Tentoonstelling Gevangen door Atjeh

Missievaders, familiegeschiedenis van katholieke wereldverbeteraars

“Boeiende bijdrage aan koloniale religiegeschiedenis”

In Missievaders vertelt journalist en antropoloog Mar Oomen het verhaal van haar grootouders en ouders en hun inspanningen om vanuit een katholieke overtuiging de wereld te verbeteren. In 1933 vertrokken haar grootouders, Janus Oomen en zijn vrouw Stans Küller, naar Indonesië. Haar eigen ouders, Dries Oomen en Pauke Schweigman deden in 1958 hetzelfde, maar met bestemming Tanzania.

Een van de mooie aspecten van dit boek is het feit dat het een grote periode omspant en daarmee grenzen van tijdperken oversteekt. Zowel de vooroorlogse missionaire idealen, de periode van de Tweede Wereldoorlog en dekolonisatieoorlog als de postkoloniale periode met nieuwe idealen hebben hun plaats in het verhaal.

Tropenarts onder missionarissen

Albert Schweitzer in 1952 (CC BY-SA 3.0 de - Bundesarchiv - wiki)
Albert Schweitzer in 1952 (CC BY-SA 3.0 de – Bundesarchiv – wiki)
In het eerste deel van het boek vertelt Oomen het verhaal van haar grootouders. Geïnspireerd door het werk van de wereldberoemde theoloog Albert Schweitzer, die op het hoogtepunt van zijn wetenschappelijke carrière zijn baan opgaf om als missiearts naar Gabon te gaan, gaf Janus na zijn promotie in de biologie een wetenschappelijke carrière op om missiearts te worden in Tomohon. In de jaren die volgden gaf Janus als arts leiding aan diverse ziekenhuizen in de Indonesische archipel en haalde hij jonge katholieke artsen naar Indonesië.

Oomen legt in haar boek de vinger bij de intrigerende relatie tussen enerzijds het koloniale superioriteitsdenken van de Nederlandse dokter Oomen en anderzijds zijn oprechte religieuze motieven om de wereld te verbeteren. Voor Janus was het brengen van westerse gezondheidszorg onlosmakelijk verbonden met het verspreiden van het katholieke geloof en bijbehorende leefwijze. Een fascinerend voorbeeld hiervan zijn de inspanningen van Stans om de bevolking van de Minahassa een katholieke reidans aan te leren, met bijbehorende Hollandse liedjes. Ze vond de bestaande dansen teveel in de ‘verkeerde sfeer’ tussen meisjes en jongens. Daarom leerde zij vrouwen een reidans aan, die zich in de jaren daarna over heel de provincie verspreidde.

Arts in de Indonesische oorlog

Een boeiend onderwerp, vanuit de actuele belangstelling voor de oorlog in Indonesië tussen 1945 en 1950, zijn de visies die Janus Oomen biedt op het Indonesische nationalisme. Op West-Java, waar Janus en Stans voor de Tweede Wereldoorlog woonden, had in 1945 een moslimleider de heilige oorlog tegen de Europese christenen uitgeroepen. Na terugkeer uit de Japanse kampen koos Janus er echter voor om niét terug te gaan naar Nederland, ook al werd aanwezigheid in Indonesië voor Nederlanders steeds gevaarlijker door het oorlogsgeweld. Janus wilde blijven om onder Indonesiërs als arts te blijven werken én om zo het christelijk geloof te verspreiden. Als alle Nederlanders direct zouden vertrekken zou de islam in Indonesië het christendom volledig verdrijven, zo dacht hij. Enkele jaren later schreef hij daarom zeer positief over het optreden van kapitein Westerling: er was er helaas maar één van. Voor Janus was het duidelijk dat een overwinning van de Indonesische vrijheidsstrijders het einde zou betekenen van zijn inspanningen.

Ondanks het feit dat hij weinig begrip had voor de Indonesiërs, wilde Janus niet terug naar de oude koloniale verhouding. Hij schreef aan zijn familie:

“Meen niet dat ik de toestanden van vroeger terug zou willen, de exploitatie-politiek van Indië moet van de baan (…) Laten we Indonesië op korte termijn behoorlijk voorbereiden op autonomie, doch als het zaakje van nu eigen wieken zou krijgen, wordt het een chaos, burgeroorlog, hongersnood.”

Tropenarts in een postkoloniaal tijdperk

Het tweede deel van het boek gaat in op de idealen en ervaringen van Dries Oomen, de vader van de auteur. Na de kamptijd werd hij naar Nederland gestuurd voor zijn opleiding. In 1958 vertrok hij met zijn vrouw Pauke naar Tanzania, waar hij aan de slag ging om gezondheidszorg op katholieke grondslag op te bouwen. Na een periode als tropenarts in Ethiopië te hebben gewerkt, namen Dries, Pauke en hun gezin in 1968 afscheid van Ethiopië om naar Nederland terug te gaan. Het verhaal eindigt tenslotte met een trieste afloop. Na zijn terugkomst in Nederland en promotie in 1969, belandde Dries in een diepe depressie. Dit monster, zo schrijft Mar Oomen, zou haar vader vaker in de greep krijgen. In 1980, nadat Dries voor de katholieke stichting Medicus Mundi een reis door Malawi had gemaakt, belandde hij opnieuw in een mentale crisis, die leidde tot een verlies van alles wat hij bezat en had opgebouwd.

Ethiopië (CC0 - Pixabay - fatherofsa)
Ethiopië (CC0 – Pixabay – fatherofsa)

Een boeiende lijn die door het tweede deel van het boek loopt is het conflict tussen vader Janus en diens zoon Dries. De hooggestemde verwachtingen die vader Janus van Dries had, bijvoorbeeld rond een mogelijke hoogleraarschap, werden uiteindelijk door zijn zoon niet waargemaakt. Dries en Pauke zochten hun eigen weg in een veranderende wereld, ook al leidde dit soms tot botsingen en wederzijdse teleurstellingen.

De katholieke inspiratie van het werk van Dries en Pauke, zo maakt Mar Oomen duidelijk, verdween niet na de golf van ontkerkelijking na 1960. Deze kreeg wel een andere plaats. Zijn werk als missiearts kwam niet meer zozeer in het kader van de katholieke missionering, als wel in het kader van de groeiende ontwikkelingshulp die westerse regeringen na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelden. Christelijke organisaties zagen deze organisaties als concurrenten: ontwikkelingshulp was een seculiere vorm van het werk wat zij al decennia lang deden. Vanuit de katholieke kerk werd uitgesproken dat het missiewerk door moest gaan, maar dat katholieken zich ook moesten melden bij de organisaties van de Verenigde Naties om te voorkomen dat de armen van de wereld zouden zijn overgeleverd aan seculiere organisaties.

Koloniale en religieuze geschiedenis

Met Missievaders – overigens laat het boek zien dat ook de missiemoeders een uiterst belangrijke rol speelden – levert Mar Oomen een boeiende bijdrage aan de koloniale religiegeschiedenis. Oomen besteedt veel aandacht aan de drijfveren en de ervaringen van haar grootvader en vader en plaatst deze tegen de achtergrond van de koloniale missiegeschiedenis. Tijdens haar onderzoek, zo schrijft ze in het slot van haar boek, ontdekte Oomen dat de archieven van religieuze en medische organisaties die zich bezighielden met de koloniale bevolking verspreid liggen over heel Nederland en dat er nauwelijks overzicht is van de overgeleverde archiefstukken. Ze pleit dan ook voor de oprichting van een allesomvattend koloniaal en postkoloniaal archief, waarin de verbindingslijnen kunnen worden gelegd tussen katholieke, protestantse en neutrale organisaties.

Missievaders - Mar Oomen
Missievaders – Mar Oomen
Persoonlijk denk ik dat zo’n overkoepelend instituut niet realistisch is. Door overplaatsing van archieven naar een grotere instelling gaat veel context verloren en zo’n instituut wordt al gauw een doel op zichzelf. Historici zullen altijd gedwongen zijn om hun bronnen op vele plaatsen te zoeken. Dat kost tijd, maar levert ook nieuwe inzichten en waardevolle contacten en ervaringen op. Het is daarbij van belang dat er verder wordt gekeken dan één religieuze groep of koloniale organisatie. In dat opzicht steun ik het pleidooi wat dit boek voert om serieus werk te maken van het religieuze koloniale verleden van Nederland van harte. En gezien het onderzoek dat momenteel binnen en buiten universiteiten wordt uitgevoerd, gloort er zeker hoop.

~ Koos-jan de Jager

Boek: Missievaders. Een familiegeschiedenis van katholieke wereldverbeteraars

Bestel dit boek bij:


Archiefstukken:

Meer tips ➱

Verder speuren:

Bekijk ook onze uitgebreide onderwerpenlijst of het personenregister