Hoe Amerikaanse druk leidde tot de overdracht van Nieuw-Guinea

Eindfase van de kwestie Nieuw-Guinea
8 minuten leestijd
Papoea Vrijwilligerskorps
Papoea Vrijwilligerskorps in opleiding, Manokwari (Nieuw-Guinea), 1962 (CC0 - Spaarnestad)
Derde aflevering in een serie over de laatste jaren van Nieuw-Guinea.

In het eerste deel van dit artikel kwam de ontstaansgeschiedenis van de kwestie Nieuw-Guinea aan de orde. In deel 2 is ingegaan op de escalatie van het conflict. Indonesië zocht na het mislukken van de onderhandelingen in Genève (1955-1956) de confrontatie. De Nederlandse bedrijven in Indonesië werden genationaliseerd en de Nederlanders het land uitgezet (eind 1957, begin 1958). Steeds vaker was er sprake van infiltraties van Indonesische militairen in Nieuw-Guinea. Het conflict dreigde uit de hand te lopen.

Verdere escalatie

Na het midden van de jaren vijftig was het doel van Nederland, maar ook van andere westerse landen, om de status quo in de koloniale gebieden te handhaven. Daarbij raakten de koloniale kwestie en de Koude Oorlog steeds nauwer met elkaar vervlochten. De kwestie Nieuw-Guinea was daar een duidelijk voorbeeld van.

Om zijn invloed in Indonesië te versterken leverde de Sovjet-Unie veel (ook zware) wapens aan het Indonesische leger; daarnaast trainden de Russen Indonesische soldaten om die wapens te gebruiken. Vanwege al die wapenleveranties waren Nederlandse militairen begrijpelijkerwijs bezorgd over de mogelijkheden om Nieuw-Guinea te verdedigen, dit mede gelet op de lange aanvoerlijnen vanuit Nederland en de onherbergzaamheid van het gebied.

Expeditie naar het Sterrengebergte
Expeditie naar het Sterrengebergte (Nieuw-Guinea), 1959 (RVD)

De Nederlandse regering probeerde zich als reactie op de Russische wapenleveranties te verzekeren van de steun van de Verenigde Staten. In oktober 1958 had minister van Buitenlandse Zaken Joseph Luns een gesprek met zijn Amerikaanse ambtgenoot John Forster Dulles. Luns kreeg toen een briefje van Dulles waarin de steun bij een gewapende inval van Indonesië in Nieuw-Guinea werd vastgelegd. Waarschijnlijk was dit een tamelijk vrijblijvende tekst, maar Luns deed het voorkomen alsof het ging om een harde garantie van de VS.

Joseph Luns komt aan op Schiphol, 1962
Joseph Luns komt aan op Schiphol, 1962 (CC0 – Harry Pot / Anefo)
In Nederland trad in 1959 het kabinet-De Quay (bestaande uit de KVP, de VVD en twee kleinere christelijke partijen) aan, met wederom Luns als minister van Buitenlandse Zaken. Deze regering was onverzoenlijk en strijdbaar tegenover Indonesië. Nieuw-Guinea zag ze vooral als een bastion tegen het communisme. Verder wilde de regering de ontwikkeling van Nieuw-Guinea versnellen; ze verklaarde dat de Papoea’s hun eigen politieke toekomst mochten bepalen.

Indonesië was intussen overgegaan tot meer militaire activiteit op Nieuw-Guinea: infiltraties van soldaten op de kusten en vanuit de lucht. Nederlandse militairen maakten, ook met hulp van Papoea’s, jacht op die infiltranten in het moeilijk toegankelijke gebied. Vanaf 1960 werden meer Nederlandse troepen naar Nieuw-Guinea gestuurd, evenals het vliegkampschip de Karel Doorman. De militaire inspanningen van Nederlandse zijde bleven echter beperkt, omdat de belangen in Europa prioriteit hadden.

Hr.Ms. Karel Doorman, ca. 1955
Hr.Ms. Karel Doorman, ca. 1955

In augustus 1960 verbrak Indonesië de diplomatieke banden met Nederland. Soekarno kondigde aan dat Nieuw-Guinea niet meer via onderhandelingen maar ‘op revolutionaire wijze’ zou worden bevrijd. Het conflict liep steeds verder uit de hand.

De laatste schermutselingen

Vanwege de toenemende militaire dreiging nam in Den Haag in het begin van de jaren zestig het aantal voorstanders van onderhandelingen met Indonesië toe. Ook de regering begon nu serieus na te denken over mogelijkheden om aan een verdere escalatie van het conflict te ontsnappen. In september 1961 bracht minister Luns in de Verenigde Naties een plan naar voren, gericht op de internationalisering van het bestuur over Nieuw-Guinea. Dat gebied zou dan een tijdlang bestuurd worden door een VN-organisatie (Nieuw-Guinea zou een trustgebied van de VN worden), waarna de Papoea’s zouden kunnen kiezen over de vraag hoe verder: bij Indonesië, zelfstandig, of aansluiting bij het oostelijke deel van het eiland. De Tweede Kamer stond vrij positief tegenover dit plan. Het kreeg echter geen meerderheid in de VN.

Postzegel uitgegeven t.g.v. de opening van de Nieuw-Guinea Raad, 1961 (CC0 – Spaarnestad)

In die jaren werden op Nieuw-Guinea allerlei maatregelen genomen om het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s verder vorm en inhoud te geven: een nieuwe vlag en een nieuw volkslied. In februari 1961 waren er verkiezingen voor de Nieuw-Guinea Raad, een parlement in wording; in april van dat jaar werd de Raad geïnstalleerd.

Half december 1961 gaf Soekarno het Indonesische volk de opdracht om de strijd om Nieuw-Guinea aan te gaan; kennelijk was het Indonesische leger door alle wapenleveranties nu voldoende toegerust. Vanaf begin 1962 verhevigden de infiltratiepogingen. Indonesië had zo’n 30.000 man aan troepen samengetrokken. Nederland kon daar zo’n 10.000 man tegenover zetten, ondersteund door schepen en vliegtuigen. De Nederlandse militairen werden verder bijgestaan door het in 1961 opgerichte Papoea Vrijwilligers Korps.

Op 15 januari 1962 vond de zogenoemde Slag bij Vlakke Hoek plaats; deze zeeslag voor de kust van Nieuw-Guinea werd een fiasco voor de Indonesiërs. Enkele Indonesische schepen die infiltranten aan land wilden zetten werden door de Nederlandse marine onderschept; één schip werd tot zinken gebracht. Maar de infiltraties gingen daarna door. De mogelijkheid dat het tot een ‘echte’ oorlog met Indonesië zou komen nam toe.

Embleem van het Papoea Vrijwilligers Korps
Embleem van het Papoea Vrijwilligers Korps (CC BY-SA 4.0 – Roger Veringmeier – wiki)
In januari 1961 was in de Verenigde Staten in de tussentijd een nieuwe president aangetreden, John F. Kennedy. Die zag Nieuw-Guinea als een van de belangrijke aandachtsgebieden voor zijn regering, met name omdat de VS naast Vietnam geen tweede groot conflict in Oost-Azië kon gebruiken. Kennedy vreesde dat het conflict om Nieuw-Guinea Indonesië in de armen van de Sovjet-Unie zou drijven, en dat wilde hij voorkomen.

De Indonesiërs hadden de finale aanval op Nieuw-Guinea gepland op half augustus 1962. Van de Indonesische aanvalsmacht maakten ook Russische onderzeeboten deel uit. Op 17 augustus – de dag waarop de Indonesische onafhankelijkheid wordt gevierd – zou Hollandia moeten worden bezet. De aanval vond echter nooit plaats omdat de Amerikanen ingrepen.

Naar een akkoord

Voor de Verenigde Staten was na de Slag bij Vlakke Hoek de maat vol. Onder Amerikaanse druk kwam het nu tot hernieuwde onderhandelingen tussen Nederland en Indonesië, waarbij de VS een bemiddelaarsrol vervulde. De Amerikaanse diplomaat Ellsworth Bunker zat de onderhandelingen voor. Na enige tijd kwam Bunker met een eigen plan. Hij stelde voor om na een kort tussenbestuur door de Verenigde Naties op 1 mei 1963 het bestuur over Nieuw-Guinea over te dragen aan Indonesië. In of voor 1969 zou een volksraadpleging worden georganiseerd – onder toezicht van de VN – waarbij de inheemse bevolking van Nieuw-Guinea kon stemmen over zelfbeschikking of aansluiting bij Indonesië. Uiteindelijk stemden Nederland en Indonesië in met dit plan. Op 15 augustus 1962 werd in New York het akkoord getekend.

Ellsworth Bunker (rechts) met de Indonesische president Soekarno tijdens een bezoek aan Jakarta, maart 1965
Ellsworth Bunker (rechts) met de Indonesische president Soekarno tijdens een bezoek aan Jakarta, maart 1965

Op 1 oktober 1962 begon het tijdelijke bestuur van de Verenigde Naties, van de United Nations Temporary Executive Authority (UNTEA). Daarmee kwam een einde aan ruim 350 jaar Nederlands kolonialisme in Azië. Enkele maanden later, op 1 mei 1963, namen de Indonesiërs het bestuur over.

In 1969 werd in Nieuw-Guinea volgens een getrapt stelsel een volksraadpleging gehouden; de feitelijke stem werd uitgebracht door ruim duizend stam- en dorpshoofden. Bij die stemming was het Indonesische leger nadrukkelijk – en waarschijnlijk nogal intimiderend – aanwezig; toch werd die door de Verenigde Naties goedgekeurd. Het resultaat was dat ingestemd werd met integratie in Indonesië, waarvan Nieuw-Guinea – als de provincie Papoea – ook nu nog deel uitmaakt.

Na de machtsoverdracht is het land een wingewest voor Indonesië geworden; het verzet van de Papoea’s tegen deze ontwikkeling flakkert nog steeds zo nu en dan op.

Tot slot

Na de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië (eind 1949) bleef Nederland vasthouden aan Nieuw-Guinea. Dit betekende de start van een nieuw koloniaal avontuur op dat onherbergzame eiland. Het land bood economische mogelijkheden (er werden delfstoffen vermoed), maar daarnaast waren er politieke kansen, zeker na het begin van de Koude Oorlog. Ook andere westerse landen begonnen in het begin van de jaren vijftig in Azië en Afrika aan een koloniale doorstart. Nederland stond dus zeker niet alleen.

De Indonesische regering van haar kant wilde het bestuur over Nieuw-Guinea zo snel mogelijk overnemen; in haar ogen was Nieuw-Guinea een onlosmakelijk deel van Indonesië. In de loop van de jaren liep de spanning tussen Nederland en Indonesië steeds verder op; onderhandelingen mislukten en Indonesische militairen infiltreerden in Nieuw-Guinea. Rond 1962 dreigde een grootscheepse oorlog, totdat de Verenigde Staten ingrepen en beide partijen dwong terug te keren naar de onderhandelingstafel.

Hoe werd later teruggekeken op de kwestie Nieuw-Guinea? En waarom bleef Nederland zo lang vasthouden aan dat gebied?

De politicoloog Arend Lijphart schreef in 1966 het boek The trauma of decolonization over het conflict om Nieuw-Guinea. Volgens hem hield Nederland zo krampachtig vast aan Nieuw-Guinea vanuit gevoelens van ressentiment en frustratie over het verlies van Indonesië. Nieuw-Guinea was de troostprijs; zo kon Nederland nog iets van zijn oude koloniale status behouden, én kon ze zich afzetten tegen de zo gehate Soekarno. Het verlies van Indonesië was in de ogen van Lijphart zo ‘traumatisch’ dat Nederland daarna niet meer in staat was tot een zakelijke afweging, tot een reële kosten-baten analyse. Emoties speelden dus volgens Lijphart bij het vasthouden aan Nieuw-Guinea een grote rol, groter dan belangen.

Patrouille van mariniers in Nieuw-Guinea (Rijksvoorlichtingsdienst)

Jarenlang was deze stelling van Lijphart hét antwoord op de vraag waarom Nederland zolang bleef vasthouden aan Nieuw-Guinea. Toch kwam er langzamerhand steeds meer kritiek. Volgens de historicus Bart Stol, die in 2017 promoveerde op de kwestie Nieuw-Guinea, klopt het verhaal van Lijphart niet. Natuurlijk speelden emoties een rol en was Nieuw-Guinea een ‘doekje voor het bloeden’. Maar zakelijke belangenafwegingen waren volgens Stol wel degelijk leidend bij de politieke besluitvorming inzake Nieuw-Guinea. Nederland wilde een belangrijke rol spelen bij de ontwikkeling van Nieuw-Guinea, en daarmee in Melanesië. Voor zo’n rol was er steun bij andere Europese koloniale mogendheden (zoals Groot-Brittannië en Frankrijk), alsmede bij de Verenigde Staten en Australië. Daarbij was ook van belang dat deze landen bang waren dat Indonesië in het Sovjetkamp terecht zou komen; het waren immers de jaren van de Koude Oorlog. Eind 1961, begin 1962 kwam de ommekeer. Toen gingen de bondgenoten een andere koers varen, de VS voorop. Maar ook in Nederland begon men toen steeds meer te twijfelen aan de mogelijkheid om vast te blijven houden aan Nieuw-Guinea.

Het boek van Pieter de Geus
Het boek van Pieter de Geus
Volgens mij biedt Stol een plausibele verklaring voor de vraag waarom Nederland zo lang vasthield aan Nieuw-Guinea. De regering liet zich niet louter door emoties leiden, maar er vond een rationele afweging plaats. Het behoud van de Nederlandse positie in Zuidoost Azië woog zwaar, alsmede de (paternalistische) wens om Nieuw-Guinea tot ontwikkeling te brengen en de Papoea’s ‘op te voeden’ tot zelfbeschikking.

De vraag is echter of de Nederlandse economische belangen in Indonesië toen voldoende zijn meegewogen. Na 1957 werden de economische banden tussen Nederland en Indonesië volledig verbroken, dit in tegenstellingen tot de banden tussen Frankrijk en Groot-Brittannië en hun voormalige kolonies. Dat leidde volgens de econoom (en voormalig minister van Defensie) Pieter de Geus, die een boek schreef over de kwestie Nieuw-Guinea, op de korte en de langere termijn tot flinke schade voor de Nederlandse economie. Het bedrijfsleven had de regering vele malen gewaarschuwd, maar daar werd geen of onvoldoende rekening mee gehouden.

Zo bleef Nederland in 1962 met lege handen achter.

Bronnen

– Arend Lijphart, The trauma of decolonization. The Dutch and West New Guinea (New Haven en Londen, 1966).
– P.B.R. de Geus, De Nieuw-Guinea kwestie. Aspecten van buitenlandse beleid en militaire macht (Leiden 1984).
– John Jansen van Galen, Ons laatste oorlogje. Nieuw-Guinea: de Pax Neerlandica, de diplomatieke kruistocht en de vervlogen droom van een Papoea-natie (Amsterdam 1984).
– Bart Stol, ‘Een goede kleine koloniale mogendheid’. Nederland, Nieuw-Guinea en de Europese tweede koloniale bezetting in Afrika en Melanesië (ca. 1930-1962) (Utrecht 2017).
– Karel Davids, Een laatkoloniaal experiment. Hollandia, Nieuw-Guinea, 1944-1962 (Zutphen 2024).

Jan de Vetten is historicus, afgestudeerd in Leiden in 1981. In 2016 promoveerde hij in Leiden op zijn proefschrift: In de ban van goed en fout. De bestrijding van de Centrumpartij en de Centrumdemocraten (1980-1998). Het boek is uitgegeven bij Prometheus, Amsterdam. Momenteel doet hij onderzoek naar de omgang met en bestrijding van links- en rechts-radicale partijen.

Reageer

Abonneer
Stuur mij een e-mail bij
guest
2000
0 Reacties
Oudste
Nieuwste Meest gestemd
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties

Gratis geschiedenismagazine

Ontvang, net als ruim 55.000 anderen, iedere week de gratis nieuwsbrief van Historiek:
0
Reageren?x
×