gedaan een soort sterrenstatus, die deels ook nu nog doorleeft. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de ‘ontdekker van Troje’, Heinrich Schliemann (1822-1890) of, wat later, Howard Carter (1874-1939), die de tombe van Toetanchamon opgroef. Bovendien hebben de verhalen die Layard, Petrie en Wheeler vertellen in hun autobiografie ook nog een sterke invloed op hoe er nu nog naar ze gekeken wordt, door zowel het publiek als door wetenschappers. Dit is voor een belangrijk deel toe te schrijven aan de ontwikkeling van het autobiografie-genre. Het is daarom interessant de autobiografieën van deze archeologen eens nader te bekijken. Welke ingrepen zijn zichtbaar in deze autobiografieën en wat kunnen hedendaagse beroemdheden er van leren als het gaat over het bijsturen van hun imago?

Autobiography, Seventy years in archaeology & Still digging

Zoals ik al schreef waren de drie archeologen tijdens hun leven erg aanwezig in de publieke sfeer en verre van stoffige en nauwelijks bekende opgravers. Layard stond na zijn opgravingen in Mesopotamië, op dat moment onderdeel van het Ottomaanse Rijk, in de jaren ‘40 van de negentiende eeuw bekend als ‘de ontdekker van Nineveh’ en zou na zijn korte archeologische carrière een bekend politicus worden. Nineveh and its remains (1849), het boek dat hij schreef na zijn eerste opgravingscampagne, verkocht zo goed (8.000 exemplaren in het eerste jaar) dat zijn uitgever hem aanspoorde een verkorte versie (1851) te schrijven. Hiervan werden er 14.000 verkocht in het eerste jaar.

Layard’s autobiografie verscheen in 1903, zo’n tien jaar na zijn dood in 1894. Dit betekende dat het werk voltooid was door een redacteur. Deze ingreep is zichtbaar in de titel: Autobiography and letters from his childhood to his appointment as H.M. ambassador in Madrid. Vanaf het jaar 1851 heeft de redacteur de rest van Layard’s leven ingevuld aan de hand van brieven voorzien van redactioneel commentaar. Mede hierdoor is de tekst waarin Layard optreedt als archeoloog beperkt tot het zesde hoofdstuk van het tweede volume, waarin Layard schrijft:

‘I have, in my “Nineveh and its Remains”, published so full an account of the excavations carried on amongst the Assyrian ruins, and of my residence at Mosul, and journeys in the desert and Kurdistan during the years 1845, ‘46 and ‘47, that I have nothing to add to it here.’

Voor het archeologische imago dat Layard zich aanmat zijn, zoals later zal blijken, echter ook de hoofdstukken over zijn vroege (‘pre-archeologische’) leven van belang.

Rond 1900 werkte Layard’s collega Petrie iets zuidelijker. Hij vertrok in 1880 naar Egypte en zou daar sindsdien nagenoeg elk opgravingsseizoen terugkeren. In 1892 werd hij bovendien aan University College London (UCL) de eerste hoogleraar Egyptologie in Engeland. Na zijn benoeming werd hij ook actiever in het publieke leven: hij gaf lezingen over allerlei onderwerpen, werd politiek actief als lid van de British Constitution Association (een groep die lobbyde tegen staatsinmenging) en schreef populair wetenschappelijke werkjes. Zijn grootste invloed in het publieke leven had hij echter dankzij zijn tentoonstellingen. Hierin presenteerde hij de resultaten van het afgelopen graafseizoen. Vanaf 1906 zijn deze zelfs opengesteld in de avonden, om de arbeidersklasse – die natuurlijk overdag werkte – de kans te geven ze te bezoeken.

Petrie’s autobiografie Seventy years in archaeology verscheen in 1932. Tien jaar later stierf hij, dus het werk biedt een behoorlijk compleet overzicht van zijn leven. Het grootste deel van de hoofdstukindeling is gebaseerd op de locatie van zijn opgravingen, zoals: ‘Amarna, 1891-1892’, waardoor het werk erg gericht is op Petrie’s archeologie. Hierover schrijft hij zelf:

‘[t]his is only a record of the work, and of what led me up to it, and has nothing otherwise to do with the inner life.’

Bovendien toont Petrie in zijn voorwoord al dat het werk gericht is op een breed publiek:

‘[t]he affairs of a private person are seldom pertinent to the interests of others (…). The tracing of the various steps, moreover, which have led to results from small beginnings, may encourage others whose prospects would seem very insufficient for their aims in life.’

Robert Mortimer Wheeler
Robert Mortimer Wheeler
Net als Petrie zou Wheeler tijdens zijn loopbaan verbonden raken aan UCL. Aan deze universiteit behaalde hij namelijk zijn mastertitel en bovendien dankt UCL’s huidige Institute of Archaeology zijn bestaan mede aan hem. Mogelijk de meeste bekendheid zou Wheeler krijgen in de jaren ‘50 dankzij zijn deelname aan twee populaire televisieprogramma’s: Buried Treasure en Animal, Vegetable, Mineral? Hij trad hierin op als archeologisch expert die, in het geval van Animal, Vegetable, Mineral? samen met collega-experts de herkomst en datering van een ‘mystery-object’ moesten achterhalen. Zijn optreden op televisie toont Wheeler’s inspanning om archeologie te populariseren. Dit was ook al zichtbaar bij zijn opgraving (1934-1937) van de IJzertijd-walburcht Maiden Castle in Dorset, waar hij voorwerpen verkocht aan het publiek en zijn opgravers te verstaan gaf dat zij alle vragen van bezoekers zo goed mogelijk dienden te beantwoorden.

De autobiografie van Wheeler, getiteld Still digging: interleaves from an antiquary’s notebook (1955) verscheen tegen het einde van zijn gravende leven. Wheeler is op dat moment, mede dankzij de televisie, een dusdanig bekend figuur dat het buiten kijf stond dat een groot publiek het werk zou lezen. In dat licht is het opvallend dat een tweetal hoofdstukken niets tot weinig met archeologie te maken hebben. De hoofdstukken drie en negen, wat betreft pagina-aantallen de grootste hoofdstukken, hebben namelijk betrekking op Wheeler’s diensttijd tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Het beeld van Wheeler de militair zou dan ook een belangrijk aspect van zijn imago worden.

UCL Institute of Archaeology
UCL Institute of Archaeology

Een nieuw soort autobiografie

Voordat we de imago-controle (of: ‘self-fashioning’) van Layard, Petrie en Wheeler daadwerkelijk kunnen bekijken, is het belangrijk de ontwikkeling van de nieuwe versie van het genre autobiografie te ontleden. Het genre was natuurlijk niet nieuw, maar vanaf circa 1800 ontwikkelde zich een nadruk op het articuleren van de persoonlijke ervaring van de auteur en zijn/haar reflectie op deze gebeurtenissen. Deze nieuwe nadruk zorgde ervoor dat auteurs van autobiografieën de mogelijkheid kregen hun eigen subjectiviteit te tonen in hun werk en niet, zoals eerder gebruikelijk was, te claimen objectief hun leven te beschrijven. Het betekende ook dat ze plots ruimte kregen om de presentatie van hun persoon in de autobiografie te sturen. In de wetenschappelijke literatuur is deze transformatie ook wel omschreven als de overgang van ‘self-writing’ naar ‘self-making’.

Met deze ontwikkelingen in het achterhoofd is het verleidelijk om de auteur van een autobiografie na 1800 te zien als iemand die volledige keuzevrijheid heeft over wat hij/zij wel en niet vertelt over zijn/haar leven. Helaas is niets minder waar. Los van de psychologische en filosofische discussie over de vraag of de mens beschikt over een ‘vrije wil’, heeft een groot aantal sociale factoren invloed op de keuzes die mensen maken. Om met een voorbeeld kort terug te keren naar voetballers: het is zeker voorstelbaar dat een voetballer die zijn hele carrière bij Ajax gevoetbald heeft in zijn autobiografie verzwijgt dat hij eigenlijk zijn hele leven al toegewijd fan is van Feyenoord.

Nu is er in dit voorbeeld sprake van een bewuste keuze van de schrijver, maar van sommige factoren heeft de schrijver geen idee van de invloed op zijn keuzes. In autobiografisch-theoretische verhandelingen hierover wordt hier vaak naar gerefereerd als de ‘ideologische ik’. In deze term worden alle factoren gevat die de schrijver bewust en onbewust beïnvloeden bij het kiezen van wat hij/zij wel of niet vertelt.

Al met al werden de keuzes die Layard, Petrie en Wheeler maakten bij het schrijven van hun autobiografie dus begrensd door sociale conventies (hun ideologische ikken), die uit te splitsen zijn tot een drietal niveau’s: de verwachtingen van het grote publiek met betrekking tot de praktijk van de archeologie, de publieke verwachtingen als het gaat om ‘een archeoloog’ in het algemeen en, tot slot, de verwachtingen die het publiek had bij Layard, Petrie en Wheeler specifiek. Deze scheiding in niveau’s is uiteraard deels kunstmatig, aangezien sommige thema’s, zoals zal blijken, voorkomen op verschillende niveau’s.

De archeologische praktijk in de publieke verbeelding

Op basis van eerdere publicaties kunnen vier thema’s onderscheiden worden die in de periode van circa 1850 tot 1950 bepalend waren voor het beeld dat het grote publiek van de archeologische praktijk had. Allereerst bestaat er in deze periode in populaire teksten over archeologie een sterke nadruk op archeologische technieken. Ten tweede is archeologie volgens deze teksten altijd avontuurlijk en vindt het plaats op exotische plekken. Een derde thema is de ontdekking bij toeval, vaak gedaan door toevallige passanten. Tot slot is de nadruk op de onwetendheid of zelfs domheid van de lokale bevolking ten opzichte van de oude resten die zich in hun gebied bevinden opmerkelijk.

Als deze thema’s naast de autobiografieën van Layard, Petrie en Wheeler gelegd worden is binnen de eerste drie een duidelijke trend zichtbaar die verband houdt met de professionalisering van de archeologie en haar ontwikkeling tot academische discipline in de levensjaren van de schrijvers. Zo noemt Layard nergens de technieken die hij gebruikte in de opgraving. Bij Petrie, daarentegen zijn er wel enkele passages die over archeologische technieken gaan. Deze zijn met name gecentreerd rond conservering, zoals in deze passage over doorweekte architecturale elementen:

‘[t]he stone was so rotted that a finger could be stuck into it (…). So the wet slabs were laid on the sand, and covered with about four inches of sand to allow of slow drying; thus the stone contracted equally inside and out, and was preserved.’

In Wheeler zijn vermeldingen van techniek nog talrijker. Bovendien reflecteert hij expliciet op de ontwikkelingen in archeologische techniek:

‘[i]n the field-archaeology and digging to which I have been devoted much of my time, the period 1914-54 has been one of violent transition (…) with its assumed techniques, its fluorine, nitrogen and radiocarbon tests and others in prospect.’

Hand in hand met het toenemen van de passages over technieken gaat de afname van de hoeveelheid passages die de avontuurlijkheid van archeologie benadrukken. Bij Layard zijn ze het talrijkst en zijn ze sterk verbonden met zijn reizen en belevenissen in het Midden Oosten. In Seventy Years zijn de passages korter, zo schrijft Petrie:

‘[i[t was always a chance of minutes or hours before a pit collapsed.’

Bij Wheeler, tot slot, is slechts één ‘avontuurlijke’ passage te vinden die verbonden is met archeologie.

Toevalsvondsten worden volgens de autobiografieën juist weer voornamelijk gedaan door Petrie en Wheeler, wat tegenstrijdig lijkt met de eerdere thema’s die sterk verbonden waren aan de professionalisering van archeologie: het ligt voor de hand te denken dat terwijl de professionalisering toeneemt in de archeologie, het aantal toevalsvondsten afneemt. Petrie en Wheeler verbinden dit thema desalniettemin vooral aan belangrijke ontdekkingen, zoals een fajoemportret-mummie die werd gevonden door twee jongens die voor Petrie werkten en Wheeler’s toevalsvondst van ‘King Arthur’s small change’ (of de Lydney Hoard, zoals hij nu bekend staat). Wheeler is vaak bovendien expliciet over zijn geluk in de vorm van passages als: ‘at this moment fate smiled upon us.’

Het laatste thema, de onwetende of domme lokale bevolking, is alomtegenwoordig in de autobiografieën. Dat is ook niet verwonderlijk: ze dient als contrast tegenover de kennis van Layard, Petrie en Wheeler. Het beste wordt dit geïllustreerd in deze passage uit Layard’s Autobiography:

‘[they, de lokale bevolking] watched all our movements in the expectation that we were on the point of discovering the treasure of which we were in search, and which they had (…) made up their minds to appropriate at all cost. They were specially [sic] suspicious and excited when we made a sketch, and attempted to take measurements with a measuring tape. They were persuaded that these were magical processes and incantations to find the exact spot where the gold was buried (…).’

‘Een archeoloog’: held en sociale klimmer

Tussen de publieke verwachtingen tussen 1850 en 1950 van hoe een archetypische archeoloog zich gedroeg zijn twee belangrijke ideeën te vinden. Deze ideeën zorgen ervoor dat bepaalde structuren in de levensverhalen van de archeologen verschijnen en zijn als tekstuele elementen te vergelijken met de moraal in sprookjes. Het is niet zo dat ze er altijd toe dienen lessen te leren uit de levens van de archeoloog in kwestie, maar ze structureren wel een aanzienlijk deel van de nadrukken en onderdelen van het algemene verhaal. Kortom: het zijn twee van de belangrijkste structurerende elementen in verhalen over archeologen voor een groot publiek.

Allereerst is daar het verhaal van de held-archeoloog. Deze verhaalstructuur zorgt ervoor dat de archeoloog de held wordt in een avonturenverhaal, vaak met een centrale moraal. De held-archeoloog komt uit een laag sociaal milieu en heeft van kinds af aan een fascinatie met geschiedenis. Vervolgens verlaat hij zijn bekende omgeving om professioneel getraind te worden door een of meerdere mentoren. Tot slot reist hij, als hij voldoende kennis heeft, naar onbekende en/of exotische gebieden om daar een eeuwenoud mysterie op te lossen, ondanks felle tegenstand en groot gevaar. Het kan zijn dat dit enorm bekend klinkt. Dat is niet verrassend, want nagenoeg elke moderne populaire weergave van een archeoloog volgt dit stramien en op een meer basaal niveau keert de structuur terug in bijvoorbeeld veel films die niet per se over archeologen gaan. Enkele ondersteunende elementen binnen het verhaal van de held-archeoloog zijn: zin voor actie en avontuur en doorzettingsvermogen, moed, vitaliteit en ambitie.

Met name Layard en Wheeler volgen in hun autobiografie deze opbouw, maar alle drie vinden ze het noodzakelijk hun vroege leven (dat wil zeggen: hun leven tot aan hun archeologische ontdekkingen) in een lager sociaal milieu weer te geven. Wheeler noemt zijn eerste hoofdstuk zelfs ’boyhood in the provinces’.

Zo’n eerste hoofdstuk heeft bovendien nog een duidelijk ander doel: het tonen waar de zin voor avontuur van de auteur vandaan komt. Layard zoekt de oorsprong hiervan onder andere in zijn fascinatie met 1001 Nacht, Petrie verwijst naar vele heroïsche familieleden en Wheeler vindt het bij zijn vader. Wheeler benadrukt zijn zin voor actie en zijn moed bovendien in zijn oorlogshoofdstukken, waar hij zich ‘opgesloten’ voelde als officier in Engeland en Schotland, voordat hij ‘ontsnapte’ naar het front. Petrie en Layard tonen hun moed al in de eerste hoofdstukken. Zo vertelt Layard over een bezoek als drie-jarige aan de dierentuin van de Jardin des Plantes:

‘(…) and was there shown a lioness with her cub, which I resolutely took into my arms, to the astonishment and alarm of my nurse, whilst my brother Frederic, terrified at the sight of the animal, set up a lusty howl.’

Daarnaast is het opvallend dat Petrie en Layard veel schrijven over momenten dat ze ziek waren. Dit is te verklaren door een laat-Victoriaanse obsessie met de net-ontdekte bacteriën en daaraan verbonden ideeën van degeneratie en lichamelijke invasie. Andere uitingen hiervan zijn te vinden in de zogenaamde ‘vloek van de mummy’ die in deze periode ontstaat, en werken als Bram Stoker’s Dracula (1897).

Tot slot valt het op dat de trainingsfase van de verhaalstructuur ontbreekt bij Layard en Petrie. Allereerst bestond deze mogelijkheid voor hen simpelweg nog niet en hiermee sluit dit aan bij de professionalisering van de discipline. Een tweede oorzaak van dit ‘gebrek aan training’ in de autobiografieën is de tweede belangrijke verhaalstructuur: de archeoloog als ‘self-made man’.

Het belangrijkste kenmerk van een self-made archeoloog spreekt voor zich: hij had zich zelf opgewerkt binnen het rigide Victoriaanse klassensysteem om een bepaald doel te bereiken. Een dergelijke sociale opmars zou bovendien alleen mogelijk zijn als de persoon in kwestie bepaalde persoonlijke kwaliteiten had. De truc hier was natuurlijk dat elk lid van de Britse bevolking zelf in kon vullen wat deze kwaliteiten dan precies waren. Andere persoonlijke kwaliteiten van een Victoriaanse self-made archeoloog waren het hebben van een duidelijk doel, een continue, geleidelijke levensontwikkeling en een bepaald ‘showmanship’. Het belangrijkste doel van deze verhaalstructuur was dat het grote publiek zich makkelijk kon identificeren met de archeoloog.

Hierboven benoemde ik al dat Layard, Petrie en Wheeler zichzelf presenteerden als afkomstig uit lage(re) sociale klassen. Bovendien tonen Layard en Petrie dat ze al van jongs af aan de droom hadden archeoloog te worden. Layard:

‘I had never given up the hope of returning on some future day to Mesopotamia and exploring the ruins of Nineveh (…)’.

Het drietal benadrukt ook hoezeer ze al archeologische vaardigheden aan het leren waren in hun jonge leven (of in het geval van Wheeler: tot hij ging studeren). Zo noemt Layard bezoeken aan opgravingen in Etrurië en Petrie en Wheeler hun ‘studie’ van mineralen en antieke munten. Daarnaast benadrukt Petrie deze continuïteit in zijn titel. Als deze letterlijk wordt genomen begon Petrie’s archeologische carrière in 1862, toen hij negen jaar oud was. Tot slot stond met name Wheeler bekend als showman. Kijk hiervoor gerust eens een aflevering van Animal, Vegetable, Mineral?. Ook beschrijft hij zijn vondsten vaak erg fantasierijk, zoals wanneer hij een Romeins fort opgroef in Caerleon, Wales:

‘I was preparing the way for an attack on the legionary fortress at Caerleon.’

Layard de avonturier, Petrie de eugenist en Wheeler de pionier van ‘public archaeology’

Het laatste niveau van sociale conventies waar Layard, Petrie en Wheeler rekening mee moesten houden was hun eigen al bestaande reputatie. Met name voor Wheeler, en in iets mindere mate ook voor Petrie, is dit lastig te achterhalen. De reden hiervoor is het ontbreken van studies naar de ideeën en opvattingen over hen bij het grote Britse publiek. Desalniettemin zijn aanwijzingen hiervoor wel te vinden verspreid over enkele wetenschappelijke artikelen, kranten en zelfs necrologieën.

Austen Henry Layard
Austen Henry Layard
Voor Layard bestaat dit probleem gelukkig niet. In wetenschappelijke literatuur over hem wordt zelfs gesproken over een ‘mythe van Layard van Nineveh’ die ontstond kort na zijn eerste ontdekkingen. De basis voor deze mythe ligt in een krantenartikel in The Times van 9 februari 1849. Het artikel staat bol van de aanprijzingen. Zo is Layard volgens de auteur extreem getalenteerd, dapper en vasthoudend en prijst de auteur zijn dorst voor kennis en liefde voor reizen en avontuur. Tot slot is Layard volgens het artikel het toonbeeld van ‘usefulness’ voor het Britse Rijk.

De reden dat het artikel Layard op een voetstuk zet, is dat het geschreven was door Sara Austen, de tante van Layard, die, zo lijkt het, zijn carrière een duw in de goede richting heeft willen geven. Layard zelf aarzelde in eerste instantie wat om gebruik te maken van de gecreëerde mythe, maar al snel begon hij actief bij te dragen aan dit beeld. Op dat moment begon dit beeld zich razendsnel te verspreiden door het Britse publiek: de Quarterly Review noemde hem een ‘industrious and persevering discoverer’ en de British Quarterly Review prees zijn ‘integrity, chivalrous honour, good nature, and bounding spirits (…)’.

Al met al ontstond in de publieke beeldvorming een beeld van Layard waarin hij een soort container werd voor alle persoonskenmerken die men in Victoriaans Engeland prijzenswaardig vond. Dit past perfect binnen de elementen van de archeoloog-held en self-made archeoloog die hierboven al voorbij kwamen en versterkt deze nog maar eens. Bovendien benadrukt Layard zijn Engelsheid (en dus zijn christelijke geloof) in veel passages, waardoor hij nog meer een voorbeeld- en vertegenwoordigende functie krijgt. Dit is goed te zien in de volgende passage die verhaalt hoe Layard ruzie krijgt met de lokale Kadi (een religieuze rechter) nadat hij de laatste pont over de Tigris, waarin Layard zelf al plaatsgenomen had, voor hem had laten wachten. De Kadi klaagde vervolgens:

‘[s]hall the dogs occupy the high places [verwijzend naar Layard en zijn reisgenoten die al op de enige stoelen hadden plaatsgenomen], whilst the true believers have to stand below?’

De reactie van Layard was fel: hij sloeg hem met zijn rijzweep en veroorzaakte daarmee bijna een gevecht op de boot. Na deze episode drong Layard bij de Pasha (gouverneur) aan op

‘(…) the importance of taking effective and immediate steps for my protection and for that of the Christians in general.’

Limburger koerier, 28-1-1938 (Delpher)
Limburger koerier, 28-1-1938 (Delpher)
Zoals gezegd is het lastig een beeld te krijgen van Petrie’s eigentijdse reputatie. Een tweetal elementen is echter wel relatief goed in kaart gebracht. De eerste heeft betrekking op Petrie’s jaarlijkse tentoonstellingen, die hij vaak voorzag van eigen commentaar. De tweede is Petrie’s associatie met, en geloof in, eugenetische theorieën. Eugenetica was een veld dat in het midden van de negentiende eeuw ontstond als geesteskind van Sir Francis Galton (1822-1911), een neef van Charles Darwin. Volgens Galton bezat elke menselijke raciale groep bepaalde fysieke en mentale eigenschappen die allemaal nauwkeurig gemeten konden worden. Op deze manier zou er een raciale hiërarchie kunnen worden vastgesteld die volgens Galton ook nog eens eens sterke invloed op de menselijke geschiedenis had gehad. In Galton’s logica zouden ‘superieure’ rassen namelijk in de loop van de geschiedenis ‘inferieure’ zijn gaan domineren en was dit proces ook in zijn eigen tijd nog aan de gang. Het zal weinig verbazing wekken dat hij de Britten hoog aansloeg binnen deze hierarchie. Petrie’s lidmaatschap van de British Constitution Association en Anti-Socialist Society waren gebaseerd op zijn geloof in eugenetica. Bovendien verzorgde Petrie lezingen en schreef hij populaire historische werken die de geschiedenis bekeken door een eugenetische lens. Eugenetica was dus een belangrijk onderdeel van de publieke Petrie.

Met wat goede wil is eugenetica zichtbaar in verschillende aspecten van Seventy Years. Allereerst benadrukt hij vaak de vernietiging die volgens hem werd veroorzaakt door zowel Egyptische roofgravers, als door zijn collega’s uit andere landen. Je zou zelf kunnen betogen dat de arrogantie die Petrie in zijn autobiografie uitstraalt een deel van zijn grondslag kent in eugenetica. Voorbeeld van deze arrogantie zijn de titelpagina, waarin hij al zijn eredoctoraten opsomt, en zinsnedes als:

‘(…) and a problem which had troubled scholars for half a century was settled.’

Francis Golton, grondlegger van de moderne eugenetica (1850)
Francis Golton, grondlegger van de moderne eugenetica (1850)
Tot slot is Petrie’s extreme houding tegenover de ‘domme’ lokale bevolking vrijwel zeker voor een aanzienlijk deel te koppelen aan zijn geloof in eugenetica. Hierbij moet wel vermeld worden dat hij nooit expliciet over eugenetica schreef. Zelfs Francis Galton komt slechts éénmaal voor in het werk en wordt dan simpelweg als vriend geïntroduceerd.

Ook over Wheeler bestaan nauwelijks wetenschappelijke artikelen, laat staan werken die gewijd zijn aan zijn imago. De Telegraaf schreef in 1956 over hem dat:

‘(…) de zelfbewuste, wereldwijze archeoloog met zijn fiere puntsnor (…) de vrouwenharten sneller [doet] staan (…)’ (dat dit inderdaad het geval was blijkt uit zijn vele huwelijken en posthume bijnaam ‘naughty Morty’).

Wat opvalt in zowel uitzendingen van Animal, Vegetable, Mineral? als in zijn necrologieën is de nadruk op zijn showmanschap en zijn militaire uitstraling. Beide aspecten van zijn imago passen natuurlijk perfect in de verhaalstructuren van de held-archeoloog en self-made archeoloog en tonen twee zaken: dat Wheeler al tijdens zijn leven zijn imago al bewust beïnvloedde en dat, in het geval van zijn necrologieën, zijn Still digging, waar beide eigenschappen een grote rol spelen, erg invloedrijk was.

Conclusie

Zoals de beroemdheden van nu in de vorm van social media een nieuwe manier hebben gekregen om hun imago te beïnvloeden, zo kregen Layard en zijn tijdgenoten een nieuwe vorm van autobiografie in de schoot geworpen om zich op hun manier aan een groot publiek te presenteren. De dominantie van deze nieuwe autobiografie is te zien aan het feit dat Petrie en Wheeler er ook nog graag gebruik van maken.

Dat Layard, Petrie en Wheeler in hun autobiografische self-fashioning minder vrij waren dan je op het eerste gezicht zou verwachten is duidelijk. Het best is dit zichtbaar in het feit dat hoewel ze vaak dezelfde, door publieke verwachtingen opgelegde, verhaalstructuren en -elementen gebruiken, ze dit alle drie op hun eigen manier doen. Vaak is de exacte invulling tegelijk toch ook deels ingegeven door de sociale context waarin ze leefden en werkten. Het meeste valt hierbij op dat ze hun autobiografie nergens gebruiken om hun imago expliciet te corrigeren. Misschien is dit tegelijk een waarschuwing als kans voor de hedendaagse beroemdheden en anderen die hun imago bij willen sturen met gebruik van social media: je hebt enige vrijheid in de manier waarop je je wil presenteren, maar bent bewust en onbewust tegelijk onderhevig aan sterke sociale controle.

~ Robin Hoeks

Meer archeologie

Lees verder

– Hoeks, Robin, ‘Archaeologists and autobiography: (self-)fashioning in the public autobiographical writings of Austen Henry Layard (1817 – 1894), William Flinders Petrie (1853 – 1942), and Mortimer Wheeler (1890 – 1976)’, 2016. (link).
– http://www.volkskrant.nl/media/zo-scoren-voetballers-ook-op-social-media~a4375276/.
– Layard, Austen Henry, Autobiography and letters from his childhood until his appointment as H.M. ambassador at Madrid (London, 1903; 2 Volumes).
– Flinders Petrie, William, Seventy years in archaeology (London, 1932).
– Wheeler, Mortimer, Still digging: interleaves from an Antiquary’s Notebook (London, 1955).
– Smith, Sidonie and Julia Watson, Reading Autobiography: A Guide for Interpreting Life Narratives (Minneapolis and London, 2010).
– Ascher, Robert, ‘Archaeology and the Public Image’, American Antiquity 25:3 (1960), 402–403.
– Silberman, Neil Asher, ‘Promised lands and chosen peoples: the politics and poetics of archaeological narrative’, in: – Laurajane Smith (ed.), Nationalism, Politics, and the Practice of Archaeology (Cambridge, 1995), 249–262.
– Duesterberg, Susanne, Popular receptions of archaeology: fictional and factual texts in 19th and early 20th century Britain (Bielefeld, 2015).
– Malley, Shawn, From Archaeology to Spectacle in Victorian Britain: the case of Assyria, 1845-1854 (Farnham, 2012).
– Silberman, Neil Asher, ‘Petrie’s Head: Eugenics and Near Eastern Archaeology’, in: Alice B. Kehoe and Mary Beth Emmerichs (eds.), Assembling the Past: studies in the professionalisation of archaeology (Albuquerque, 1999), 69–79.
– Moshenska, Gabriel and T. Schadla-Hall, ‘Mortimer Wheeler’s Theatre of the Past’, Public Archaeology 10:1 (2011), 46–55.
×