/

Lief en leed in het Artis van toen en nu

Recensie van ‘De oppasser’ van Job van Tol
De oppasser - Detail van de boekcover
De oppasser - Detail van de boekcover

Job van Tol heeft een beroep waar menig kind (en volwassene) van droomt. Sinds 2008 werkt hij als dierverzorger in Artis. Behalve dat hij elke werkdag omringd wordt door velerlei diersoorten bevindt hij zich ook op een locatie met een rijke geschiedenis. Dagelijks treedt hij in de voetsporen van gedenkwaardige voorgangers die hun bijdrage leverden aan het bijna twee eeuwen durende bestaan van de dierentuin. Zo iemand was Boudewijn Bollee die begin twintigste eeuw oppasser in het reptielenhuis was. Eens moest hij een schoonmaakster om hulp vragen omdat een hongerige boa constrictor zich om zijn arm had gewikkeld en niet van plan was los te laten. En wat te denken van ‘Inspecteur van de Levende Have’ Frits Portielje die in het Apenhuis graag een sigaar rookte met de reuzenorang-oetan Sultan?

De oppasser - Job van Tol
De oppasser – Job van Tol
In ‘De oppasser’ schrijft Van Tol afwisselend over zijn eigen ervaringen in Artis en over die van enkele inspirerende collega’s die een grote invloed hadden op ontwikkelingen in de dierentuin, de zoölogie en natuureducatie in Nederland. Ook wordt door hem ingegaan op de ontstaansgeschiedenis van Artis. Het was in 1838 toen de sociëteit Natura Artis Magistra werd opgericht. Van een wetenschappelijke club voor de gegoede burgerij ontwikkelde Artis zich tot een dierentuin die voor iedereen toegankelijk was. Het begon allemaal met een klein lapje grond waarop enkele exotische dieren gehouden werden, waarvan de Surinaamse boskat het bijzonderst was. In 1839 werd de collectie uitgebreid met de menagerie (dierencollectie) van Cornelis van Aken. Vanaf dat moment was Artis volgens Van Tol…

“…de trotse bezitter van leeuwen, een tijger, een poema, een panter, ijsberen, bruine beren, hyena’s, een zebra, een gnoe, een kangoeroe en een vijf meter lange boa constrictor”.

Het topstuk was volgens hem echter olifant Jack. Daarmee liep het overigens niet goed af, want de stier werd in 1849 afgemaakt omdat hij te agressief was en ondanks extra veiligheidsmaatregelen telkens wist te ontsnappen.

Volière in Artis - Emrik en Binger, ca. 1875-1900
Volière in Artis – Emrik en Binger, ca. 1875-1900

Nijlpaard Herman

Gerardus Westerman, een van de oprichters en de eerste directeur van de dierentuin, vond in een nijlpaardenechtpaar een goede vervanging voor de olifant. Een in 1865 in Artis geboren nakomeling van het paar was het eerste nijlpaardenkalf dat buiten het wild opgegroeide. Voor Herman jr., zoals het nijlpaardje heette, werd een stal ingericht in het kantoor van de directeur, die de kleine zelf liefdevol voedde met melk. Westerman kon echter geen weerstand bieden aan de meer dan tienduizend gulden die een rijke Amerikaan bood voor het dier. Ook dit verhaal loopt niet goed af, zo beschrijft Van Tol. Op een tussenstop onderweg naar de Verenigde Staten werd Herman jr. tentoongesteld op de wereldtentoonstelling van 1866 in Sydenham. Bij een brand kwam het arme beest hier om het leven. Dit gaf echter zoöloog dr. E. Crisp voor het eerst de gelegenheid om een nijlpaard te ontleden – en een hapje te proeven van het geroosterde nijlpaardenvlees, dat “voortreffelijk” smaakte.

Filmbeelden van Artis in 1938 (Polygoon)

Ontwikkeling en onderzoek

Van Tols boek bevat meer dan alleen anekdotes, want hij beschrijft ook hoe er in Artis in de loop der tijd steeds serieuzer werd omgegaan met de dieren. Groepsdieren werden niet meer alleen in een verblijf geplaatst, de natuurlijke omgeving van de dieren werd zoveel mogelijk nagebootst en er werden methoden gevonden om verveling bij de dieren te voorkomen. Ook legt hij uit welke rol de dierentuin speelde bij wetenschappelijk onderzoek en het behoud van diersoorten. Mede dankzij de inspanningen van Artis keerde de wisent in Europa weer terug in het wild, zo leren we. In de jaren twintig van de vorige eeuw was de diersoort door de jacht in zijn natuurlijke omgeving uitgestorven. De ‘stamvader’ die in Artis voor vele nakomelingen zorgde was Schaljapin die in 1937 op zeventienjarige leeftijd stierf aan mond-en-klauwzeer. Aan de hand van aantekeningen in de dagboekaantekeningen van dat jaar wordt zijn overlijden op dramatische wijze gereconstrueerd. Schaljapins laatst levende nakomeling in Artis stierf in 2015, maar overal ter wereld, zowel in gevangenschap als in de vrije natuur, leven nog wisenten die zijn voortgekomen uit het succesvolle fokprogramma van de Amsterdamse dierentuin.

Giraf in Artis - Willem van de Poll, 1933
Giraf in Artis – Willem van de Poll, 1933 (CC0 – wiki)

Wilde eenden

Een interessante, relatief onbekende figuur die aan bod komt is preparateur Paul Louis Steenhuizen die in Artis in een klein huisje zijn werkplaats had. Samen met zijn vrienden, de onderwijzers Eli Heimans en Jac. P. Thijsse, speelde hij een belangrijke rol bij het enthousiasmeren van het publiek voor de natuur in Nederland. Van Tol wijst onder andere op de pioniersrol van Steenhuizen als eerste vogelfotograaf. Terwijl Heimans en Thijsse volgens de auteur “goed in de herinnering vertegenwoordigd [zijn] gebleven”, is er weinig dat herinnert aan de even talentvolle als bescheiden preparateur. Zijn preparateurshuisje in Artis is verdwenen en ook een diorama van de Texelse duinen dat hij samen met Heimans maakte is er niet meer. Van Tol wijst er echter op dat het aan Steenhuizen te danken is dat “alle Amsterdamse parken tot op de dag van vandaag voorzien zijn van een gezonde wilde-eendenpopulatie”. Hij was namelijk Steenhuizen die ooit besloot om alle wilde eenden uit Artis los te laten vliegen. Van Tol schrijft:

“Dus wanneer u ooit het Thijssenpark in Amstelveen betreedt, of Heimans’ Sarphatipark binnengaat, om daar in alle rust de eendjes te voeren, dan is dat misschien een mooie gelegenheid om te denken aan Paul Louis Steenhuizen, de bescheiden pionier.”

Mafuka

Beeld van Mafuka in Artis
Beeld van Mafuka in Artis (CC BY-SA 3.0 – Richardkw – wiki)
Aan alle historische personeelsleden van Artis die Van Tol behandelt, kleven interessante verhalen. Zo ook aan de autodidactische entomoloog Rudolf Polak die op de zolder van het olifantenverblijf zijn insecten kweekte. Hij moest wel op pantoffels lopen om de dikhuiden niet te storen. Aandoenlijk beschreven is de band tussen oppasser Wilhelm Hendricus Houtman en ‘chimpansee’ Mafuka. De aap was veel zachtaardiger dan zijn soortgenoten en dat was niet zo vreemd, want Mafuka was geen chimpansee maar een bonobo, een sociale apensoort die pas in 1927 als aparte soort werd erkend.

Om al deze historische informatie boven tafel te krijgen dook de schrijver in de archieven van Artis en het Stadsarchief Amsterdam. Ook haalde hij veel informatie uit de ongeëvenaarde krantendatabank van Delpher. Gecombineerd met zijn levendige beschrijving van zijn eigen, jaloersmakende ervaringen is een afwisselend en fijn leesbaar boek ontstaan over het lief en leed in het Artis van toen en nu. De schrijver weet zijn enthousiasme voor de historie van de zoölogie en natuureducatie goed over te brengen op de lezer. Wie na het lezen van dit boek Artis bezoekt, zal met eerbied – en een glimlach op het gezicht – denken aan alle in dit boek behandelde bijzondere voorgangers van Job van Tol.

~ Kevin Prenger

Boek: De oppasser – Job van Tol
Ook interessant: Dierentuin Artis in oorlogstijd

Bekijk dit boek bij:

Bekijk dit boek bij Historiek Geschiedenisboeken

Bekijk meer over:

Boekbesprekingen, Dieren

Categorieën

Vorige verhaal

De angst voor de Russen zit er diep in

Volgende verhaal

Nederland en de slag om de afschaffing van de slavernij