Sint 2020 Sint 2020

De Palaeologenrenaissance

Een culturele bloeiperiode tijdens de donkere nadagen van het Byzantijnse Rijk

Het Byzantijnse Keizerrijk, oftewel het Oost-Romeinse Rijk, is gedurende lange tijd veroordeeld geweest om te leven in de schaduw van het Griekenland van Perikles en Sokrates. De eeuwen hebben haar haast onder het stof van de vergetelheid doen belanden. De zuilen domineren onze aandacht ten koste van de middeleeuwse koepelkerkjes. Desondanks kan Byzantium degene die naar haar verhaal luistert, intrigeren. Een van de meest begeesterende periodes uit het leven van dit duizendjarige keizerrijk is zonder twijfel het laat-Byzantijnse tijdperk. Zo’n twee eeuwen lang vocht Byzantium een strijd op leven en dood tegen overweldigende krachten van buitenaf en verscheurende religieuze en politieke stormen van binnenuit. Haar ondergang bleek onvermijdelijk en slechts een kwestie van tijd.

- ad -

In 1453 namen uiteindelijk de Ottomanen de hoofdstad Constantinopel in en werd het Byzantijnse hoofdstuk van de wereldgeschiedenis definitief afgesloten. Ondanks de politieke zwakte gedurende deze periode ontstond er binnen het keizerrijk een dynamiek die een ongekend cultureel hoogtij teweegbracht: de Palaeologenrenaissance. Zo tartte Byzantium het noodlot door te weigeren in mineur ten onder te gaan. Een spektakel van kunst en geleerdheid gaf het Oost-Romeinse Rijk een laatste glans die als paradox diende voor het laagtepunt van de wereldlijke macht. Voor het eerst in duizend jaar genoten Griekse geleerden weer grote vermaardheid in het buitenland en oefenden hun wetenschappelijke en filosofische prestaties een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op met name de Italianen. Deze laatsten streefden immers op dat moment eveneens naar intellectuele vooruitgang tijdens hun eigen renaissance en ondergingen hierbij belangrijke invloeden van hun Griekse buren. Dit artikel zal zich toespitsen op de laat-Byzantijnse geest, deze in haar historische context plaatsen en haar niet te onderschatten invloed op de West-Europese geschiedenis bespreken.


Historische context

Van de Val van Constantinopel (1204) tot de Val van Constantinopel (1453)

1204 was voor de Byzantijnen een dramatisch en traumatisch jaar. Hun hoofdstad, Constantinopel, werd met de hulp van de Venetianen ingenomen door de soldaten van de Vierde Kruistocht. De katholieke kruisvaarders verdeelden onder elkaar het karkas van het eens zo machtige Byzantijnse Rijk. Weigerend zich neer te leggen bij deze beledigende situatie, weken enkele Griekse edellieden uit naar de verste uithoeken van Byzantium om hier een eigen rijk te stichten.

Keizer Michaël VIII Palaiologos
Keizer Michaël VIII Palaiologos
Aldus ontstonden er drie Grieks-orthodoxe opvolgersstaten naast het lappendeken van de nieuwe Latijnse vorstendommen. Van hieruit handhaafden deze Byzantijnen elk voor zich een claim op de hoofdstad en de keizerskroon. Van de drie Byzantijnse opvolgersstaten waren het uiteindelijk de vorsten uit Nicaea die het Byzantijnse gezag weer lieten gelden in de aloude hoofdstad. Keizer Michaël VIII nam immers in 1261 de koningin der steden in op de katholieke westerlingen. Hij gold tevens als de stichter van de laatste Byzantijnse dynastie, de Palaeologen, die tot de val van Constantinopel in 1453 de plak zwaaide. Aanvankelijk zag het ernaar uit dat de Byzantijnen deze donkere tijden zouden verduren en maakten ze een bescheiden comeback. De Palaeologen heroverden enkele van de voormalige Oost-Romeinse gebieden op de afstammelingen van de kruisvaarders. De belangrijkste van deze aanwinsten was die van het zuidoosten van de Peloponnesos in 1348 waar de regionale hoofdstad Mystras zou bloeien.

- advertentie-

- ad -
- advertentie -

Vanaf het midden van de veertiende eeuw werd Byzantium echter getroffen door een opeenstapeling van rampspoed. Burgeroorlogen verdeelden en verarmden het land. De grote veertiende-eeuwe pestepidemie zaaide dood en verderf. Deze catastrofes ontsnapten niet aan de aandacht van de Ottomaanse buren. De Turkse sultans maakten handig gebruik van deze toestand en zetten steeds meer druk op de grenzen het Byzantijnse Rijk. Pogingen tot “verlossing” draaiden op niets uit: het Huis van Osman sloeg de tegen haar gerichte kruistochten herhaaldelijk neer. Al gauw werd het voor iedereen duidelijk dat het Oost-Romeinse Rijk gedoemd was om te zuchten onder het juk van de sultan. Uiteindelijk vielen de muren van Constantinopel op 29 mei 1453 onder druk van Mehmet II en eindigde het duizendjarige bestaan van Byzantium.


De Palaeologenrenaissance: de voorwaarden van de intellectuele bloeiperiode

Ondanks deze noodlottige negatieve spiraal van politieke en militaire verzwakking, wist het laat-Byzantijnse Rijk onder de Palaeologendynastie een frisse en levendige cultuur te scheppen. Tijdens deze zogenaamde Palaeologenrenaissance kenden Byzantijnse geleerden en kunstenaars een ongekende creativiteit. Hoe komt het dat zulke dynamiek überhaupt mogelijk was? Het is in elk geval uit den boze om deze complexe situatie terug te voeren op één oorzaak: multicausaliteit is aan de orde.

Het mecenaat krijgt de pennen aan de praat

Om te beginnen konden de Byzantijnse geleerden rekenen op een grootmoedig mecenaat. Zo ontpopten verschillende keizers en ambtenaren zich tot grote beschermheren van de Griekse intelligentsia en dit ondanks de beklagenswaardige toestand van de staatsschatkist. Het weinige geld dat ze konden innen, spendeerden ze gretig aan kunst, onderwijs en intellectuele projecten. Om deze redenen zijn ze ook beschuldigd geweest van nalatigheid tegenover de meer dringende staatszaken.

Daarnaast was het nog steeds mogelijk voor particulieren om een aanzienlijk vermogen te verzamelen, ondanks de wankele financiële toestand. Hiermee konden deze rijkere Byzantijnen tijd voor zichzelf vrijkopen om zich te wijden aan intellectuele bezigheden. Ze konden ook met dit geld, net zoals de keizer en diens ambtenaren, investeren in een uitgebreid mecenaat. Deze verrijking was vooral mogelijk in de Byzantijnse randgebieden die tot economische bloei kwamen. In het noorden van het huidige Turkije was er langs de kust van de Zwarte Zee het Byzantijnse Keizerrijk van Trebizond gelegen. Deze opvolgersstaat ontstond in het kielzog van de Vierde Kruistocht en bleef onafhankelijk na het herstel van het Byzantijnse Rijk in 1261. Haar hoofdstad Trebizond, het huidige Trabzon, werd tijdens de late middeleeuwen een rijke handelsstad vanwege haar ligging als eindhalte van een van de zijderoutes. Deze voorspoedige haven werd vervolgens het Griekse centrum van de astronomie en wiskunde. Verder vervulde het Noord-Griekse Thessaloniki een belangrijke rol binnen de Griekse intellectuele wereld tot circa 1350, toen een lokale opstand een einde maakte aan de voorspoed van de stad.

- ad -
De heuvelstad Mystras met de ruïnes van het Byzantijnse Despotenpaleis (dichtstbij de camera) en van de Frankische burcht (verderop). Deze regionale hoofdstad groeide uit tot een belangrijk centrum van geleerdheid gedurende de laat-Byzantijnse periode
De heuvelstad Mystras met de ruïnes van het Byzantijnse Despotenpaleis (dichtstbij de camera) en van de Frankische burcht (verderop). Deze regionale hoofdstad groeide uit tot een belangrijk centrum van geleerdheid gedurende de laat-Byzantijnse periode (CC BY-SA 4.0 – Gregor Hagedorn – wiki)

Het was wellicht Mystras in de Peloponnesos dat het belangrijkste centrum werd van de laat-Byzantijnse culturele bloeiperiode. De overvloedige wijn- en olijfteelt samen met de zijdenindustrie van de lokale Joodse gemeenschap verzekerden een overschot aan geldmiddelen die men kon investeren in kunst en geleerdheid. Kortom, voor de grote geesten van de tijd ontstond er een geschikte financiële ruimte waarin ze zichzelf konden ontplooien.

- advertentie-

De Byzantijnse belangstelling voor onderwijs

Een ander element dat deze bloeiperiode in de hand werkte, was de algemene belangstelling voor onderwijs. Opvoeding ging de Byzantijnen in grote mate ter harte. In Constantinopel alleen al stichtten ze meerdere instellingen van hoger onderwijs. De keizers vonden onderricht zo’n essentieel onderdeel van de samenleving, dat ze zelfs gedurende de penibele dertiende-eeuwse ballingschap ervoor zorgden dat hun onderdanen een gedegen opleiding genoten. Toen Michaël VIII de hoofdstad heroverde in 1261 was een van zijn eerste maatregelen de voortzetting van het Constantinopolitaanse universitaire leven. Hij heropende meteen de hoofdstedelijke onderwijsinstellingen die hun deuren hadden moeten sluiten onder het Latijnse bewind.

- advertentie -

Latere keizers van de Palaeologendynastie zouden het universitaire systeem van Constantinopel verder verfijnen of zelfs nieuwe instituten oprichten. Zo zag keizer Manuel II (r. 1391-1425) toe op de stichting van het gezaghebbende Katholikon Mouseion waar niet enkel Grieken, maar ook Italianen een opleiding kwamen volgen. Verder speelden de private scholen van rijke individuen zoals die van Nikephoros Gregoras (c.1295-c.1360) een beduidende rol in het Byzantijnse onderwijs. Naast theologie, rechtspraak en geneeskunde konden de studenten zich in het Byzantijnse opvoedingssysteem toeleggen op de klassieke Griekse letteren. Het was voor alles de studie van de antieke literatuur die de drijvende kracht zou worden achter de renaissance. Deze diende immers voor de geleerden als bron van inspiratie.

Het mecenaat, de belangstelling voor opleiding en de interesse in de oudheid waren geen nieuwigheden in Byzantium. De Grieks-orthodoxe wereld kende deze erudiete ingesteldheid al sinds de vroegste tijden. Desalniettemin vormden ze de onontbeerlijke voorwaarden zonder dewelke de Palaeologenrenaissance ondenkbaar zou zijn. Wat onderscheidde echter deze periode van de vorige? Wat maakte de Palaeologenrenaissance uniek binnen de Byzantijnse geschiedenis die meerdere bloeiperiodes van het intellect kende?

- ad -

Meer tolerantie, meer openheid en meer nieuwsgierigheid

De humanistische keizer Manuel II (r. 1391-1425). Miniatuur uit de grafrede voor Theodoros I Palaeologos, despoot van de Morea, Biblioteque Nationale de France
De humanistische keizer Manuel II (r. 1391-1425). Miniatuur uit de grafrede voor Theodoros I Palaeologos, despoot van de Morea, Biblioteque Nationale de France (Publiek Domein – wiki)
In de laat-Byzantijnse periode ontstond er een meer open mentaliteit. Hoewel de geborneerde, fundamentalistische christenen nog steeds een te duchten groepering vormden, was er opvallend meer tolerantie. Dat de toenmalige geleerden meer bewegingsruimte hadden, was niet in het minst te danken aan het feit dat de Byzantijnse keizers deze open geest met hen deelden. De vorsten van de Palaeologendynastie waren grotendeels zelf ook bekwame geleerden en men durft hen weleens te bestempelen als “humanistische keizers”. Deze top-down situatie verzekerde de triomf van de nieuwe, “modernere” geest op de bekrompenheid. Een tekenend voorbeeld voor de nieuwe situatie is hoe de verlichte heerser Manuel II (r. 1391-1425) omging met de beschuldigingen van goddeloosheid jegens zijn vriend, de vermaarde filosoof Georgios Gemisthos Plethon (c. 1360-1454). De keizer ging niet in op deze aantijgingen, maar stuurde Plethon weg van de hoofdstad naar Mystras zodat hij zich daar in alle rust verder kon wijden aan zijn studies: Mystras lag blijkbaar buiten het schootsveld van de orthodoxe hardliners.

Een nieuwe relatie met het eigen verleden

Deze nieuwe openheid vertaalde zich binnen de intellectuele wereld in een verfrissende bereidheid om naar andere niet-christelijke en/of niet-Griekse tradities te kijken en hieruit te leren. In de eerste plaats betekende dit een nieuwe omgang met het eigen, heidense verleden. Hoewel de Byzantijnen altijd al, zoals eerder gesteld, de Griekse oudheid koesterden, was dit voorheen met een zeker ongemak vanwege het niet-christelijke karakter ervan. Nu leek men als het ware dit gegeven volmondig te omarmen en ontstond er een gevoel van trots. Dit betekende echter niet dat Byzantium moest inboeten aan vroomheid vanwege de nieuwe liefde voor de heidense auteurs. Meer nog, vele laat-Byzantijnse geleerden waren tevens clerici. Zo werd de astronoom Gregorios Choniades (c.1240-c.1320) bisschop van Tabriz. De filosoof Basilios Bessarion (1403-1472) was naast platonicus ook kardinaal van de Rooms-katholieke kerk.

- advertentie-

Basilios Bessarion. Gravure van Theodoor de Bry, 17de eeuw.
Basilios Bessarion. Gravure van Theodoor de Bry, 17de eeuw. (Publiek Domein – wiki)
Deze nieuwe instelling zorgde voor een antwoord op de identiteitscrisis waaronder de Byzantijnen destijds leden. Voordien waren de inwoners van Byzantium ervan overtuigd de opvolgers te zijn van het Romeinse Rijk en noemden ze zichzelf bijgevolg doorgaans Rhomaioi en hun rijk Rhomania. Deze identificatie ging gepaard met het idee dat hun keizerrijk universeel en almachtig was. De overduidelijke verzwakte toestand bracht echter een einde aan deze illusie. Veel geleerden gingen op zoek naar een nieuwe “nationale” identiteit en kwamen hierbij terecht bij de Griekse Oudheid. Voor het eerst begonnen Byzantijnen zichzelf “Hellenen” te noemen. Vroeger waren er negatieve connotaties verbonden aan dit woord aangezien de Bijbel de term gelijkstelde aan “heidenen”. Wat dit alles concreet betekende, wordt mooi geïllustreerd door de eerdergenoemde Plethon. Na zijn aankomst in Mystras brak hij zijn hoofd over mogelijke remedies die de desintegratie van het Byzantijnse imperium een halt konden toeroepen. Hiervoor ging hij niet inspiratie opdoen bij Romeinse precedenten, maar bij de klassieke Griekse staatsleer. Zijn hervormingsvoorstellen maakten dankbaar gebruik van Spartaanse en platonische modellen.

Openheid naar niet-Griekse tradities

Deze open geest was niet alleen gericht naar het eigen verleden, maar ook naar buiten toe. Dit is niet vanzelfsprekend aangezien de Byzantijnen zich vaak neerbuigend gedroegen tegenover niet-Griekse en niet-orthodoxe tradities. Chauvinisme wisselden enkele geesten zelfs in voor een vorm van cultuurrelativisme. Zo schreef Theodoros Metochites (1270-1332) verrassend respectvol over de Tataren en gaf hij tevens uitdrukking aan de eerder besproken zelfrelativering door te stellen dat Byzantium niet het uitverkoren rijk was. Hij durfde te beweren dat de zo geïdealiseerde staat waarin hij leefde net zoals de andere een einde zou kennen. Dit is des te verbazender wanneer men er rekening mee houdt dat Metochites de eerste minister was van keizer Andronikos II (r. 1282-1328) en dus in die hoedanigheid de op één na hoogste vertegenwoordiger van het Byzantijnse gezag was.

- ad -
Theodoros Metochites (1270 – 1332), polyhistor en staatsman. Mozaïek uit de Chorakerk, Istanbul. Hij presenteert hier aan Jezus Christus een model van de Chorakerk waarvan hij de renovatie bekostigde.
Theodoros Metochites (1270 – 1332), polyhistor en staatsman. Mozaïek uit de Chorakerk, Istanbul. Hij presenteert hier aan Jezus Christus een model van de Chorakerk waarvan hij de renovatie bekostigde. (CC BY-SA 4.0 – Gryffindor – wiki)

De nieuwsgierige Griekse geleerden gingen zich bijvoorbeeld verdiepen in joodse tradities: Plethon leerde te Adrianopolis bij de jood Eliseus over de kabbala, een vorm van joodse mystiek of esoterie die binnen rabbijnse kringen ontstond in de twaalfde eeuw. Tevens kreeg hij daar les over het averroïsme, een religieus-filosofische school gebaseerd op de interpretaties van Aristoteles door de islamitische filosoof Averroes (1126-1198). Gregorios Choniades (ca. 1240-1320) was zelfs bereid om rond 1300 diep tot in Perzië te reizen om kennis te maken met de wiskundige en astronomische prestaties van de islamitische wereld. Choniades keerde daarna terug naar Trebizond om aldaar de resultaten van zijn zoektocht te verkondigen. Hij stichtte in deze Byzantijnse havenstad vervolgens een vooraanstaande astronomische academie die de Perzische en Arabische sterrenkunde opnam in het curriculum. Eveneens zag hij daar toe op de vertalingen naar het Grieks van enkele belangrijke oosterse werken, bijgestaan door de monnik Manuel van Trebizond en diens leerling Georgios Chrysokokkes.

Trebizond onder Ottomaans bewind. De haven was vóór de Turkse verovering (1461) de welvarende hoofdstad van het Grieks-orthodoxe rijk van Trebizond alsook van de Byzantijnse astronomie en wiskunde. Gravure van Joseph de Tournefort, 1718.
Trebizond onder Ottomaans bewind. De haven was vóór de Turkse verovering (1461) de welvarende hoofdstad van het Grieks-orthodoxe rijk van Trebizond alsook van de Byzantijnse astronomie en wiskunde. Gravure van Joseph de Tournefort, 1718. (Publiek Domein – wiki)

Tegelijkertijd waren de Byzantijnen bereid om eens te gaan kijken bij de West-Europese, Latijnse literatuur. Dit was zeker niet vanzelfsprekend. De verovering en plundering van Constantinopel door de katholieken in 1204 lag bij velen nog vers in het geheugen. In de laat-Byzantijnse periode zien we voor het eerst Griekse vertalingen verschijnen van Latijnse auteurs zoals Cicero, Vergilius, Boethius, de kerkvader Augustinus en de middeleeuwse scholasticus Thomas van Aquino. In dit verband is dit artikel een vermelding verschuldigd aan de gebroeders Demetrios (1324-1398) en Prochoros Kydones (c. 1330-c. 1369) evenals aan Maximos Planoudes (c. 1260-c. 1305) vanwege hun invloedrijke vertalingsactiviteiten. Dan kan men zich de vraag stellen hoe deze Grieken de Latijnse taal zo goed onder de knie kregen ondanks de afwezigheid van een gevestigde Latijnse school in Byzantium. Een zeer belangrijke rol moeten de kloosterordes gespeeld hebben die zich in het Byzantijnse Rijk met hun kennis Latijn hadden gevestigd tijdens de dertiende-eeuwse westerse overheersing. Zo zou Demetrios Kydones zich het Latijn hebben eigen gemaakt met de hulp van een dominicaan. Eveneens zou Planoudes zijn beheersing van het Latijn te danken hebben aan het franciscanenklooster in de hoofdstad Constantinopel. Hun motivatie en capaciteiten om deze vreemde taal zichzelf aan te leren, mag echter niet onderschat worden.


De Palaeologenrenaissance als bloeiperiode van de filologie

De zojuist besproken verfrissende openheid zorgde voor een aanzienlijke vooruitgang in verschillende wetenschappelijke vakgebieden. De belangrijkste ontwikkelingen waren wellicht die binnen de klassieke filologie, met name de studie van de antieke literatuur.

- advertentie-

De Byzantijnse filologen gingen ten eerste te werk met een grotere intensiteit dan voorheen. Hun drang naar de herontdekking van de antieke wijsheid vertaalde zich onder meer in een zoektocht naar nieuwe manuscripten waarnaar ze hun onderzoek konden richten. Zo “herontdekte” Maximos Planoudes de Geographia van de tweede-eeuwse astronoom Klaudios Ptolemaios. Planoudes’ promotie van dit werk kan niet onderschat worden: de Geographia werd een zeer populair boek tijdens de Renaissance en gaf een belangrijke impuls aan het geografische onderzoek. Verder bracht hij het laat-antieke epos, de Dionysiaka, van Nonnos van Panopolis aan het licht evenals belangrijke delen van Ploutarchos’ oeuvre. Planoudes’ edities van de Geographia en de Dionysiaka vormen nog steeds de basis van onze kennis over deze werken. Deze “herontdekkingen” doen trouwens in grote mate denken aan de schattenjacht naar verloren gewaande antieke werken door Italiaanse humanisten. Een systematiseringsdrang kenmerkte eveneens deze gegroeide intensiteit. Twee belangrijke encyclopedieën kwamen tijdens deze periode tot stand, waarvan één trachtte om al de toenmalige medische kennis te omvatten. Een belangrijke filologische verrichting in dit verband was de herziene editie van de Anthologia Palatina, een verzameling van Oudgriekse epigrammen, wederom door Maximos Planoudes. Het moet trouwens nu wel duidelijk zijn hoe belangrijk Planoudes is geweest voor de klassieke Griekse filologie.

- ad -
- advertentie -

Daarnaast ontwikkelden de filologen nieuwe, kritische manieren om naar deze literatuur te kijken die soms grensden aan het revolutionaire. Zo hanteerde Theodoros Metochites een nieuwe invalshoek door antieke werken driedimensionaal in beschouwing te nemen. Dit wil zeggen dat hij die boeken niet als op zichzelf staand analyseerde, maar de historische context bij zijn onderzoek betrok. In een essay verklaart hij op deze manier waarom de stijl van de redenaar Demosthenes (384-322 v.Chr.) verschilt van die van Aelius Aristides (117-181 na Chr.): de ene schreef tijdens de bloeiperiode van de Atheense democratie en de andere onder het bewind van de Romeinse keizers. Plethon toonde later ten aanzien van een Italiaans publiek in Firenze eveneens de verre ontwikkeling aan die de Byzantijnse filologie en tekstkritiek hadden meegemaakt. Hij overtuigde zijn toehoorders immers met onweerlegbare argumenten hoe een document dat zou teruggaan op het Zevende Oecumenische Concilie (787) in feite een vervalsing was. Zulke kritische houding zal ongetwijfeld menig lezer doen denken aan de contemporaine Italiaanse humanist Lorenzo Valla (1407-1457). Deze laatste staafde immers met enkele trefzekere argumenten dat de Donatio Constantini niet meer dan een vervalsing was en ondergroef aldus de legitimiteit van de Kerkelijke Staat: werkelijk grensverleggend. Andere vermeldenswaardige namen van de Byzantijnse filologenwereld zijn Demetrios Triklinios (c.1280-c.1340), Manuel Moschopoulos (einde 13de eeuw-begin 14de eeuw) en Thomas Magister (einde 13de eeuw-c.1330). Vele van hun uitgaves van antieke werken zijn tot op de dag van vandaag onmisbaar voor de studie van de Oudgriekse literatuur en zullen dat blijven tot in lengte van dagen.


Byzantijnse creativiteit en originaliteit

Uit het voorgaande blijkt onmiskenbaar een ware obsessie met de oudheid. Hieruit zou de foute opvatting kunnen volgen dat de Byzantijnen hun voorouders louter kopieerden. Echter, zoals bij hun Italiaanse collega’s, was deze kennis niet een doel op zich, maar een middel tot iets nieuws. De literatoren wilden werken scheppen die het konden opnemen tegen die van hun voorgangers: imitatio et aemulatio (navolgen en overtreffen). De veelzijdige Nikephoros Gregoras (1295-1360) schreef een historisch werk dat niet enkel gemodelleerd was naar de geschiedschrijving van Thucydides, maar dat bedoeld was zich ermee te meten. De wetenschappers weigerden eveneens zich klakkeloos te onderwerpen aan de bevindingen van hun antieke collega’s: ze gingen actief mee nadenken. Zo bracht de astronoom Theodoros Meliteniotes (c.1320-1393) in zijn werk de Drie Boeken over Astronomie (1352) enkele aanpassingen aan in het astronomische systeem van Ptolemaios. Nikephoros Gregoras, tevens sterrenkundige, stelde zelfs enkele wijzigingen van het kalendersysteem voor die de Gregoriaanse kalenderhervorming anticipeerden!

Nikephoros Gregoras (1295-1360), uomo universale
Nikephoros Gregoras (1295-1360), uomo universale (CC BY-SA 4.0 – anemourion.blogspot.com – wiki)

De creatieve laat-Byzantijnse geest floreerde en er ontlook een hoogstaande literaire cultuur. Uit de laatste twee eeuwen van Byzantium zijn er zo’n honderdvijftig auteurs gekend, die zich wijdden aan verscheidene genres. Zo was de dichtkunst springlevend en werd er een overvloed aan jambische verzen gecomponeerd. Ondertussen polijstten de hagiografen hun stijl en schreven zij heiligenlevens van opvallend hoge literaire kwaliteit. Verder scherpten de theologen hun pennen waaruit dan bijtende polemieken met andersgelovigen zouden vloeien. Het spreekgestoelte werd bestegen door een nieuw soort redenaar die gretig experimenteerde met beeldspraak. Ten slotte kenmerkte een complexe en obscure briefliteratuur eveneens deze periode. Trouwens, deze briefwisseling tussen laat-Byzantijnse denkers en schrijvers versnelde de dynamiek van de Palaeologenrenaissance. De correspondenten konden immers zo op de hoogte blijven van elkaars literaire activiteiten met wederzijdse beïnvloeding en een gezonde competitie tot gevolg.


De Byzantijnse invloed op de Italiaanse renaissance

Zoals meermaals aangehaald, waren er veel aspecten die de Palaeologenrenaissance deelde met de Italiaanse. Tijdens hun renaissance gingen immers eveneens de Italiaanse humanisten inspiratie opdoen bij de auteurs van de oudheid (ad fontes!) met het oog op eigen creaties. De Italianen kenden hierbij echter één groot probleem: de gebrekkige kennis van het Oudgrieks. De klassieke Griekse literatuur was voor hen onleesbaar. Van enkele werken waren er weliswaar vertalingen in het Latijn beschikbaar, maar deze waren meestal stroef en achterhaald. Al van bij het begin van de Renaissance was deze ontbering acuut voelbaar bij de Italianen. Zo beklaagde Francesco Petrarca (1304-1374) zich meermaals over de ontoegankelijkheid van Homeros’ originele teksten en dit na enkele vruchteloze pogingen om de taal onder de knie te krijgen.

- advertentie-

- ad -

Manuel Chrysoloras (1355 – 1415). Gravure van Nicolas III de Larmessin, 1862.
Manuel Chrysoloras (1355 – 1415). Gravure van Nicolas III de Larmessin, 1862. (Publiek Domein – wiki)
In dit verband bleken de Byzantijnen van onschatbare waarde aangezien ze een ongeëvenaarde kennis van het Oudgrieks aan de dag legden. In Byzantium stond de antieke taal immers centraal in het onderwijs. Verschillende hoogopgeleide Grieken begonnen Italië binnen te stromen, hetzij als gezant van de Byzantijnse keizer, hetzij als vluchteling voor Ottomaanse opmars. Het humanistische Firenze bereidde deze welbespraakte Byzantijnen een warme ontvangst, grotendeels uit interesse voor hun kennis van het Grieks. De Italianen konden zich trouwens geen beter moment toewensen, aangezien de Grieken zelf op dat moment een bloeiperiode van de Oudgriekse studies kenden. De grote doorbraak kwam in het jaar 1397 toen de kanselier van Firenze Coluccio dei Salutati (1331-1406) de Byzantijnse gezant Manuel Chrysoloras (1355-1415) uitnodigde om klassiek Grieks te komen lesgeven. Chrysoloras ging met plezier op dit verzoek in en aldus ontstond de eerste officiële leerstoel Grieks van Italië in het Studium Florentinum. Hoewel Chrysoloras slechts drie jaar in het Studium lesgaf, was zijn invloed niet te onderschatten. Daar vormde hij de eerste generatie Italiaanse humanisten die het Grieks beheersten. Onder zijn leerlingen bevonden zich enkele spraakmakende figuren zoals Leonardo Bruni (1370-1444) en Guarino da Verona (1374-1460).

Vervolgens volgden verschillende Byzantijnen gedurende de vijftiende eeuw het voorbeeld van Chrysoloras om in Italië te onderwijzen en te vertalen. De leidende figuren van de Griekse intelligentsia in ballingschap waren Georgios van Trebizond (1395-1486), Basilios Bessarion (1403-1472) en Ioannes Argyropoulos (1415-1487). In het kielzog van deze geleerden kwam ook een heel leger kopiisten over wie de geschiedenisboeken spijtig genoeg al te zwijgzaam zijn. Het gebruik van de drukpers voor het kopiëren van de Griekse literatuur liet immers op zich wachten tot het einde van de vijftiende eeuw. Deze kopiisten hielden zich dus ondertussen onafgebroken bezig met het zorgvuldig kopiëren van Griekse manuscripten. Zonder hun inspanningen zou de verspreiding van de Griekse literatuur een stuk moeizamer zijn gegaan. Wanneer de Venetiaan Aldus Manutius (1449-1515) uiteindelijk in de jaren 1490 de eerste Griekstalige drukpers oprichtte, nam hij een schare Byzantijnse vluchtelingen in dienst om te helpen bij de publicatie van de talrijke antieke teksten die van zijn drukpers zouden rollen. Ondanks een bestaan in de schaduw van de grote namen, is de Renaissance hen veel verschuldigd.

De Byzantijnse geleerden hielden zich in Italië echter niet alleen bezig met de promotie van de Griekse taal, maar namen tevens actief deel aan de geleerde debatten die de Italiaanse humanistengemeenschap in de ban hielden. Zo speelden ze een belangrijke rol in de op dat moment oplaaiende discussie over welk filosofisch systeem beter is: dat van Plato of dat van Aristoteles. Op dat ogenblik kende Aristoteles in het katholieke Europa een grotere achterban dan Plato. De aristoteliaanse leer was immers sterk geïntegreerd in de theologie van de Rooms-katholieke kerk en dit voornamelijk dankzij de filosoof-theoloog Thomas van Aquino (1225-1274). De platonisten kenden heel wat tegenwind vanuit theologische kringen. Vele vrome christenen vreesden immers dat de aanhang van het platonisme zou ontaarden in een verwaarlozing van christelijke waarden en zelfs in een terugkeer van het heidendom. De ironie ligt erin dat de christelijke theologie eigenlijk oorspronkelijk gevormd werd met behulp van (neo-)platoonse concepten. Toch groeide bij de Italiaanse intellectuele elite de interesse voor Plato’s leer. Het politieke klimaat werkte dit onder andere in de hand. In de veertiende en vijftiende eeuw vielen immers een voor een de Italiaanse republieken en werden deze regimes ingewisseld voor alleenheerschappijen zoals die van de Medici in Firenze. Het aristotelisme spoorde aan tot een actief politiek leven, wat steeds gevaarlijker en moeilijker werd. Plato daarentegen gold als een grote tegenstander van de democratie en hij was het politieke systeem van de monarchie gunstig gezind mits de vorst zich liet bijstaan door filosoof-raadgevers. De gewone burger moest zich echter niet bemoeien met staatszaken en op zichzelf leven. Hiertegen had de geleerde eigenlijk geen bezwaar aangezien een teruggetrokken bestaan, verzonken in studie en contemplatie, hem wel kon smaken. Later zouden de illustere geesten Niccolò Machiavelli (1469-1527) en Pico della Mirandola (1463-1494) platonisten blijken in dit opzicht. Er was echter aanvankelijk één groot probleem: er bestonden nauwelijks goede vertalingen van de werken van Plato en zijn school. Bijgevolg was de kennis van zijn filosofie uiterst oppervlakkig. Wederom schoten de Byzantijnen de Italianen te hulp. Verschillende Griekse geleerden begonnen zich vervolgens toe te leggen op het onderricht van deze filosofie en op het leveren van gedegen Latijnse vertalingen.

Georgios Gemistos Plethon - Fresco van Benozzo Gozzoli, Palazzo Medici Riccardi, Firenze.
Georgios Gemistos Plethon – Fresco van Benozzo Gozzoli, Palazzo Medici Riccardi, Firenze. (Publiek Domein – wiki)
Georgios Gemistos Plethon speelde een belangrijke rol in de inwijding van de Italianen in Plato. In 1438 reisde deze filosoof vanuit Mystras af naar Firenze als lid van de Byzantijnse delegatie bij het Concilie van Firenze dat de hereniging van de Westerse en Oosterse kerk beoogde. Wanneer de vurige theologische debatten van het concilie de filosoof niet bezighielden, droeg hij choleriek verscheidene lezingen voor over de platonische leer. Voor het Florentijnse publiek opende hij als het ware een nieuwe wereld. De neoplatoonse humanist Marsilio Ficino (1433-1499) zou later opmerken:

- ad -

“Plethon brought the spirit of Plato from the Byzantine Empire to Italy”.

De voorstanders van het platonisme konden voortaan beter gewapend het strijdperk betreden tegen de aristotelianen. In deze grote discussie bleven de Grieken een belangrijke rol spelen. Het was dan ook uiteindelijk een Byzantijn, kardinaal Bessarion, die de doorbraak forceerde in het debat door met succes het platonisme te verzoenen met de katholieke theologie en aldus de belangrijkste tegenargumenten van de aristotelianen ontkrachtte.

- advertentie-


Graf van Plethon in the Tempio Malatestiano (1465), Rimini.
Graf van Plethon in the Tempio Malatestiano (1465), Rimini. (CC BY-SA 3.0 – Sailko – wiki)

Slot

In 1466 bracht de Italiaanse condottiere Sigismondo Malatesta (1417-1468) het lichaam van de intussen overleden Plethon († 1454), symbool van de Palaeologenrenaissance, vanuit het Griekse Mystras over naar Rimini in Italië. Hoe het overbrengen van een symbool een symbool op zich werd! De verplaatsing van de wijlen Plethon kan immers als metafoor dienen voor de verhuizing van het Byzantijnse intellectuele nalatenschap naar Italië. Net als Plethon werd deze opleving van de Griekse geest gevormd in Byzantium en net als Plethon week deze uit naar Italië ten gevolge van de Turkse opmars.

De Griekse bijdrage aan de Italiaanse renaissance is van onschatbare waarde geweest door hun overlevering van de klassieke Griekse traditie. Daarnaast creëerden ze heel wat nieuws van theologie tot filosofie, van briefliteratuur tot geschiedschrijving. Desondanks is de meerderheid van hun literatuur onder het stof beland. Een groot deel van hun werken is weliswaar moeilijk leesbaar, maar vele zijn nog steeds in staat om de hedendaagse lezer te bekoren en begeesteren. Het bewustzijn van deze Byzantijnse bloeiperiode groeit langzaam maar zeker. Vele werken wachten om terug op te doemen en zich opnieuw te tonen aan het bredere publiek. De Palaeologenrenaissance staat nog een grote toekomst te wachten!

~ Olivier Goossens

- ad -

Ook interessant: Aï-Khanoum: Grieken in Afghanistan
…of: ‘Het Byzantijnse erfgoed wordt verwaarloosd’
Boek: Vergelijking tussen het Oude en het Nieuwe Rome

Bibliografie

- advertentie-

-Harris, J., “Byzantines in Renaissance Italy”, The ORB: On-line Reference Book for Medieval Studies. Geraadpleegd op 4 oktober 2020 via https://the-orb.arlima.net/encyclop/late/laterbyz/harris-ren.html.
-Herrin, J., Byzantium: the Surprising Life of a Medieval Empire, 2007.
-Kaplan, M., Pourqoui Byzance?: un empire de onze siècles, 2016.
-Keller, A., “Two Byzantine Scholars and Their Reception in Italy”, Journal of the Warburg and Courtauld Institutes, 1957, vol. 20, 363-370.
-Kianka, F., “Demetrius Cydones and Thomas Aquinas”, Byzantion, Vol. 52, 1982, pp. 264-286.
-Lloyd-Jones, H., “Classical Scholarship”, Encyclopedia Britannica. Geraadpleegd op 4 oktober 2020 via https://www.britannica.com/topic/classical-scholarship.
-Nicol, D., “Byzantine Mistra – Sparta in the mind”, British School at Athens Studies, 1998, Vol. 4, 157-159.
-Runciman, S., The Last Byzantine Renaissance, 1970.
-Runciman, S., Lost Capital of Byzantium: The History of Mistra and the Peloponnese, 1980.
– Ševčenko, I., “Palaiologan Learning”, The Oxford History of Byzantium, red. C. Mango, 2002, 284-293.
-S.n., “Katholikon Mouseion”, About Libraries. Geraadpleegd op 5 oktober 2020 via https://staikoslibraries.gr/en/the-byzantine-world/2015-01-07-11-15-10.html.
-S.n., “Maximus Planudes”, Encyclopedia Britannica. Geraadpleegd op 5 oktober 2020 via https://www.britannica.com/biography/Maximus-Planudes.
-Wilson, N., Scholars of Byzantium, 1996 (1983).

Verder speuren:

Bekijk ook onze uitgebreide onderwerpenlijst of het personenregister


Uit het archief:

Meer tips ➱