Bol.com AlgemeenBol.com Algemeen

Kleding in de zestiende eeuw (III) – Voor de vrouw

Gehoorzaamheid, deugdzaamheid en bescheidenheid waren de deugden van de vrouw in de zestiende eeuw. Ondanks dat het humanisme vrouwen een tot dan toe ongehoorde mogelijkheid bood zich persoonlijk te ontwikkelen, hield de vrouwenmode vrijwel gelijke tred met die van de man.

Hemd

De vrouw bedekte het naakte lichaam en de armen met een hemd. Het had dezelfde vorm en snit als een mannenhemd. Bij edele vrouwen, werd het voorpand rijkelijk versierd met borduursel. Het was zichtbaar onder de laag uitgesneden bovenkleding. Van de lange mouwen ziet men in het begin van de zestiende eeuw weinig. Later worden zij, zoals bij de man, onder de mouwen van de bovenkleding tevoorschijn getrokken. Aan het eind van de zestiende eeuw ging men de manchetten voorzien van plooisel in overeenstemming met de plooikraag die in de mode kwam.

Kousen

Waarschijnlijk droegen vrouwen kousen, net als mannen. Op schilderijen is er zelden iets van te zien onder de bovenkleding.

Halsdoek en plooikraag

Zwarte of witte doeken werden om de hals gedragen, boven het hemd. De halsdoek werd in de tweede helft van de zestiende eeuw belangrijker. Ze bedekte het bovengedeelte van de rug, de borsten en de hals. De kraag werd op een gegeven moment niet meer aan het hemd, maar aan de halsdoek gesneden. De plooien van deze kraag werden steeds groter. Vanaf 1570 werd de kraag een apart kledingstuk en ontstond de plooikraag.

- advertentie -

Onderrock of onderkeurs

Portret van een onbekende vrouw – Jan Jansz Mostaert, ca. 1525 (Publiek Domein - Rijksmuseum - wiki) Onbekende vrouw met rood/oranje onderrock waarvan de hals vierkant is uitgesneden. De tabbaard heeft wijde omgeslagen mouwen met bontvoering. Het haar is in het midden gescheiden, waarna het achter de oren is gelegd. Onder haar lange dunne witte hoofddoek zijn een templet en ondermutsje te zien.
Portret van een onbekende vrouw – Jan Jansz Mostaert, ca. 1525 (Publiek Domein – Rijksmuseum – wiki) Onbekende vrouw met rood/oranje onderrock waarvan de hals vierkant is uitgesneden. De tabbaard heeft wijde omgeslagen mouwen met bontvoering. Het haar is in het midden gescheiden, waarna het achter de oren is gelegd. Onder haar lange dunne witte hoofddoek zijn een templet en ondermutsje te zien.
Over het hemd, maar onder het overkleed droeg de vrouw een onderrock. Ze omhulde het lichaam van hals tot tenen. Het lijfje was aangesloten, de hals was meestal rechthoekig uitgesneden. De (soms losse) mouwen waren aansluitend en kwamen eventueel onder het opperkleed uit. De onderrock werd met een rijgsnoer dichtgeregen. In de zomer werd de onderrock als bovenkleding gedragen. In de tweede helft van de zestiende eeuw zouden de rok en het lijfje losse kledingstukken worden.

Borstlap

Onder de onderrock maar over het hemd droeg de vrouw een borstlap, die met het rijgsnoer van de onderrock op haar plaats werd gehouden. Deze doek diende waarschijnlijk als een bustehouder avant la lettre.

Tabbaard

Over de onderrock droeg men een tweede gewaad, de tabbaard, welke wij nu een lange jurk of japon zouden noemen. Het is dus een ander kledingstuk dan de tabbaard van de man. In het begin van de zestiende eeuw sloot het lijfstuk tamelijk strak om het bovenlijf. De hals werd vierkant uitgesneden, terwijl de tabbaard achter hoog tegen de nek sloot. Dit decolleté zou onder invloed van de Spaanse mode in de tweede helft van de zestiende eeuw uit de mode raken en plaats maken voor een hoge kraag die tot de kin aansloot.

De zware voering van de tabbaard diende om het lijf warm te houden. Het rokgedeelte was aaneengesloten, waardoor de tabbaard over het hoofd moest worden aangetrokken. Waar in het begin van de zestiende eeuw de tabbaard uit een stuk stof vervaardigd werd, ging men later het rok- en het lijfgedeelte apart snijden. De twee delen werden met een naad verbonden. Dit kwam de snit van het kledingstuk ten goede. Een korset versterkte het zandloper figuur dat halverwege de zestiende eeuw in de mode kwam.

De mouwen van de tabbaard waren meestal wijd en lang. In de eerste helft van de zestiende eeuw werden ze soms ingesneden. Door de spleet kon de vrouw haar arm steken. De rest van de mouw hing dan ongebruikt langs het lichaam. Later zouden de insnijdingen plaatsmaken voor pofmouwen die een breed schoudersilhouet accentueerden. Ook kortere en strakkere mouwen kwamen voor, zeker in huiselijke kring. Het was niet ongewoon dat men gebruik maakte van losse mouwen. Deze werden aangespeld of aangeregen.

Een voering van bont of wol diende om het lichaam warm te houden. In de zomer was de voering dunner, maar nog steeds van groot belang. De vrouw hield het rockgedeelte meestal in de hand of stak het onder haar gordel. Zo was zowel de voering als de onderrock zichtbaar.

- advertentie -

Borst en bouwen

Dirckje Tymansdr Gael - Pieter Pietersz de Oude, 1588 (Publiek Domein - Rijksmuseum - wiki) - Dirckje’s borst en bouwen zijn zwart; de kleur die het laatste kwart van de zestiende eeuw domineerde. Daarover draagt ze een zwarte vlieger. Haar hoofddoek staat in vleugels van de slapen af.
Dirckje Tymansdr Gael – Pieter Pietersz de Oude, 1588 (Publiek Domein – Rijksmuseum – wiki) – Dirckje’s borst en bouwen zijn zwart; de kleur die het laatste kwart van de zestiende eeuw domineerde. Daarover draagt ze een zwarte vlieger. Haar hoofddoek staat in vleugels van de slapen af.
In de tweede helft van de zestiende eeuw raakte de tabbaard uit de mode. De vrouw droeg een los lijfje (borst) en een losse rok (bouwen). Borst en bouwen hadden verschillende kleuren. Ze werden versierd met passementen (franjes, versierselen en banden). Ook stoffen met dessins kwamen weer in de mode. Het lijfje werd over een korset gedragen. De rok werd over drie of meer rieten of baleinen hoepels uitgespannen, welke door middel van een gordelband aan het middel werden bevestigd, zodat een wijd uitstaand silhouet ontstond.

De losse kledingstukken, borst en bouwen, werden door minder welgestelde vrouwen tot in de volgende eeuw gedragen. Van de hoge kragen, de opvulling van schouders, en de wijduitstaande rokken, die bij rijkere dames het modebeeld bepaalden, is bij hen geen sprake.

Schouderjakje

Over de lage halsuitsnijding van de tabbaard droeg men soms, vanwege de kou of de zedigheid, een kort zwart jakje zonder mouwen. Vervaardigd uit laken, fluweel of zijde bedekte het borst, schouders en rug. Het schouderjakje raakte uit de mode door de opkomst van hoge kragen en plooikragen.

Gordel, paternoster en sieraden

Over de tabbaard werd een gordel gedragen, van edelmetaal of van stof. In het laatste geval geknoopt in een enkele lus. Aan de gordel droeg men een rozenkrans. Om de hals droegen de (rijkere) dames sieraden. De bruidsschat werd meestal niet in geld, maar in juwelen overgedragen.

Mantel

Anna Codde – Maarten van Heemskerck, 1529 (Publiek Domein - Rijksmuseum - wiki) - Jongedame met zwart schouderjakje, over een groene tabbaard met vierkante hals en wijde omgeslagen mouwen. Het hemd is afgewerkt met een passementen boordje. De op kinhoogte afgesneden hoofddoek heeft twee lange slippen die over de schouders vallen. Onder de middenvouw is een ondermutsje te zien.
Anna Codde – Maarten van Heemskerck, 1529 (Publiek Domein – Rijksmuseum – wiki) – Jongedame met zwart schouderjakje, over een groene tabbaard met vierkante hals en wijde omgeslagen mouwen. Het hemd is afgewerkt met een passementen boordje. De op kinhoogte afgesneden hoofddoek heeft twee lange slippen die over de schouders vallen. Onder de middenvouw is een ondermutsje te zien.
De mantel werd over de tabbaard gedragen. Het betreft een overkleed zonder mouwen, zoals bij de mannen, dat werd omgeslagen. In het dagelijks leven beschermde deze cape tegen weer en wind. Aan het hof was het een van de belangrijkste onderdelen van het staatsiegewaad. Op straat werden de mantels over het hoofd geslagen. Meestal zwart van kleur noemde men deze huiken of falies. Waar vrouwen van fortuin lange mantels droegen, droeg het volk mantels die tot de lendenen reikten.

Vlieger

In de tweede helft van de zestiende eeuw droegen vrouwen, over borst en bouwen, de vlieger ter bescherming. Het was een lang gewaad, met een hoge staande kraag. Het stond van voren open, zodat het als een mantel kon worden gedragen. Ze werd gewoonlijk van donkere stof gemaakt en kon dienen als mantel en als plechtig gewaad.

De vlieger had wijd uitgezette schouders om de pofmouwen van de borst te herbergen. De mouwen reikten tot even boven de elleboog.
In het laatste kwart van de zestiende eeuw verdwenen de mouwen in het geheel, behalve bij galavliegers voor edelvrouwen, waar met wielen/hoepels grote schouderpartijen werden gecreëerd.

Haar en hoofdbedekking

Catharina van Hemessen (1548) – Zelfportret – Kunstmuseum Basel
Catharina van Hemessen – Zelfportret, 1548 (Publiek Domein – wiki) – Het haar van Catharina is in het midden gescheiden en achter de slapen gelegd. De hoofddoek bedekt het grootste deel van haar hoofd. Ze is vastgestoken op een ondermutsje. Door spleten in haar onderrock is haar hemd zichtbaar. Haar tabbaard, die hoog in de hals sluit, heeft korte pofmouwen.
De vrouw liet het hoofd zelden onbedekt. Jongere vrouwen in de zestiende eeuw kamden een middenscheiding op het voorhoofd, waarna het haar achter de oren werd gelegd. Het achterhaar werd gevlochten en met een haarsnoer samengebonden. Vervolgens werd het haar bedekt met een huive, een haarnet van goud- of zilverdraad, of een ondermutsje van zijde of linnen. In het laatste kwart van de zestiende eeuw werd het haar wat meer opgekuifd, zodat het van de slapen af stond.

De templet sloot het gelaat langs het voorhoofd, de slapen en de wangen in. In haar eenvoudigste voorkomen bestond zij slechts uit een reep stof die over de huive of het ondermutsje werd gelegd. Naar vermogen werd zij van duurdere stof gemaakt en rijkelijk versierd. Over de templet droegen de vrouwen een hoofddoek, ook wel kaperoen genoemd. Waar in de vijftiende eeuw de hoofddoek, nog tot op of over de schouders hing, werd zij naarmate de tijd verstreek korter, tot zij nog slechts tot de kin reikte. Op de rug was soms sprake van een sluier.

Toen hoge kragen in de mode kwamen werd de hoofddoek op oorhoogte afgesneden. De hoofddoek omhulde niet langer het hoofd maar werd uitgezet, waarschijnlijk met een metaaldraadje, zodat vleugeltjes aan weerszijden van het hoofd ontstonden. Voor dames van lagere komaf zouden deze vleugeltjes niet in de mode raken. Zij zouden zich blijven hullen in witte hoofddoeken, die eventueel met spelden in bonnetvorm op het hoofd werden vastgestoken.

- advertentie -

Een omvangrijkere vorm van de hoofddoek was de wrong. Simpel beschouwd was het een hoofddoek met een vulling, die met name in de eerste jaren van de zestiende eeuw werd gedragen.

Schoeisel

De vrouw droeg schoenen of pantoffels. De pantoffel is plomper dan de schoen. Van hakken is geen sprake. In de morsige straten werden door vrouwen trippen gebruikt, om het schoeisel te beschermen. Ze bestonden uit houten zolen met onderliggende steltjes, die met banden of riemen aan de voet werden bevestigd. In navolging van de mannenmode zou het schoeisel in het midden van de zestiende eeuw minder plomp en slanker van vorm worden.

De lierenman – Pieter Brueghel de Jonge (Publiek Domein - Noordbrabants Museum - wiki) - De lierenman was een arme blinde man. Zijn hoed is daar een symbool van. De kinderen zijn haast miniaturen van hun ouders. De meisjes met witte hoofddoekjes, tabbaarden en een schort, de jongens, de bonnetten op het hoofd, in wambuizen en hozen, sommigen met overbroek.
De lierenman – Pieter Brueghel de Jonge (Publiek Domein – Noordbrabants Museum – wiki) – De lierenman was een arme blinde man. Zijn hoed is daar een symbool van. De kinderen zijn haast miniaturen van hun ouders. De meisjes met witte hoofddoekjes, tabbaarden en een schort, de jongens, de bonnetten op het hoofd, in wambuizen en hozen, sommigen met overbroek.

Kinderen

Baby’s werden in zwachtels gewikkeld. Eenmaal daarvan verlost droegen jongens en meisjes tot hun vijfde of zesde jaar hetzelfde. Daarna gingen zij gekleed als hun ouders. De bewegingsvrijheid van kinderen was beperkt door de pompeuze mode van de zestiende eeuw. Kinderen van lager allooi waren in dat opzicht beter af.

Conclusie

Vrouwenkleding in de zestiende eeuw, voor dames wier kleding meer dan alleen een praktisch nut had, werd gekenmerkt door overdreven vormen. Pofmouwen, plooikragen en hoepelrokken gaven een dame een breed, niet lichaamseigen silhouet. Van vrouwen werd een vrome bedeesdheid verwacht. Wanneer mannenkleding aan het eind van de zestiende eeuw meer lichaamseigen vormen aanneemt, houden de dames nog enige tijd vast aan de excessieve vormentaal die de zestiende eeuw domineerde.

~ Martin de Brouwer
Auteur van romans, korte verhalen en journalistiek werk. Fictie en non-fictie. Vaak, maar niet uitsluitend met een historische inslag. Meer over hem en zijn werk kunt u lezen op: martindebrouwer.nl

Lees ook: Kleding in de zestiende eeuw (I) – Mode, kleur en stof
…en: Kleding in de zestiende eeuw (II) – Voor de man
Of: Nederlandse vrouwen in zestiende eeuw al redelijk geëmancipeerd

Literatuur

-Ghering-van Ierlant, M.A. & Weijts-Ramondt A. (1986). Mode in de Zuidelijke Nederlanden met de schijnwerpers gericht op Bergen op Zoom 1490-1530. Bergen op Zoom: Stichting 700 jaar heerlijkheid Stad en Land van Bergen op Zoom.
-Huet, L. (1998). Oude meesteressen : vrouwelijke kunstenaars in de Nederlanden. Leuven: Halewijck.
-Jaques, F. & Stavridi M. (1968). The Hugh Evelyn History of Costume. London: Hugh Evelyn Limited.
-Kinderen-Besier, J.H. der (1933). Mode-Metamorphosen; De kledij onzer voorouders in de zestiende eeuw. Amsterdam: Querido.

Verder speuren:

Bekijk ook onze uitgebreide onderwerpenlijst of het personenregister


Uit het archief:

Meer tips ➱