Dark
Light

Het slavernijverleden van het Mauritshuis

5 minuten leestijd
Een van de zalen van het Mauritshuis (Ivo Hoeksta- Mauritshuis)
Een van de zalen van het Mauritshuis (Ivo Hoeksta- Mauritshuis)

In zijn bijdrage aan Historiek Slavernij-achtergrond Mauritshuis is zorgvuldig gewist betreurt Zihni Özdil dat de “echte geschiedenis” van het gebouw op de website en in de folders voor de bezoekers niet aan de orde komt. De bouwheer van het Mauritshuis, Johan Maurits van Nassau-Siegen is namelijk als gouverneur van Nederlands Brazilië i) “zeer rijk [ geworden] over de rug van de tot slaaf gemaakte Afrikanen”, ii) bekend geworden om zijn “uitzonderlijk wrede bewind tegenover de slaven”, dat zelfs de goedkeuring van “de kerk” zou hebben gehad en iii) gek op weelde en paleizen, waarvan hij als alleenstaande er maar liefst drie bezat.

Al deze opmerkingen hebben ten doel de lezer duidelijk te maken dat de opvattingen van Zihni Özdil in moreel en ethisch opzicht ver uitsteken boven die van Johan Maurits. Daar heeft de genoemde bijdrage mij inderdaad geheel van overtuigd. Zelfs als de heer Özdil zou hebben beweerd dat zijn opvattingen niet alleen superieur zijn aan die van Johan Maurits, maar ook aan die van vrijwel alle zeventiende-eeuwers binnen en buiten Nederland, kan hij op mijn instemming rekenen. Bravo!

Met de “echte geschiedenis” heeft de bijdrage van Özdil echter weinig te maken en zeker niet met de wetenschappelijke variant, voor de beoefening waarvan – zo vertelt zijn persoonlijke website – hij in Rotterdam wordt opgeleid. Tot de belangrijkste fundamenten van de wetenschappelijke geschiedbeoefening behoren: logisch nadenken, kritisch literatuur- en bronnenonderzoek alsmede acribie. Alle drie ontbreken in de bijdrage van de heer Özdil.

“Özdil wil het verleden kritiseren met de waarden en normen van vandaag, verder lijkt zijn ambitie niet te gaan. Dat is een levensgroot probleem, want die instelling maakt de wetenschappelijke beoefening van de geschiedenis onmogelijk.”

Kritisch bronnenonderzoek en kennisname van de literatuur zouden hebben verhinderd dat Özdil Johan Maurits zou hebben beschuldigd over de rug van Afrikaanse slaven rijk te zijn geworden. Als er iemand rijk is geworden van de slavenarbeid in Nederlands Brazilië dan waren dat de – meestal Portugese – eigenaren van suikerrietvelden en suikermolens. Ik betwijfel echter of we echt van rijkdom kunnen spreken, want veel van deze bedrijven liepen grote schade op tijdens de verovering door de Nederlanders en ook daarna ten gevolge van de talloze guerrilla-aanvallen vanuit dat deel van Brazilië, dat nog in Portugese handen was. Johan Maurits was gouverneur, geen eigenaar van een plantage of een suikermolen. Als hij rijker uit Brazilië is vertrokken dan hij er naar toe gegaan is, dan bestond die vermogensaanwas uit gespaard salaris betaald door zijn werkgever, de West-Indische Compagnie (WIC ) en uit een percentage van de krijgsbuit. Dat salaris kan de WIC niet hebben betaald uit de winsten van de slavenhandel of de slavernij, want de Compagnie maakte juist grote verliezen op die handel en van winstgevende Compagniesplantages is mij niets bekend. Kortom, het is juist dat Johan Maurits de Nederlandse slavenhandel naar Brazilië mogelijk heeft gemaakt en geen einde heeft gemaakt aan de slavernij zoals hij die aantrof in de kolonie, maar rijk is hij er niet door geworden.

Logisch nadenken zou hebben voorkomen dat de heer Özdil het slavenregime van Johan Maurits als uitzonderlijk wreed kenschetst. Het ligt immers voor de hand om te veronderstellen dat Johan Maurits helemaal geen eigen slavenregime heeft ingevoerd, maar dat hij de behandeling van de slaven heeft overgelaten aan hun overwegend Portugese eigenaren. Om de loyaliteit van de Portugese kolonisten te winnen moest je je als gouverneur van een vijandige staat niet met hun slaven bemoeien.

Zonder acribie is het weliswaar mogelijk te beweren dat Jan en alleman voor alles en nog wat “toestemming” hebben gegeven, maar op welk archiefstuk baseert Özdil zijn claim dat de slavernij in Brazilië de goedkeuring van “de kerk” kon wegdragen? Hij weet toch wel dat “de kerk” in de zeventiende-eeuwse Nederlanden niet meer bestond? De meeste kolonisten in Nederlands Brazilië waren rooms-katholiek en met dat kerkgenootschap onderhield de Nederlandse republiek geen warme banden, laat staan dat Nederland deze kerk om toestemming heeft gevraagd om Brazilië te veroveren en de daar aanwezige slavensamenleving te continueren. Bedoelt Özdil misschien de Nederduits gereformeerde kerk, de officieuze Nederlandse staatskerk in die tijd? Het is juist dat deze kerk een aantal dominees naar Brazilië heeft gestuurd en dat die dominees geen protest hebben aangetekend tegen de slavernij daar. Dat gold echter ook – om maar eens wat te noemen – voor de kinderarbeid in Nederland, de ondergeschikte positie van de vrouw, het straffen van homoseksuelen, het voeren van oorlogen, de doodstraf, kaartspelen en het roken van tabak. Die misstanden hebben de kerken in de zeventiende eeuw slechts zeer incidenteel gekritiseerd, maar dat is volstrekt iets anders dan er expliciet toestemming voor geven.

Mauritsstad en Recifce op een kaart van Johannes Vingboons uit 1665 (Nationaal Archief)
Mauritsstad en Recifce op een kaart van Johannes Vingboons uit 1665 (Nationaal Archief)

De meest opvallende kritiek in de beschouwing van de heer Özdil betreft de weelde, waarin Johan Maurits zich zou wentelen. Drie paleizen voor één vrijgezel, terwijl een eenvoudig appartement voldoende zou zijn geweest. Opvallend is dat Özdil geheel voorbij gaat aan het nuttige effect van de in zijn ogen exorbitante levensstijl van Johan Maurits. Want door talloze kunstenaars en geleerden naar zijn kolonie te halen, is Nederlands Brazilië de best bestudeerde en meest afgebeelde exotische gebied uit de zeventiende eeuw geworden en daar plukken botanisten, ornithologen, (kunst)historici en nog wel meer wetenschappers nu nog de vruchten van, terwijl Den Haag werd verrijkt met een prachtig stadspaleis, naar buitenlandse maatstaven overigens van zeer bescheiden omvang.

De kritiek van Özdil getuigt van een diepgaande onkunde van het verleden en van een grote weerzin om dat verleden te begrijpen. Pracht en praal hoorden bij de standenmaatschappij, waarin Johan Maurits opgroeide. Dat is volgens de huidige opvattingen sociaal niet rechtvaardig, maar dat was toen zo. Nergens in zijn bijdrage geeft de heer Özdil aan waarom hij het uitgerekend Johan Maurits kwalijk neemt een kind van zijn tijd te zijn. Overigens vermoed ik dat Özdil alle voorgaande generaties verwijt er verkeerde ideeën op na te houden. Dat is een schrale troost voor Johan Maurits, maar toch. Alles wijst erop dat de heer Özdil het verleden helemaal niet wil kennen en begrijpen, omdat hij er ten onrechte van uitgaat dat begrijpen gelijk staat aan goedpraten. Özdil wil het verleden kritiseren met de waarden en normen van vandaag, verder lijkt zijn ambitie niet te gaan. Dat is een levensgroot probleem, want die instelling maakt de wetenschappelijke beoefening van de geschiedenis onmogelijk, terwijl de Erasmusuniversiteit nu juist de heer Özdil betaalt om professioneel historicus te worden en hem daartoe van een in Nederland zo schaarse promotiebeurs heeft voorzien. Die beurs dwingt de heer Özdil zich vrijwel dagelijks met het verleden bezig te houden en dat moet een ware kwelling zijn. Daarom besluit ik met een welgemeend advies: een opleiding tot wetenschappelijk historicus is helemaal niet nodig om het verleden te bestuderen op basis van onze huidige opvattingen. Integendeel, dat schept maar verwarring. Zihni Özdil, ga wat anders doen.

~ Piet Emmer
emeritus hoogleraar geschiedenis van de Europese expansie

Berichten in deze serie:

Zihni ÖzdilSlavernij-achtergrond Mauritshuis is zorgvuldig gewist – 2/7/2014
Zihni ÖzdilDe drogredeneringen van Piet Emmer – 3/8/2014

×