Kinderen van communistische verzetsstrijders in naoorlogs Nederland

Mama las Marx – Elke Weesjes
//
14 minuten leestijd
'Gelijk loon voor gelijke arbeid' en 'Vrede': Vredesdemonstratie Nederlandse Vrouwenbeweging, Amsterdam, maart 1949. (Foto: Ben van Meerendonk /AHF, collectie IISG)
'Gelijk loon voor gelijke arbeid' en 'Vrede': Vredesdemonstratie Nederlandse Vrouwenbeweging, Amsterdam, maart 1949. (Foto: Ben van Meerendonk /AHF, collectie IISG) Uit: Mama las Marx
De rol van communisten in het verzet was onmiskenbaar en zeer intensief en deze betrokkenheid ging gepaard met enorme risico’s. Veel verzetsstrijders zijn tijdens de oorlog opgepakt en hiervan werden er 1002 vermoord. Degenen die kampen en gevangenissen hadden overleefd, kwamen doorgaans mentaal en fysiek gebroken terug. De CPN profiteerde van de heldhaftige verzetsdaden van haar leden; de partij had direct na de oorlog maar liefst 50.000 leden en 300.000 Waarheid-abonnees, en behaalde bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1946 ruim 10 procent van de stemmen. Deze populariteit was van zeer korte duur. Onder invloed van de Koude Oorlog werden communisten in razend tempo van verzetshelden gedegradeerd tot vijfde colonne. Deze omslag was moeilijk te bevatten, zeker voor kinderen van communisten.
Mama las Marx - Elke Weesjes
Mama las Marx – Elke Weesjes

Jarenlang interviewde historicus Elke Weesjes mannen en vrouwen die tijdens de Koude Oorlog opgroeiden in communistische gezinnen: mensen wier leven werd gevormd door de communistische levensbeschouwing en de discriminatie die communisten ten deel viel. In haar recent verschenen boek Mama las Marx kijkt Weesjes naar hun positie op school, in de wijk en heel het land, en wordt ook aandacht besteed aan onderwerpen als opvoeding, vrijetijdsbesteding, aspiraties, seksuele voorlichting en de positie van de vrouw. Communistische ouders lieten hun kinderen op vele vlakken vrij. Toch sloot het merendeel zich aan bij communistische organisaties en bleven ze vaak lid van deze organisaties, hoewel hun betrokkenheid bij en geloof in het communisme al tanende was. Zij voelden een morele druk om de politieke fakkel hoog te houden en deze door te geven omdat communistische verzetsstrijders tijdens de Tweede Wereldoorlog zoveel offers hadden gebracht en de beweging waar die verzetsstrijders toe behoord hadden tijdens de Koude Oorlog zo verguisd werd. Op Historiek publiceren we een fragment uit het hoofdstuk ‘Van helden naar schurken’ waarin de invloed van de Koude Oorlog op de erfenis van het Nederlandse communistische verzet wordt beschreven vanuit het perspectief van kinderen van verzetsstrijders.


Een muur van stilte

Toen mijn moeder en een aantal andere communistische verzetsstrijders die ook in Duitse gevangenschap hadden gezeten met de trein via Frankrijk terug naar Nederland kwamen, werden ze bij de grens in Brabant bekogeld en voor vieze communisten uitgemaakt. Dit was net na mei 1945. En daar vertelde ze met enorme verontwaardiging over. Die trein ging uiteindelijk door naar Amsterdam, waar de groep zou worden opgevangen door een welkomstcomité. Maar die stond er niet. Er was niemand die hen opving of hun hulp aanbood. Ze werden gewoon op Centraal uit de trein gezet. Mijn moeder had helemaal niets. Geen plek om naar terug te gaan.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was de moeder van Janny actief in het communistisch verzet. Ze werd in 1943 opgepakt en gedeporteerd naar Kamp Vught, een concentratiekamp net buiten ’s-Hertogenbosch. Daar ontmoette zij Janny’s latere vader, die ook lid van het communistisch verzet was. Na Vught werd Janny’s vader naar Dachau gedeporteerd en haar moeder heeft de rest van de oorlog in verschillende Duitse gevangenissen doorgebracht. Beiden overleefden hun gevangenschap en werden in Amsterdam met elkaar herenigd. Ze konden zich geen huis veroorloven en vonden tijdelijk onderdak bij de broer van Janny’s moeder. Hier woonden ze tot 1947. Het anticommunistische sentiment waar Janny’s moeder op stuitte in het katholieke zuiden was zo oud als het communisme zelf. Toch was ze niet voorbereid op deze vijandige ontvangst aan de Nederlandse grens. Zeker niet na alles wat ze had doorstaan tijdens de oorlog.

‘Johan en zijn zusje lagen bovenop De Waarheid in de kinderwagen’

Het was ook een verwarrende en moeilijke tijd voor kinderen van communistische verzetsstrijders. Zij konden niet begrijpen dat de maatschappij de verzetsactiviteiten van hun ouders bagatelliseerde, terwijl zij thuis bijna dagelijks met het oorlogstrauma van hun ouders geconfronteerd werden. Dit trauma werd niet uitgesproken, maar was niettemin voelbaar. Ouders spraken vaak hartstochtelijk over de collectieve strijd van de communistische beweging tegen de nazi’s, maar waren doorgaans stil als het ging om persoonlijke oorlogservaringen en bijbehorende emoties. Wanneer kinderen op deze muur van stilte stuitten, waren zij zich ervan bewust dat er iets vreselijks was gebeurd, maar voelden ook aan dat het beter was om niet naar specifieke details te vragen. Ze groeiden op met veel vragen en heel weinig antwoorden.

Het niet weten wat er met een ouder tijdens de oorlog was gebeurd had net zo’n grote invloed op kinderen als het wel weten. Uit de interviews blijkt dat sommige ouders hun kinderen wilden beschermen, terwijl andere het gewoon te pijnlijk en traumatiserend vonden om het verleden opnieuw te beleven. Ze deelden meestal het absolute minimum met hun kinderen, zoals het feit dat ze in een concentratiekamp hadden gezeten of een geliefde of kameraad hadden verloren.

De Waarheid, 8 juli 1948 - Bron: Delpher
De Waarheid, 8 juli 1948 – Bron: Delpher

De meeste mensen die ik interviewde hadden ouders, grootouders en/of tantes en ooms die actief waren geweest in het communistische verzet. Velen werden gearresteerd en gedeporteerd. Sommigen kwamen terug, anderen niet. De ouders van Johan waren beiden actief in het verzet. Zijn vader was een van de drie leiders van een belangrijke verzetsgroep in Amsterdam-Noord, en was verantwoordelijk voor propaganda en het produceren van De Waarheid. Zijn moeder was koerierster en verspreidde de illegale krant. Johan en zijn zusje lagen bovenop De Waarheid in de kinderwagen.

De oom van Johan, ook een communist, was betrokken geweest bij de organisatie van de Februaristaking en werd in 1942 gearresteerd en geëxecuteerd door de Duitsers. Johan werd een paar maanden later geboren en zijn ouders besloten hem naar zijn oom te vernoemen. Een opmerkelijke keuze aangezien zijn ouders het niet eens konden verdragen een foto van Johans oom in huis te hebben. Johan legde uit dat zijn vader zich altijd verantwoordelijk had gevoeld voor de dood van zijn broer, omdat hij zijn broer had gerekruteerd voor de partij. Praten over de oorlog was daarom bijzonder pijnlijk, herinnert Johan zich, en gebeurde slechts sporadisch:

Mijn ouders hadden op hun slaapkamer een lijst hangen met een foto van het monument op de Oosterbegraafplaats. Dat is gewijd aan communistische verzetsstrijders, onder wie mijn oom, mijn vaders broer. Dat was een directe referentie. Maar over de oorlog werd weinig gesproken. Je was er ook niet op uit om daar verhalen over te horen. Af en toe kwam er ineens een verhaal los, wat dan een beetje ging over zijn broer. En ook wel over mensen met wie ze in de oorlog samengewerkt hadden.

Hoewel communistische verzetsstrijders liever spraken over het aandeel van de communistische beweging in het nationale verzet in plaats van hun persoonlijke ervaringen in de oorlog, begonnen ze aan het eind van hun leven toch het een en ander te delen met hun kinderen. Zo wist Max bijvoorbeeld dat zijn Joodse moeder en niet-Joodse vader allebei in het verzet hadden gezeten en verliezen hadden geleden. Hij wist niet wat er precies gebeurd was, totdat zijn vader hem in 2002 het volgende verhaal vertelde:

Op zijn verjaardag, toen mijn vader thuis in Drenthe was en al actief was in het verzet, werd er een inval gedaan door de SS. Mijn vader en mijn opa waren toevallig buiten toen de moffen eraan kwamen. Ze zijn samen gevlucht. Zijn zussen, die wel thuis waren, hebben de moffen niets kunnen vertellen. Er was in de oorlog een code: ik weet dat jij in het verzet zit, en jij weet dat ik in het verzet zit, maar we weten absoluut niet van elkaar wat we doen en gedaan hebben. Ze hebben desondanks mijn tantes gemarteld om informatie los te krijgen. Mijn ene tante werd in haar buik geschopt en raakte hierdoor ernstig gewond. Ze is jarenlang onder doktersbehandeling geweest en uiteindelijk is zij overleden in de jaren zeventig. Mijn andere tante was getraumatiseerd en heeft hiervoor in behandeling gezeten.

Van zijn moeders verzetsverleden wist hij het volgende:

Mijn moeder zat in het communistische verzet. Ze heeft geholpen met het typen en de distributie van De Waarheid en deed dit werk vanuit verschillende onderduikadressen in Amsterdam. Haar activiteiten hebben er indirect toe geleid dat haar zuster Anna werd gearresteerd. Bij toeval deed Anna, die ondergedoken zat in Amsterdam, een klus voor mijn moeder en toen is ze opgepakt. Dat was natuurlijk afschuwelijk voor mijn moeder. Haar andere zuster, Iris, is ook opgepakt, en beide zusters zijn op transport gezet, naar Midden-Europa, zoals dat toen heette. Zij zijn beiden vergast in Auschwitz. Er zijn weinig details bekend, maar ik heb wel gehoord dat Anna nog als administratief medewerkster heeft gewerkt in het kamp. Naarmate mijn moeder ouder werd, is ze steeds meer gaan praten over haar zusters en ik heb hen via haar verhalen een beetje leren kennen.

In de jaren tachtig stelde Max een aantal keren aan zijn moeder voor om haar oude buurt in Betondorp in het oosten van Amsterdam te bezoeken. Maar zij wilde haar ouderlijk huis niet zien en Max vond het ongepast om dit te forceren. Tot zijn verrassing stemde zijn moeder op een gegeven moment toch in. Toen Max en zijn moeder haar oude straat naderden, werd de pijn haar te veel en vroeg ze haar zoon om haar terug te brengen. ‘De wond is nooit geheeld’, zegt Max.

‘Als de persoon in kwestie communistische sympathieën had en bijvoorbeeld De Waarheid las, werd zijn of haar verzoek afgewezen op grond van gebrek aan vaderlandsliefde’

De moeder van Max had, net als andere verzetsmensen, recht op een speciaal pensioen van de Nederlandse regering. In 1947 werd de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 aangenomen. Deze wet voorziet in pensioenen voor de nabestaanden van omgekomen deelnemers aan het verzet in Nederland en voor verzetsmensen die als gevolg van hun deelname aan het verzet in Nederland invalide zijn geworden. Hoewel de familie heel weinig geld had, weigerde Max’ moeder dit verzetspensioen aan te vragen omdat ze niet betaald wilde worden voor haar werk in het verzet. ‘Ze had niet het gevoel dat haar iets verschuldigd was’, vertelt Max. Uiteindelijk, in de jaren tachtig, wist Max’ vader haar over te halen de aanvraag in te vullen. Het proces dat daarmee gepaard ging was erg moeilijk, vernederend en traumatiserend, herinnert Max zich:

‘Ze is toen echt door een hel gegaan. Er waren mensen die niet voor haar wilden getuigen. Het was bij elkaar een hele lastige en pijnlijke tijd voor haar. Ze vond het zo moeilijk om over het verleden te praten.’

De moeder van Max moest dit pensioen aanvragen via de Stichting 1940-1945, een in 1945 opgerichte organisatie die diensten verleent aan verzetslieden en hun familieleden. Door de Koude Oorlog en de veranderende opvattingen over de rol die communisten in het verzet hadden gespeeld, werden deze pensioenen eind jaren veertig een bron van conflicten, schrijft Jos van Dijk in Ondanks hun dappere rol in het verzet (2016). Zo werden bepaalde verzetskranten tijdens de Koude Oorlog bestempeld als communistisch en kwamen degenen die betrokken waren geweest bij de productie en verspreiding van deze kranten en daarmee hun leven hadden geriskeerd niet in aanmerking voor een pensioen. Als de verzetslieden in kwestie waren gesneuveld, kregen hun nabestaanden geen financiële bijstand. Dit onrecht werd uiteindelijk in de jaren vijftig rechtgezet.

Bijeenkomst CPN-Vrouwen in een partijkantoor
Bijeenkomst CPN-Vrouwen in een partijkantoor, met affiches van Lenin en de Waarheid filmdienst voor De belofte (Pitsi, USSR, 1946): nieuw Russisch filmwerk van Mikheil Chiaureli, Amsterdam, 30 januari 1948. (Foto: Ben van Meerendonk /AHF, collectie IISG) Uit: Mama las Marx

Een andere kwestie was die van het staatsburgerschap. Alleen mensen die tijdens de Duitse bezetting Nederlands staatsburger waren, kwamen in aanmerking voor verzetspensioenen. Nu hadden zo’n 600 Nederlanders, veelal communisten, zich in 1936 bij de Internationale Brigades aangesloten om het fascisme in Spanje te bestrijden. Door voor een vreemde staat te vechten, hadden zij – en in gevallen waarin zij gehuwd waren hun echtgenoten – het Nederlandse staatsburgerschap verloren. Velen van hen waren na terugkomst in eigen land blijven strijden tegen het fascisme en sloten zich na 1940 aan bij het communistisch verzet. Vergeleken met andere verzetslieden liepen Spanjestrijders een veel groter risico gearresteerd te worden omdat hun namen op de lijst van subversieve elementen stonden en die was in handen gevallen van de nazi’s. Veel mensen die op deze lijst stonden zijn opgepakt en gedeporteerd. Degenen die de oorlog overleefden, probeerden na afloop hun Nederlanderschap terug te krijgen. In de periode 1945-1949 slaagden 94 Spanjestrijders hierin door middel van een ‘renaturalisatieproces’. Na 1949 werd dit proces onder invloed van de Koude Oorlog veel moeilijker, omdat degenen die renaturalisatie aanvroegen hun politieke gezindheid moesten aangeven. Als de persoon in kwestie communistische sympathieën had en bijvoorbeeld De Waarheid las, werd zijn of haar verzoek afgewezen op grond van gebrek aan vaderlandsliefde. Zij kregen te horen dat hun loyaliteit elders lag en dat het daarom niet waarschijnlijk was dat zij voor het vaderland zouden vechten mocht dit nodig zijn.

Embleem gebruikt door de CPN tussen 1947 en 1949
Embleem gebruikt door de CPN tussen 1947 en 1949
Wat het gevoel van onrecht nog onverdraaglijker maakte was dat vier jaar later een wet werd ingevoerd die het collaborateurs en oud-SS’ers die na de oorlog hun staatsburgerschap hadden verloren mogelijk maakte dit collectief terug te krijgen. Communisten daarentegen moesten tot in de jaren zestig individueel een aanvraag indienen, en hun verzoeken werden nog steeds afgewezen als ze een abonnement op De Waarheid hadden of een CPN-poster voor het raam hadden hangen rond verkiezingstijd.

Deze onrechtvaardigheden versterkten oorlogstrauma’s en maakten het bijna onmogelijk voor communisten om persoonlijke verliezen te verwerken. Zij konden niet begrijpen hoe een samenleving in zo’n korte tijd zo drastisch kon veranderen. Deze ontwikkelingen versterkten het ‘wij tegen de wereld’-gevoel onder communisten en hun geloof in de communistische ideologie. In sommige gevallen, zoals bij de stiefvader van Piet, zorgde dit gevoel voor problemen:

Mijn stiefvader schoot na de oorlog als een soort katapult weg. Hij wilde wat inhalen. Hij heeft vlak na de oorlog bij het Algemeen Nederlands Persbureau gewerkt, maar daar werd hij ontslagen omdat hij tijdens de politionele acties in Indonesië van ‘vrijheidsstrijders’ sprak in plaats van ‘rebellen.’ Hij kwam altijd voor zijn mening uit en dat botste. Dat begon toen al. Hij was een fervent propagandist voor Russische films en kwam na de ANP bij de Filmkeuring terecht. Daar vond hij Amerikaanse films allemaal propaganda. Russische films niet natuurlijk. Typisch zo iemand bij wie een onwrikbare overtuiging heeft postgevat tijdens de oorlogsjaren. Je moet ook niet vergeten dat zijn moeder is omgekomen in een kamp. Dat heeft hij nooit verteld. Pas bij het opruimen van het huis kwamen wij een map tegen waaruit dat bleek.

Piets stiefvader, een Joodse communist, vluchtte tijdens de oorlog van Amsterdam naar Den Haag. Zijn zus werkte bij de Joodse Raad en heeft van hen tweeën de kaarten uit de bak gelicht. Zij zorgde ook voor een andere naam voor haar broer en een vals persoonsbewijs. Beiden overleefden de oorlog, maar de familie leed enorme verliezen. Volgens de biografie van zijn zus kwamen negen familieleden om bij bombardementen en werden er 24, inclusief hun moeder, in Duitse vernietigings- en concentratiekampen vermoord.

Volgens Piet was zijn stiefvader heel erg dubbel: hij zocht erkenning en promoveerde eind jaren veertig als psycholoog, maar keek neer op alles wat maar met de bourgeoisie te maken had. Het communisme vormde voor zijn stiefvader een houvast, een overlevingsstrategie:

Aan de ene kant vond hij het allemaal maar strooplikkers. Aan de andere kant wilde hij er eigenlijk wel graag bij horen, maar zonder zijn communistische overtuiging te verraden. Hij was een straatschoffie maar ook een uitgesproken intellectueel. Soms met een hele goede visie op dingen, maar vaak ook wel weer heel naïef. Alles maar geloven wat uit moedertje Rusland kwam. Het verlangen naar een geloof, het idee dat er toch, na het nazisme, na de Jodenvervolging, érgens een rechtvaardige maatschappij moest zijn. Een aards paradijs.

De Hongaarse furie

Relletjes op de Keizersgracht bij het redactiekantoor van De Waarheid n.a.v. de Hongaarse Opstand, 5 november 1956 (CC0 - Anefo - Daan Noske - wiki)
Relletjes op de Keizersgracht bij het redactiekantoor van De Waarheid n.a.v. de Hongaarse Opstand, 5 november 1956 (CC0 – Anefo – Daan Noske – wiki)
De verguizing van communisten bereikte een hoogtepunt in november 1956, toen Hongarije in opstand kwam tegen de overheersing door de Sovjet-Unie. Op 4 november vielen Sovjettanks de Hongaarse hoofdstad binnen en sloegen daar de opstand bloedig neer. Nederlanders, geschrokken van de verslagen uit Boedapest, identificeerden zich onmiddellijk met de Hongaren die, net als zijzelf in de Tweede Wereldoorlog, vertrapt werden door een totalitaire agressor. De CPN had een andere kijk op de ontwikkelingen in Hongarije – dat tot 1944 een trouwe bondgenoot van nazi-Duitsland was geweest – en noemde de opstand een reactionaire, fascistische putsch. Deze tegendraadse opvatting wakkerde het anticommunisme onder het Nederlandse volk verder aan. In verschillende steden vielen woedende betogers partijgebouwen en huizen van bekende communisten aan. In Amsterdam moest vooral Felix Meritis, het hoofkwartier van de CPN, het ontgelden. Het pand werd op de avond van 4 november urenlang belegerd door een uitzinnige menigte terwijl de politie werkeloos toekeek. Vrijwel alle ruiten sneuvelden en betogers gooiden brandende lappen door de kapotte ruiten naar binnen. Tientallen mensen raakten gewond. De ‘Hongaarse furie’, zoals deze uitbarsting van anticommunisme genoemd werd in de communistische pers, ging nog enkele dagen door. Communisten hadden zich, gewapend met honkbalknuppels, messen en ijzeren pijpen, verschanst in de gebouwen van de CPN en probeerden deze zo goed en zo kwaad mogelijk te verdedigen.

In de verhalen van de mensen die ik interviewde, komt dit beeld van de heldhaftige communist ook terug. Vaders, maar soms ook de kinderen zelf, rukten uit om communistisch eigendom te verdedigen. Op een enkeling na omschrijft iedereen deze periode als angstaanjagend en aangrijpend. De familie van Anna moest onderduiken uit angst voor geweld:

Die Hongarijetoestand. Wij woonden toen achter de Heemraadssingel [in Rotterdam] waar het partijgebouw stond. Daar hebben zich toen mensen van de CPN verschanst. Mijn vader was daar ook bij. Door mijn moeder was mij natuurlijk verboden om naar de Heemraadssingel te gaan, want daar stonden duizenden mensen voor de deur. Ik zat op school, in een zijstraat van de Heemraadssingel. Natuurlijk ging ik tussen de middag toch naar de Heemraadssingel. Daar stonden mensen met stenen, het gebouw werd bekogeld. ‘Daar loopt dat communistenjong!’ werd er ineens geschreeuwd. Dat is het enige moment dat ik bang was, dat volwassenen mij als elfjarige achterna kwamen met stenen. Er waren ook volwassenen bij die zeiden: ‘Daar kan dat kind niks aan doen’, en ‘laat dat kind met rust’.

Anna zegt dat ze met het hart in de keel naar huis was gerend waar ze haar ouders vertelde wat er net was gebeurd. Haar ouders lichtten op hun beurt de partij in, die meteen stappen ondernam:

Het werd vanuit de CPN geregeld dat wij een paar dagen ons huis uit moesten. Het was veel te gevaarlijk. Als ze er lucht van zouden krijgen dat wij daar op die hoek woonden, zouden wij niet veilig meer zijn. Dus toen zijn wij met de tram naar mijn grootouders gegaan en hebben we daar een paar dagen geslapen. Ik zie mijn opa nog staan met zo’n grote honkbalknuppel: zie maar eens dat je bij mij de trap op komt. Dat is eigenlijk het enige moment dat ik me herinner waarop ik werkelijk in het gedrang kwam.

Kinderen die buiten de grote steden woonden liepen ook gevaar. Annette woonde in Krommenie en terwijl haar vader het districtsgebouw in Zaandam aan het verdedigen was, ging er bij haar thuis een steen door het raam. ‘Toen zaten wij bibberend rond de tafel.’ Het feit dat haar vader zijn gezin zomaar onbeschermd achtergelaten had werd hem niet in dank afgenomen. ‘Mijn moeder was boos dat mijn vader naar het partijgebouw ging en ons in de steek had gelaten. Zij was helemaal klaar met de partij.’ Toch bleef de moeder van Annette lid van de CPN. Zij begreep dat solidariteit belangrijk was om in zo’n vijandige omgeving te overleven. Interne ruzies en onenigheden werden terzijde geschoven ten gunste van de eenheid. Als zodanig versterkte ‘Hongarije’ zowel de interne cohesie van de communistische beweging als het sociaal isolement waar communistische families in verkeerden.

Beschadigd gebouw van dagblad De Waarheid in Rotterdam, 1956
Beschadigd gebouw van dagblad De Waarheid in Rotterdam, 1956 (CC0 – Ary Groeneveld – Stadsarchief Rotterdam – wiki)

De uitbarsting van het anticommunisme was zowel in fanatisme als in duur begrensd, maar het wantrouwen en de afkeer van het Nederlandse publiek jegens de communisten bleef tot in de jaren zeventig bestaan. Het was een verwarrende tijd voor kinderen van communisten. Deelnemers konden de abrupte omslag die plaatsvond in naoorlogs Nederland, waar nationale verzetshelden ineens werden bestempeld als staatsvijanden, maar moeilijk bevatten. Hoewel communisten het oorlogsverleden van de beweging in leven hielden, verdwenen persoonlijke oorlogservaringen vaak in de doofpot. Kinderen konden alleen maar raden naar details, maar waren zich ervan bewust dat hun ouders vreselijke dingen hadden meegemaakt. In de beslotenheid van hun huis waren zij getuige van de pijn, het schuldgevoel, de angst en het verdriet van hun ouders, terwijl zij op straat en in de pers werden blootgesteld aan een diepgewortelde haat tegen communisten. De gebeurtenissen van 1956 in combinatie met het oorlogsverleden van hun ouders zouden uiteindelijk ten grondslag komen te liggen aan hun identiteit en de toekomstige keuzes bepalen wat betreft hun eigen politieke bewustwording en activiteiten in de communistische beweging.

~ Elke Weesjes

Boek: Mama las Marx – Elke Weesjes

Bekijk dit boek bij:

Bekijk dit boek bij Historiek Geschiedenisboeken

Elke Weesjes is gespecialiseerd in de geschiedenis van radicale bewegingen en werkt aan de City University of New York. In 2021 verscheen haar boek Mama las Marx bij Walburg Pers.