Wat doen we met de spullen? Leven in een tijd van overvloed

Wat doen we met de spullen? – Dick Wittenberg
Een
Een doos met spullen van Jo van Overdijk. Foto: Verse Beeldwaren
Wie sterft, verdwijnt van de aardbodem. Wat achterblijft, zijn de spullen. Wat zeggen die spullen over ons? Toen de Brabantse Jo van Overdijk achttien jaar was, had ze minder dan vijftig bezittingen. Toen ze op negentigjarige leeftijd overleed, waren dat er meer dan tienduizend. Aan de hand van een doorsnee nalatenschap vertelt journalist Dick Wittenberg in het vandaag verschenen boek Wat doen we met de spullen? (De Correspondent) hoe Nederland de afgelopen eeuw ingrijpend veranderde aan de hand van deze familiegeschiedenis. Op Historiek een fragment over hoe mensen vroeger en nu omgaan met hun spullen.

Leven in een tijd van overvloed

Als Jo van Overdijk als 18-jarig meisje had mogen voorspellen hoe oud ze zou worden, had ze zeker geen 90 gezegd. Vrouwen uit haar geboortejaar werden in Nederland volgens de toenmalige prognoses gemiddeld 67 jaar. Ze had niet kunnen dromen dat de levensverwachting van vrouwen tijdens haar leven tot 82 jaar zou toenemen, en zij dat gestegen gemiddelde dik zou overtreffen.

Identiteitsbewijs van Jo van Overdijk. Foto: Verse Beeldwaren
Als Jo van Overdijk als 18-jarig meisje in de toekomst had kunnen kijken en had gezien hoeveel spullen ze als 90-jarige zou achterlaten, zou ze vermoedelijk verbijsterd een hand voor de mond hebben geslagen. In de armoede van de crisistijd en met de schaarste in de oorlogsjaren groeide ze op. Hoeveel spullen ze in het jaar 1944 op haar 18e bezat, valt met geen mogelijkheid exact meer vast te stellen. Vermoedelijk waren het voornamelijk kledingstukken: jurken, sokken, ondergoed. Eén of twee paar klompen of schoenen. Verder een communiekruisje aan een ketting. Dertig voorwerpen mocht ze misschien de hare noemen. Vijftig lijkt al rijkelijk veel.

Hoe had ze kunnen weten dat de rest van haar leven zou samenvallen met het tijdperk van overvloed in de westerse wereld? ‘Nooit eerder in de wereldgeschiedenis bezaten mensen zoveel voorwerpen als tegenwoordig’, schreef Frank Trentmann in het boek dat in 2018 werd uitgegeven ter gelegenheid van de tentoonstelling Object Love in Sittard.

‘In de twintigste eeuw verdubbelde de welvaart per persoon in de Verenigde Staten elke tweeëndertig jaar’

Twee jaar eerder publiceerde deze Duitse hoogleraar geschiedenis zijn vuistdikke historie van de consumptiemaatschappij, Empire of Things, gebaseerd op het uitgebreide onderzoeksprogramma Cultures of Consumption aan de University of London. In zijn boek laat hij zien dat het overgrote deel van de mensheid het overgrote deel van de geschiedenis op het absolute bestaansminimum balanceerde of net erboven. Meer dan 100.000 jaar was dat het geval. Voor ruim 10 procent van de huidige wereldbevolking geldt dat volgens de Wereldbank nog steeds.

Hoe een absoluut bestaansminimum eruitziet en wat dat betekent, beschrijf ik in het boek Binnen is het donker, buiten is het licht. Een boek dat bij Toon van Overdijk in de kast staat. Kroniek van het naakte bestaan in een Afrikaans dorp, luidt de ondertitel. Een jaar lang volg ik in dat boek het leven in Dickisoni, een doorsnee dorp in Malawi. In elk van de lemen huizen passen alle bezittingen op één rieten mat.

Rijkdom is de aberratie in de historie van de mens, armoede de regel. Vanaf het begin van de christelijke jaartelling tot 1820 groeide de wereldeconomie gemiddeld met niet meer dan 0,06 procent per jaar, becijferde de Britse econoom Angus Maddison. Dat komt neer op een povere 6 procent per eeuw. Een minieme toename van welvaart, nauwelijks te onderscheiden van stagnatie.

Videobanden van Jo van Overdijk. Foto: Verse Beeldwaren

Daar kwam pas verandering in door de eerste industriële revolutie en, in een hogere versnelling, door de tweede industriële revolutie vanaf 1870. Bewoners van de westerse wereld begonnen steeds rijker te worden, schrijft Robert J. Gordon in The Rise and Fall of American Growth. En rijker. En nog altijd rijker. Niet alleen de bovenlaag, de bevolking als geheel. In de twintigste eeuw verdubbelde de welvaart per persoon in de Verenigde Staten elke tweeëndertig jaar. De rest van de geïndustrialiseerde wereld deelde in die ongekende groei. Tussen 1948 en nu verviervoudigde het inkomen per hoofd van de bevolking in Nederland, gecorrigeerd voor inflatie, stelt de econoom Jaap van Duijn in Gouden jaren, het boek van Annegreet van Bergen. In haar boek vertelt ze het verhaal van de ongekende welvaartsgroei na de Tweede Wereldoorlog. Aan de hand van sprekende voorbeelden toont ze aan dat ‘uitzonderlijke rijkdom’ in Nederland in amper driekwart eeuw ‘gewoon’ geworden is. Watercloset, warmwatervoorziening en centrale verwarming kwamen binnen het bereik van de massa. Net zoals de stofzuiger, de koelkast, de wasmachine, de televisie en de auto.

Voller en voller

‘Verbijsterd was ze toen ze ontdekte dat al die spullen bij elkaar 8,5 keer de oppervlakte van haar huis besloegen’

Dit is precies het tijdperk waarin Jo van Overdijk heeft geleefd. Met de welvaartsgroei nam het aantal spullen in westerse huizen in rakettempo toe. Huizen raakten voller en voller. Bezittingen hoopten zich dermate op dat de meeste eigenaars in de eenentwintigste eeuw allang het overzicht kwijt zijn. Wie weet er nog hoeveel spullen hij of zij bezit, al is het maar bij benadering?

Voor de Nederlandse filmmaker Judith de Leeuw was deze vraag de reden om al haar spullen eens te tellen. Aanvankelijk stalde ze al die spullen in haar woning uit. Al snel kwam ze erachter dat daar geen beginnen aan was. Dus huurde ze een loods om daar al haar spullen neer te leggen. Kleding bij kleding, kopjes bij kopjes, keurig gecategoriseerd, elk voorwerp voorzien van een sticker met nummer erop. De film die ze hierover maakte in 2011, Overal spullen getiteld, laat dat monnikenwerk zien. Uiteindelijk kwam ze tot een totaal aantal van 15.734 spullen. 95 grote en kleine meubels. 876 boeken, waarvan 110 nooit gelezen. 870 dingen om aan te trekken, zoals 312 sokken en 60 broeken. 123 kapotte dingen, die nooit waren weggegooid. Verbijsterd was ze toen ze ontdekte dat al die spullen bij elkaar 8,5 keer de oppervlakte van haar huis besloegen.

Trailer van ‘Overal spullen’:

Onderzoeksjournalist Wolfgang Uchatius schreef in 2013 een spraakmakend artikel in het Duitse weekblad Die Zeit met als kop: ‘Jan Müller hat genug’. Jan Müller was 18 in 2013, net als Jo van Overdijk in 1944. Hij woonde nog bij zijn ouders en had een eigen kamer van 14,4 vierkante meter. Belangrijkste verschil met Jo was: hij bestond niet in het echt. Jan Müller was een bedenksel van een reclamebureau in Hamburg, geconstrueerd op basis van duizenden data over 18-jarigen in Duitsland. Jan Müller had ook Jan Doorsnee kunnen heten. Hij was de gemiddelde Duitse jongeman van 18 jaar. In het kantoor van het reclamebureau hadden ze Jan Müllers kamer nagebouwd. Aan de wand prijkte een poster van de Brooklyn Bridge en een stadsplattegrond van Manhattan. Naast zijn bureau hing een ansichtkaart van zijn eerste vriendin. In zijn nachtkastje lag een pakje condooms.

“Hoe konden ze hem verleiden nog meer spullen aan te schaffen?”

Vijfhonderd dingen bezat Jan Müller. Zoals twee voetballen, één basketbal, één volleybal. Drie bussen deodorant. Die kamer van Jan Müller moest reclamemensen in dat Hamburgse bureau stimuleren zich in de gevoelswereld van een 18-jarige Duitse jongen anno 2013 te verplaatsen. Hoe konden ze hem verleiden nog meer spullen aan te schaffen? Welke spullen wekten zijn verlangen? Wat wenste hij meer?

Die vijfhonderd spullen waren pas het begin voor Jan Müller. Een doorsnee Duitse volwassene bezat in het jaar 2012 tienduizend spullen, volgens het Duitse Bureau voor de Statistiek. Dat is ongeveer hetzelfde aantal spullen dat Jo van Overdijk bij haar overlijden in 2017 achterliet. Sinds ze in 1944 18 was, verdubbelde haar bezit gemiddeld elke negen jaar. Met dank aan de welvaartsstaat.

Schilderspullen van Jo van Overdijk. Foto: Verse Beeldwaren
Schilderspullen van Jo van Overdijk. Foto: Verse Beeldwaren

Burgers in rijke landen komen om in de spullen, schrijft Frank Trentmann in zijn geschiedenis van de consumptiemaatschappij. Mensen hebben volgens hem altijd al meer bezeten dan voor hun overleving strikt noodzakelijk was. Maar de huidige overvloed is ongeëvenaard. Honger naar spullen lijkt niet te stillen. Huizen puilen uit.

Hij wijst op een onderzoek van twee Amerikaanse antropologen in Los Angeles aan het begin van deze eeuw. Zij inspecteerden garages van middenklassengezinnen. Driekwart deed dienst als opslagplaats van gemiddeld een paar honderd dozen met spullen, zoals speelgoed. Nog maar in één op de vier garages stond een auto geparkeerd.

‘In 2017 had elke Nederlander boven de 16 jaar gemiddeld 173 kledingstukken. Bijna een kwart daarvan werd nooit gedragen’

Een overmaat aan spullen verklaart ook waarom er in de VS inmiddels 50.000 locaties zijn waar burgers spullen tegen betaling kunnen opslaan, schrijft Trentmann. Eén op de tien Amerikaanse huishoudens maakt daarvan gebruik.

Volgens het Nationale Self Storage Onderzoek van Hogeschool Inholland kampten in 2011 1,2 van de 7 miljoen huishoudens in Nederland met chronisch ruimtegebrek. Het aantal miniopslagvestigingen in Nederland groeit volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek explosief, al noemt het geen totaal aantal. Mensen worden slaaf van hun bezittingen, schrijft de Japanse opruimgoeroe Marie Kondo in haar bestseller Opgeruimd! Pak elk voorwerp beet in je huis en vraag je af of je er gelukkig van wordt, luidt haar advies. Does it spark joy? Zo niet, dan weg ermee. Lekker rigoureus. Dat schept ruimte in je huis en in je hoofd en in je hart, predikt de hogepriesteres van het ontspullen. Met wereldwijd succes.

Al viel ze voor een deel van haar volgers van haar voetstuk toen ze een webshop opende, KonMari, waarin ze spark-joy-producten verkoopt. Zoals pantoffels, wierookhouders en een stemvork met stukje kristal: voor pure tonen.

Intussen stijgt het aantal spullen dat mensen kopen nog steeds. In 2017 had elke Nederlander boven de 16 jaar gemiddeld 173 kledingstukken, blijkt uit onderzoek van de Hogeschool van Amsterdam en MVO Nederland. Bijna een kwart daarvan werd nooit gedragen. Toch kocht diezelfde gemiddelde Nederlander er in 2017 nog eens 46 kledingstukken bij. In datzelfde jaar dankte hij er 40 af.

Tegelijkertijd wordt de levensduur van onze spullen steeds korter. Het tempo waarin nieuwe producten verschijnen en andere vervangen of overbodig maken, wordt steeds hoger, schrijft Warna Oosterbaan in zijn boek Het leven van dingen. Consumeren komt van het Latijnse werkwoord consumere, dat verbruiken betekent: iets gebruiken tot het op is. Steeds minder spullen worden letterlijk opgebruikt. De Consumentenbond schat de gemiddelde levensduur van een mobiele telefoon op tweeënhalf jaar.

Woonkamer Jo van Overdijk. Foto: Verse Beeldwaren

Vaklieden die hun brood verdienen met het verlengen van de levensduur van spullen verdwijnen uit het straatbeeld. Schoenmakers, naaisters, reparateurs. Waarom zou je iets herstellen als je het nieuw kunt kopen voor hetzelfde geld? Daarom gaat er per Nederlander jaarlijks 18 kilo aan elektrische apparaten, 15 kilo textiel en 16 kilo meubels en speelgoed de afvalcontainers in. Ook de bezittingen van Jo van Overdijk hoopten zich op. Na een jeugd in armoede en het grootbrengen van zeven kinderen in de sobere opbouwjaren na de Tweede Wereldoorlog beleefde ze in de tweede helft van haar leven een ongekende welvaartsgroei.

Wat doen we met de spullen?
Wat doen we met de spullen? – Dick Wittenberg
Maar aan de wegwerpmaatschappij heeft ze zich nooit geconformeerd. Dat lees je aan haar inboedel af. Niets gooide ze weg. De kinderen kunnen er nog steeds niet over uit. Bewaren past bij de generatie van Jo van Overdijk, een generatie die nog schaarste kende. Wat morgen je brengt, kun je vandaag niet weten. Het is de instelling van veel mensen die in de eerste vier decennia van de vorige eeuw geboren zijn. Beter mee verlegen dan om verlegen. Je weet nooit wanneer je iets nog nodig hebt. Hoeveel kleren zou moeder hebben vermaakt en hersteld? Hoeveel sokken zou Jo van Overdijk nog hebben gestopt? Wat nog goed is, gooi je niet weg. De eikenhouten meubels die ze kocht na haar huwelijk bleef ze trouw tot haar dood.

~ Dick Wittenberg

Website bij het boek: www.decorrespondent.nl/watdoenwemetdespullen
Het boek: Wat doen we met de spullen? – Dick Wittenberg
Ook interessant: Opgroeien in het paradijs van de verzorgingsstaat

Bekijk dit boek bij:

Bekijk dit boek bij Historiek Geschiedenisboeken

Bekijk meer over:

Voorpublicaties

Categorieën

Vorige verhaal

Een arts in het oude China

Volgende verhaal

Het ontstaan van de rijks hogere burgerschool (rhbs)