Krantlezende mannetjes die ongegeneerd de godganse dag achter je aanlopen. Afluisterapparatuur en trucjes om je in de val te laten lopen. Het is het beeld van Oost-Duitsland voor de val van de Muur. En de realiteit voor Betty en Siem van Heusden, beiden aan de andere kant van de Muur en verliefd.
De geboren Edese vertrekt in 1950 met haar veel oudere Duitse man naar Oost-Berlijn. Vanwege de slechte economische situatie wil het gezin in 1961 naar West-Duitsland verhuizen. Betty’s man heeft net een baan gekregen in Frankfurt. Ze zullen ’s maandags weggaan, de tickets zijn al geboekt, het huis is leeg. Maar zondag wordt de Berlijnse Muur gebouwd en is er geen doorkomen meer aan. “Zaterdag waren we nog in West-Duitsland naar de markt geweest. Zondag was het onmogelijk om nog aan de andere kant te komen”, vertelt Betty. Haar man krijgt meteen een zenuwinzinking. En zo verandert hun hele leven.

De westerse kapitalist
Bij toeval ontmoet Betty een Nederlandse jongen uit West-Berlijn die op bezoek is in Oost-Berlijn. De Nederlanders worden goede vrienden en twee jaar na hun ontmoeting neemt de jongen zijn vader Siem uit Zuid Holland mee. Het stel, weduwe en weduwnaar, wordt verliefd. Siem: “Ik werkte in Rotterdam in ploegendiensten. En na zo’n dienst was ik elf dagen vrij, dan ging ik naar Oost-Berlijn”. Dat was in 1985, toen buitenlandse toeristen met een dagvisum naar Oost-Duitsland mochten komen. Siem betaalde 35 Duitse marken om bij zijn geliefde te zijn.
Dan moest ik ’s avonds voor twaalf uur weer naar de grens, om terug te gaan naar West-Duitsland. Als ik daar was ging ik weer in rij staan om naar Oost-Duitsland te gaan en moest ik weer die 35 mark betalen. Zo ging dat elke dag.
Zodra Siem zijn eerste visum heeft gekocht, wordt hij achtervolgd door Stasi-officiers. “Die stonden elke morgen voor het huis een krantje te lezen”, vertelt Betty. “En als we ergens gingen eten, dan gingen ze aan de tafel naast ons zitten. Er was een roodharige man, die er elke dag bij was. Hij ging overal met ons naartoe, maar we hebben nooit een woord met hem gewisseld.” Het stel heeft het idee dat de Stasi hen op allerlei manieren het leven probeert zuur te maken. “Dan kwamen we bijvoorbeeld twee mannen tegen die Oost-Duitse Marken wilden wisselen voor West-Duitse. Dat was illegaal, dus we weigerden. Het waren mannen van de Stasi die ons ergens op probeerden te pakken.” Ook Betty’s werk bij de Staatsopera lijdt onder de relatie. “Ik sprak voor de eerste keer met een collega over Siem en die vertelde dat meteen door aan de directeur. Ik werd uit mijn functie ontheven en kreeg een andere, mindere functie. Ik had immers connecties met iemand uit het kapitalistische westen. “Ik krijg je nog wel klein”, zei hij. “En toen kreeg ik bijvoorbeeld na een avonddienst een ochtenddienst, zodat ik amper kon slapen. Ik ben toen ziek thuis gebleven.”
Meer mensen zijn ‘bang’ voor Siem. “Er kwam een keer een politie-agent bij ons langs en toen vroeg ik of hij een kop koffie wilde”, vertelt Siem. “Ik zei dat het in Nederland heel normaal was om iemand een kop koffie aan te bieden. Maar de agent vond het gevaarlijk, omdat hij dan contact zou hebben met een kapitalist. Uiteindelijk heeft hij toch een kop Irish koffie gehad.”
Door de aanwezigheid van Siem krijgen ze in huis ook afluisterapparatuur. “We hadden op een gegeven moment teveel geld in huis en toen hebben we dat verstopt achter een schilderij, voordat we weggingen”, vertelt Betty. “Toen we weer thuiskwamen, was er 200 mark weg. Toen wisten we dat we in huis niet meer vrijuit konden praten.” Dat niet praten ging Betty sowieso goed af. “Bij de taxicentrale werkten heel veel mensen voor de Stasi. Maar dat wist je, je moest gewoon niet met die mensen over politiek praten. Het ergste waren de mensen waarvan je het niet wist”, vertelt Betty. Siem haalt het boek ‘1984’ van George Orwel aan. “Zo was het precies.”
Naar het vrije westen

In Betty’s gezin werkte niemand voor de Stasi, vrienden bij de Stasi had ze ook niet. “Ik had geen vriendinnen, ik vertrouwde niemand. Na het overlijden van mijn eerste man kreeg ik wel behoefte aan vriendinnen, maar ik durfde nog steeds niemand te vertrouwen.” Dat bleef ook zo toen ze net in Nederland kwam. “Op een gegeven moment belde er iemand bij de buren voor mij (zij hadden zelf nog geen telefoon red.). Ik weigerde op te nemen, niemand kende mij hier, ik vertrouwde het niet.” Het bleek een oude buurjongen te zijn uit Ede, die in het kerkblad had gelezen dat het stel binnenkort voor de kerk ging trouwen.
‘Het is een wonder dat alles goed is gegaan’
Dat Betty de tijd in Oost-Berlijn goed is doorgekomen ziet ze als een wonder. “Ik ben niet op m’n mondje gevallen, maar op één of andere manier wist ik altijd op de goede momenten mijn mond te houden”, zegt ze. “Ik denk dat ik hulp kreeg van boven.” Aan ontsnappen heeft Betty nooit gedacht. “Er werden geheime gangen gegraven onder de Muur. Dan kon je door een hoop modder aan de andere kant komen. Dat heb ik nooit gedurfd.”

De dochter die in Nederland is opgegroeid zag ze pas weer aan het eind van de ’70 er jaren. Ze hebben nog steeds goed contact, bellen elkaar bijna dagelijks. Betty’s Duitse kleinkinderen komen vaak langs. Siem’s zoon die het stel bij elkaar bracht is jong overleden, hij werd 33 jaar. Nostalgie naar Oost-Duitsland heeft Betty allerminst. “Siem heeft meer heimwee naar Berlijn dan ik”, lacht ze. Het echtpaar woont nu samen in Harderwijk en is er gelukkig. Weinig herinnert nog aan Oost-Duitsland. Ze mochten niks meenemen. Alleen de trouwfoto herinnert nog aan de Stasi. “Op die foto kun je nog afluisterapparatuur zien.”
oktober 2009
Het WK-voetbal 1974 – De topwedstrijd van de Staatsveiligheidsdienst
Ruim negen meter hoog Lenin-beeld in Oost-Groningen
De juridische hogeschool van de Staatsveiligheidsdienst
Het verraad van een Oost-Duitse Stasi-agent