Dark
Light

Steun Amsterdam aan Filips II werd sterk gehinderd door ‘Geuzenpers’

‘Moorddam’, stad vol verraders en moordenaars
9 minuten leestijd
Amsterdam in 1544
Amsterdam in 1544

Aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) nam Amsterdam een bijzondere positie in. Het rooms-katholieke bestuur van de grootste stad van het land was loyaal aan Filips II, de koning van Spanje, die in 1557 van keizer Karel V de macht over de Habsburgse Nederlanden had verkregen.

Die Nederlanden stonden echter onder sterke invloed van de reformatie die in 1517 begonnen was toen Maarten Luther zijn 95 stellingen ophing aan de deur van de Slotkerk van (het nu Duitse) Wittenberg. Filips was vastbesloten om de Hervorming te bestrijden en daardoor kwam een groot deel van de bewoners in opstand tegen het wettige gezag. Hun leider werd prins Willem van Oranje, die

“niet [kon] goedkeuren dat vorsten over het geweten van hun onderdanen willen heersen en hun de vrijheid van geloof en godsdienst ontnemen”.

Het Wonderjaar 1566

Op 5 april 1566 deden tweehonderd Nederlandse ‘edelen’ een nieuwe poging met het Smeekschrift aan landvoogdes Margaretha van Parma, waarin ze vroegen om schorsing van de ketterijplakkaten en het staken van de Inquisitie. De ’bloedplakkaten’ waren in 1550 ingesteld door Karel V en tussen 1523 en 1565 werden daardoor al 1300 mensen ter dood veroordeeld. Margaretha toonde zich gevoelig voor de argumenten, maar Filips bleef onvermurwbaar. Het gevolg was grote onrust.

De woede van protestanten, de adel en stedelijke bestuurders inspireerde ‘het gespuis’ tot een massale vernietiging van overdadige katholieke kerkschatten: de Beeldenstorm, die op 10 augustus begon in Vlaanderen, maar zich snel verspreidde over alle Nederlanden. Ook in Amsterdam werden beelden, schilderijen en boekenverzamelingen vernield en protestants gezinde Amsterdamse regenten deden daar aan mee.

Overigens ging 1566 ook als Hongerjaar (pdf) de geschiedenis in: door strenge winters waren er slechte oogsten en het gevolg was hongersnood.

Beeldenstorm in een kerk, 1630, Dirck van Delen
Beeldenstorm in een kerk, 1630, Dirck van Delen

Relatieve vrijheid in Amsterdam

Voor Amsterdam brak een korte periode van relatieve vrijheid aan. De landvoogdes stond de protestanten weer toe hun kerkdiensten in het openbaar te organiseren. De tolerantie had ook te maken met de economie: Amsterdam voerde veel handel met het (protestantse) Oostzeegebied. Straffen en doodsvonnissen die in 1552-1553 nog wel waren opgelegd voor geloofsafval bleven nu uit.

Maar in oktober 1567 stuurde Filips II Fernando Álvarez de Toledo naar ons land, de hertog van Alva, met 10.000 soldaten. Hij stelde meteen de Raad van Beroerten in; een speciale rechtbank voor de beeldenstormers, die als ‘Bloedraad’ berucht werd vanwege de vele doodvonnissen. In 1568 stierven in Brussel onder meer de graven Egmond en Horne; belangrijke adviseurs van zijn grote tegenstander Willem van Oranje, kort nadat met de door de opstandelingen gewonnen Slag bij Heiligerlee de oorlog begonnen was die zich tachtig jaar voort zou slepen.

Emden als toevluchtsoord

De komst van Alva was voor veel Amsterdamse ‘dissidenten’ aanleiding elders veiligheid te zoeken. Eén van de belangrijkste toevluchtsoorden was Emden aan de Eems, dat ook het belangrijkste centrum werd voor de productie van protestants drukwerk voor de Nederlanden.

De drukkers maakten dankbaar gebruik van de bestaande contacten tussen de moederkerk en de evangelische gemeenschappen om hun boeken op de markt te brengen. (…) Boekdrukkers en handelaren waren aangesloten op een uitgebreid distributienetwerk dat voor een groot deel overlapte met en gebruik maakte van bestaande handelsnetwerken. Diplomaten, kunstenaars en kooplieden traden vaak op als tussenpersonen in de distributie van boeken en manuscripten.

Het gevolg was dat het katholieke stadsbestuur van Amsterdam zich, zeker nadat na de inname van Den Briel op 1 april 1572 steeds meer steden de kant kozen van Willem van Oranje, steeds eenzamer ging voelen. Het zag zich geconfronteerd met een steeds zichtbaarder oppositie die ‘de eenheid’ bedreigde. In 2012 maakte historicus Femke Deen in haar proefschrift Publiek debat en propaganda in Amsterdam tijdens de Nederlandse Opstand (1566-1578) duidelijk dat de katholieke Amsterdamse burgemeesters geen rustig moment meer hadden. Dat zij gewelddadig reageerden op de kracht van de ganzenveer maakt de ondertitel duidelijk: Amsterdam Moorddam.

Verrassingsaanval van de opstandelingen in november 1577 op de Plaetse, de huidige Dam van Amsterdam. Deen wijst op het bovenschrift van deze prent van Frans Hogenberg: ‘Wie di Burger von Amsterdam der Staten volck wider auss der Statt treiben’, wat wijst op pro-katholieke propaganda. Hogenberg gold als pro-protestants. (Gemeentearchief Amsteram)
Verrassingsaanval van de opstandelingen in november 1577 op de Plaetse, de huidige Dam van Amsterdam. Deen wijst op het bovenschrift van deze prent van Frans Hogenberg: ‘Wie di Burger von Amsterdam der Staten volck wider auss der Statt treiben’, wat wijst op pro-katholieke propaganda. Hogenberg gold als pro-protestants. (Gemeentearchief Amsteram)

De invloed van de pers

Dat proefschrift is nu in een handelseditie verschenen. Aan de hand van honderden geschriften, pamfletten, liederen, boeken en andere publicaties beschrijft Deen in haar proefschrift de tumultueuze periode tussen 1566 en 1578, toen het Amsterdams stadsbestuur vasthield aan zijn trouw aan de Spaanse koning, en daarmee aan bloedige vervolgingen van ‘ketters’; opstandige protestanten. Ze stuitte daarbij op heftige oppositie van de bevolking en de ballingen, die ondanks de afstand door hun goede verbindingen toch nog steeds een grote invloed bleken te hebben. De permanente discussie die het gevolg was laat zich moeiteloos vergelijken met de huidige twittermania, waarbij een nieuwsfeit onmiddellijk commentaar uitlokt van voor- en tegenstanders uit alle hoeken van de samenleving.

Volgens Femke Deen waren vooral de opstandelingen meester in het bespelen van de publieke opinie. Willem van Oranje was nauw betrokken bij de goed lopende propagandamachine. Hij stuurde brieven naar steden die nog onder Spaans-katholiek bestuur stonden, waaronder Amsterdam. Hij speelde daarin in op de angst voor de Spaanse soldaten en beschreef de gruwelijkheden die de bewoners te wachten stond wanneer ze zich niet bij ‘zijn’ opstand aan zouden sluiten. Zoals bijvoorbeeld het Bloedbad van Naarden, dat ruim 800 mensen het leven kostte; één van de grootste massamoorden in de Nederlandse geschiedenis, door Spaanse soldaten.

Volgens Deen had de propaganda tegen het Amsterdamse stadsbestuur veel meer invloed dat tot nu toe door historici in hun geschiedschrijving over de periode werd erkend. De permanente klachtenregen van de oppositie versterkte het algemene gevoel bij de bevolking dat het Amsterdamse stadsbestuur niet in staat was de actuele problemen adequaat aan te pakken.

Voor rechter om zingen Wilhelmus

Amsterdam was (ook toen al) een anarchistische gemeenschap waar een wettig bestuur maar weinig greep op had. De opstandelingen verspreidden geruchten die moeilijk te weerleggen waren en er werden politiek getinte liederen gezongen, waarin het beleid op de hak werd genomen.

Zo behoorde ook het Wilhelmus, een loflied op Willem van Oranje, tot de Geuzenliederen; een verzameling schimp- en scheldliederen richting de bestuurders en beschrijving van de heldendaden van Bekende Geuzen.

Deen meldt dat varensgezel Pieter Heynricksz het Wilhelmus in 1574 zong op de schuit van Amsterdam naar Utrecht.

“Hij moest de Heren van het Gerecht smeken om vergiffenis, wat hij ter plekke deed, en werd vervolgens vrijgelaten.”

Een Geuzenliedboek uit 1581; een verzameling Geuzenliederen tegen Spanje, Alva, voor Oranje, de strijd van de protestanten tegen de katholieken en geestelijke liederen.
Een Geuzenliedboek uit 1581; een verzameling Geuzenliederen tegen Spanje, Alva, voor Oranje, de strijd van de protestanten tegen de katholieken en geestelijke liederen.
Volgens Deen blijkt uit dit vonnis dat het zingen van liedjes kennelijk geen prioriteit had. Maar het was dus wel een reden om iemand voor het gerecht te dagen. Deen vertelt trouwens dat zingen destijds een onderdeel van het leven was:

“Mensen zongen overal en wanneer de gelegenheid het toeliet: op straat, tijdens het werk, in de schuiten en schepen, in de kerk en in huis. In balladen bezongen mannen en vrouwen liefde en trouw, in spotliedjes staken zij de draak met geestelijke, stedelijke en landelijke autoriteiten, en in geestelijke liederen beleden zij hun geloof. Veel liedjes die op straat werden gezongen zijn nooit op schrift gesteld. Een aantal is overgeleverd, doordat kroniek- of geschiedschrijvers het de moeite waard vonden ze te noteren.”

Amsterdam Moorddam

In 1574 brak er een muiterij uit onder de bemanning van Amsterdamse oorlogsschepen, die al maanden geen soldij meer had gekregen. De opstand werd in de kiem gesmoord en een aantal muiters werd om het leven gebracht. Als gevolg van de terechtstelling van twee bootsgezellen liepen veel ’vant grauw’ echter over naar de opstandelingen. Het uitblijven van de soldijbetalingen was trouwens ook een tegenslag voor veel Amsterdammers, want veel bootsgezellen hadden schulden die ze nu niet konden afbetalen. Het leidde tot toenemende armoede onder de stadsbevolking. De onvrede over de nadelige uitzonderingspositie van Amsterdam groeide.

Die nam nog verder toe toen Willem van Oranje in 1576 een groot succes boekte met de afkondiging van de Pacificatie van Gent, waarin de (bevrijde) Nederlandse gewesten zich aaneensloten tot een Generale Unie. Aanleiding was woede over de Spaanse Furie, toen muitende Spaanse troepen hun achterstallige soldij gingen aanvullen met de plundering van Antwerpen. De gewesten eisten onder meer dat de Spaanse troepen de Nederlanden zouden verlaten. De Amsterdamse woede nam nog verder toe toen zestien opstandelingen in een turfschip de stad werden binnengesmokkeld met het doel van binnenuit de poorten te openen om het opstandelingenleger binnen te laten. Het complot werd verraden.

Alle mannen werden opgehangen. Hun hoofden werden tentoongesteld op staken en hun lichamen werden ondersteboven opgehangen aan de galg. Hun vermeende leiders werden gevierendeeld.

Het leverde Amsterdam, dat toch al bekend stond als een stad vol verraders en moordenaars, een nieuwe bijnaam op: Moorddam. Deen haalt een incident aan dat een trekschuit uit Rotterdam enkele keren werd doorzocht door vrijbuiters die vroegen of er geen ‘Moorddammers’ aan boord waren. De vrouw die dat meldde had gedaan alsof ze uit Hoorn kwam en ontsnapte daardoor aan een onzeker lot.

Afschrift van het verslag van Laurens Reael van de Beeldenstorm van 1566 in Amsterdam. Het origineel is verloren gegaan. (Stadsarchief Amsterdam)
Afschrift van het verslag van Laurens Reael van de Beeldenstorm van 1566 in Amsterdam. Het origineel is verloren gegaan. (Stadsarchief Amsterdam)

O Amsterdam moordadich

De Amsterdamse koopman Laurens Reael, die veel anti-Spaanse en anti-katholieke ‘geuzenliederen’ schreef, tekende de sfeer in een speciaal lied, O Amsterdam moordadich:

O Amsterdam Moordadich / vol bloetgierighe Honden
Schout, schepens, Burgemeesters en Raden van desen
Bloetdorstighe Papisten, zijt ghy noch niet sadt bevonden?
Is uwen Kop noch niet vol van Weduwen en Weesen?

Reael stelt daarin volgens Deen niet alleen de vervolging en verbanning van de ‘vroomste Burgers’ aan de kaak. Hij wijst er ook op dat landen en steden door de houding van Amsterdam ‘comen tot ruyne’. De stad ondervindt daarvan nu zelf de meeste hinder, aldus Reael, mede doordat veel kooplieden de stad ontvluchtten:

Geuzenliedschrijver Reael

De overeenkomst van 1578 waarmee de Stad Amsterdam zich aansloot bij hetverbond tegen Spanje.
De overeenkomst van 1578 waarmee de Stad Amsterdam zich aansloot bij hetverbond tegen Spanje.
Reael loopt als een ‘rode draad’ door het proefschrift van Deen. Ze citeert hem onder meer in haar inleiding, als hij in 1578, toen zijn thuisstad zich eindelijk had aangesloten bij Willem van Oranje en de opstandige gewesten, in ballingschap (in Gdansk) een vreugdelied schreef. Hij had, met veel protestantse prominenten, in 1567 bij de komst van Alva de wijk genomen, maar bleef liederen en refreinen leveren over de situatie in de Nederlanden. Tussen 1572 en 1574 schreef hij vier spotliederen op de hertog van Alva, voor velen de belichaming van al het kwaad dat de Nederlanden teisterde.

Overigens constateert Deen dat Reael, nadat hij (in 1585) de Spaansgezinden nog beschreef als ’pertydige, wraeckgierige, fenynige beesten’, na terugkeer in zijn geliefde Amsterdam, kennelijk ‘weinig meer had om voor te strijden’. Na de Satisfactie van 1578, toen Amsterdam zich aansloot bij het verbond tegen Spanje, legde hij zijn scherpe pen neer en schreef nog slechts onschuldige gedichten. ‘De protestantsgezinde elite’ waarvan hij deel uitmaakte had de decennialange strijd met haar katholieke tegenhanger gewonnen en zat nu als stadsregering stevig in het zadel. Reael kon zich de luxe veroorloven vooral bezig te zijn met het uitdiepen van zijn godsdienstige beginselen.

Uit de bronvermelding in het boek blijkt dat Deen zich wat betreft de publicaties van Reael vooral baseerde op bijdragen van Joh. C. Breen in 1897: ‘Uittreksel uit de Amsterdamsche gedenkschriften van Laurens Jacobsz. Reael 1542-1567’ en ‘Een tweetal gedichten van Laurens Jacobszoon Reael (…) in Amsterdamsch Jaarboekje (1897)’. Ze heeft kennelijk gemist dat in 2012, het jaar van haar promotie, Pieter Huijgens in Leiden afstudeerde op de Master Thesis Het Wonderjaar 1566 (pdf), dat is gewijd aan Laurens Reael, met onder meer de volledige tekst van het door hem geschreven Waerachtig ende cort verhael van ‘t gene gepasseert is inde principaelste troublen, insonderheijt inden jare 1566 en 1567 besonderlyck inde Stadt van Amsterdam, over de roerige tijden aan de vooravond van de Tachtigjarige Oorlog.

Onwenselijke kritiek

Publiek debat en propaganda in Amsterdam tijdens de Nederlandse Opstand
Publiek debat en propaganda in Amsterdam tijdens de Nederlandse Opstand
Femke Deen concludeert dat de permanente discussie in Amsterdam ‘niet werd gevoerd omwille van het debat, zoals we dat nu doen’.

“Mensen discussieerden ondanks bestaande noties over de onwenselijkheid van het uiten van publieke kritiek. Laster, politieke discussies en de vrije verspreiding van informatie konden volgens de heersende stedelijke ideologie de interne verdeeldheid slechts vergroten door oproer te zaaien, waardoor de stedelijke eenheid werd verbroken, één van de kernwaarden van de ideologie.”

Deze ideologie bleef volgens haar dominant, ook toen de Spanjaarden in 1578 waren verdreven uit Amsterdam. Maar met de afkondiging van de Unie van Utrecht (1579) bleek er wel degelijk wat veranderd.

“Het vastleggen van de individuele gewetensvrijheid maakte de weg vrij voor de overtuiging dat verschillende waarheden naast elkaar konden bestaan; iets dat voor het uitbreken van de Opstand onmogelijk had geleken. Uiteindelijk ontstond in de Republiek rond 1650 (…) een discussiecultuur waarin maatschappelijke middengroepen bewust werden betrokken (…) Eendracht was het uiteindelijke doel van deze discussiecultuur, maar die eenheid werd juist bereikt door voortdurende discussies, overleggen, openlijke disputen en vergaderingen.”

Later zou dat ‘het poldermodel’ genoemd worden.

Bekijk dit boek bij:

Bestel dit boek bij de Historiek Geschiedeniswinkel

×