De Rijke Berg van armoede

Geld heeft een opmerkelijke reputatie. Twee, eigenlijk. Enerzijds wil het overgrote deel van de mensheid er bij voorkeur zoveel mogelijk van bezitten, of in elk geval ruim voldoende om aan zijn behoeften te voorzien – behoeften die opschuiven naar andere categorieën naarmate we over meer financiële armslag beschikken. En iets meer of veel meer dan ruim voldoende is ook goed.

Cerro Rico in Bolivia
Tegelijkertijd heeft geld een zeer dubieus imago. De uitspraak ‘geld stinkt niet’ (1) heeft alleen bestaansrecht doordat sommigen beweren dat geld wel stinkt. Vraag een Nederlander hoeveel hij maandelijks verdient, en je maakt geen vrienden. Of in elk geval is het zeer onwaarschijnlijk dat je een antwoord op je vraag krijgt. Vraag iemand wat het belangrijkste in het leven is, en hij zal zaken opnoemen als zijn gezin, liefde, geluk en gezondheid – tenminste, wanneer hij over voldoende geld beschikt om het benodigde onderhoud aan deze waarden te plegen. Zo’n expliciete vraag vinden we onbehoorlijk. Waarschijnlijk komt dat door de vooraanstaande positie die geld in ons leven is gaan spelen: als meetlat. Als we vragen hoeveel iemand verdient, vragen we in verpakte vorm naar wat hij waard is. En dat hoor je niet te doen.

Blijkbaar is geld iets waar we niet expliciet over behoren te praten. Misschien komt dat wel doordat één van de eerste internationale vormen van geld zijn oorsprong vond in de hel. Althans, zo werden de zilvermijnen in Potosí beschouwd, waarin mijnwerkers afdaalden om het glimmende metaal aan de berg te onttrekken om muntgeld van te maken. Het werken in de mijn zelf, uitgegraven in de Cerro Rico (‘Rijke Berg’), die in 1545 door de Inca indiaan Diego Gualpa was ontdekt als zijnde een berg van massief zilvererts, was gruwelijk, zwaar en levensbedreigend.

Francisco Pizarro (1476-1541)
Francisco Pizarro
Francisco Pizarro was in 1530 met zijn conquistadores Peru binnen getrokken om zijn Spaanse vorsten Ferdinand en Isabel – dezelfden die Columbus op weg hadden gestuurd op zoek naar uitheemse rijkdom – te verrijken met een maximale hoeveelheid goud en zilver. Als er iets een illustratie vormt van de ondergeschiktheid van het belang van gezin, liefde, geluk en gezondheid aan dat van geld, is het wel de manier waarop Pizarro vond zaken te moeten doen met de indianen: hij slachtte ze af. De zilvermijn werd door de Spanjaarden vervolgens volgestopt met indianen die nog over waren. In beginsel nog voor een vergoeding, maar na verloop van tijd was er geen indiaan meer te vinden die zijn gezin, liefde, geluk en gezondheid en uiteindelijk zijn leven in de waagschaal wilde stellen voor het naar boven halen en bewerken van de door de Spanjaarden gewilde zilvererts. De inheemsen waren alleen nog maar met dwang de mijnen in te krijgen, was de conclusie van de conquistadores. En zo geschiedde.

- advertentie -

De tweehonderd meter diepe en donkere mijnschachten stonken naar de dood. Geld stonk daar dus wel degelijk. Om het zilvererts bruikbaar te maken voor omsmelting tot muntgeld moest het vertrapt worden samen met kwik, wat een uiterst giftig goedje is. Het mengsel werd daarna gewassen en verbrand. De luchten die hierbij vrij kwamen waren zeer giftig (de mijnen zijn dat tegenwoordig nog steeds). De mijnwerkers ademden zwaar, op hun afdaling van de gevaarlijk steile trappen, diep in het binnenste van de berg, die op zichzelf al door zijn hoge ligging en de ijle lucht het ademen zwaar en moeizaam maakte. Zwarte rijkdom omringde hen; het zwart was voor de tot slaaf gemaakte indiaan, de rijkdom voor de Spanjaard. De afdaling was gevaarlijk, de weg terug, met een rugzak vol erts, gevaarlijker. De mijnwerkers die niet stierven als gevolg van een fatale val of giftige dampen gingen dood of raakten gewond door calamiteiten als aardverschuivingen.

De berg en de mijn werden beschreven als ‘een hellemond’ en ‘helse groeven’. ‘Als er op maandag twintig gezonde indianen naar binnen gaan, kan de helft er op zaterdag verminkt uitkomen’, schreef een getuige. De conclusie van een ander was: ‘Elke Pesomunt die in Potosi is gemaakt heeft het leven van tien indianen gekost, die diep in de mijnen zijn omgekomen.’ Toen de voorraad indianen opraakte, importeerde de Spanjaarden nieuwe slaven uit Afrika.

~ Michiel van Straten


1 – De Romeinse keizer Vespasianus (9-79 n.Chr.) moest na uitspatting van eerdere keizers flink bezuinigen. Zo hief hij onder anderen belasting op urinoirs. Zijn zoon Titus, die daarover klaagde, hield hij een muntstuk onder de neus met de vraag of die stonk. Toen Titus ontkennend antwoordde, zei Vespasianus dat de munt verdiend was met de belasting op de urinoirs. Geld stinkt niet, was zijn conclusie, hoe het ook was verdiend.

Dit atikel is afkomstig van online geschiedenismagazine www.historiek.net

Meer van dit soort berichten? Like ons dan!

Gelijk naar geschiedenisboeken over:
Ook adverteren op Historiek?
Goede keus! Klik hier