De Spaanse Oudheid

Spanje werd al een miljoen jaar geleden door onze vroege voorouders bewoond. Veel later vonden de neanderthalers er hun einde en hun concurrenten, de cro-magnonmensen, toonden hun artistieke talent met de beschilderingen van de grotten van Altamira. Spanje is rijk aan ertsen. Goud, zilver, tin, lood, ijzer etcetera werden er al voor onze jaartelling gedolven. Mediterrane volkeren kwamen erop af als vliegen op de stroop.

Atapuerca

Oudste publicatie van het Wilhelmus uit de jaren 1570 - Koninklijke Bibliotheek België
Oudste publicatie van het Wilhelmus uit de jaren 1570 – Koninklijke Bibliotheek België
De slotregel van ons volkslied luidt ‘den Koning van Hispanje heb ik altijd geëerd.’ Afgezien van de actualiteit van deze zin – de vorige koning van Spanje, Juan Carlos, verdient zeker respect vanwege zijn rol in de transitie van de franquistische dictatuur naar de democratie – rijst de vraag waar de term Hispanje vandaan komt. Deze benaming voor het Iberisch schiereiland is geïntroduceerd door de Romeinen die aan het eind van de derde eeuw voor Christus met de verovering ervan zijn begonnen. Zij noemden het Hispania, waarschijnlijk afgeleid van het Foenicische i-spn-ya, wat ‘land in het Noorden’ betekent. De aanduiding Península Ibérica heeft een veel oudere oorsprong. De Grieken, die al vanaf 1100 voor Christus het schiereiland bezochten op zoek naar metalen, duidden het aan als Iberia, daarmee verwijzend naar de naam van de vallei van de Ebro (Iber) waardoor de gelijknamige rivier stroomt.

Delen van de schedel van Homo antecessor, Gran Dolina
Delen van de schedel van Homo antecessor, Gran Dolina
In 1994 werden menselijke resten gevonden in de Sierra de Atapuerca, nabij de stad Burgos. Dacht men voordien dat de oudst levende mens in het Iberisch schiereiland ongeveer 500.000 jaar geleden zou hebben rondgelopen, vanaf dat moment wezen dateringen van Atapuerca uit dat er al veel eerder mensen leefden. Deze mensen zijn Homo antecessor gedoopt. Homo antecessor was ongeveer even groot en zwaar als Homo sapiens, maar zijn hersenvolume was met 1000 cm³ beduidend kleiner dan dat van ons (1350 cm³). Of Homo antecessor beschikte over een primitief taalvermogen behoort tot de speculaties, maar uit kerven op de fossielen is vrijwel zeker af te leiden dat hij kannibalisme bedreef. In de Gran Dolina, een grot bij Atapuerca, zijn fossielen gevonden met een ouderdom van 800.000 jaar. Een gedeelte van een kaak werd zelfs gedateerd op 1,2 miljoen jaar.

Altamira

Ongeveer 50.000 jaar geleden begon Homo Sapiens aan zijn tocht vanuit het oosten richting Europa en bereikte het Iberisch schiereiland via de Catabrische en Catalaanse kust, respectievelijk aan het westelijk en oostelijk uiteinde van de Pyreneeën. Deze binnendringers, de cro-magnonmensen, leefden net als elders in Europa ongeveer 25.000 jaar samen met de neanderthalers. Neanderthalers waren kleiner dan Homo sapiens, maar veel sterker en ook hun hersenvolume was groter. Of ze een taal hadden, blijft in het duister en ook over de vraag of zij zich hebben gemengd met hun buren bestaat nog altijd discussie.

- advertentie -

Neanderthaler
Neanderthaler
De neanderthalers, waarvan de jongste resten gevonden zijn in de buurt van Gibraltar, stierven ongeveer 24.000 jaar geleden uit. Mogelijke oorzaak ervan is dat Homo sapiens toch wat slimmer was als het om voedselvergaring ging en de neanderthalers van honger het loodje hebben gelegd. Voor hen was Spanje dus een cul-de-sac (doodlopende weg). Gedachtenexperiment: stel dat je een cro-magnon en een neanderthaler uit die tijd zou kunnen oppikken, hen kleedt, kapt en scheert naar moderne mode, zou er iemand zijn die er nu van zou opkijken als hij naast ze zou staan voor een zebrapad? De neanderthaler zou misschien opzien baren, maar de cro-magnon nauwelijks of niet. Hen zou je waarschijnlijk zo een moderne vakopleiding kunnen geven. Ze waren er intelligent genoeg voor. Andere vraag: wat zouden ze van ons hebben gedacht kijkend naar het voortrazend verkeer?

De cro-magnonmensen bewoonden tussen 35.000 – 10.000 voor Christus het schiereiland en dat was de tijd waarin zij, net als hun verwanten bij Lascaux in Frankrijk, bij Altamira in Noord-Spanje hun schitterende schilderingen aanbrachten op de wanden van grotten waarin zij leefden. De schilder Pablo Picasso schijnt bij het zien van de grotschilderingen van Altamira te hebben uitgeroepen:

‘Después de Altamira, todo parece decadente.’ (Na Altamira lijkt alles decadent)

De komst van landbouw en metallurgie

Rond 10.000 voor Christus vond er een belangrijke omwenteling plaats in de menselijke geschiedenis. In het Midden-Oosten, in de zogeheten Vruchtbare Sikkel, ruwweg tussen de rivieren Eufraat en Tigris, begonnen jager-verzamelaars landbouwgewassen te verbouwen zoals granen en groenten en vestigden zich op vaste plaatsen landbouwgemeenschappen die ook vee domesticeerden en de techniek van het pottenbakken uitvonden. De eerste vormen van arbeidsverdeling kwamen tot ontwikkeling, gepaard aan het ontstaan van hiërarchische structuren waarin religie en de bijbehorende rituelen een belangrijke rol speelden. Stedelijke kernen ontstonden niet lang daarna, evenals handelsstromen tussen de leefgemeenschappen, ter land en overzee. Deze zogeheten Neolitische revolutie verspreidde zich in westelijke richting en heeft tal van indrukwekkende sporen achtergelaten, onder meer in de vorm van enorme monumenten als menhirs, hunebedden en grafheuvels. De oudste neolithische resten gevonden op het Iberisch schiereiland dateren uit ongeveer 5.500 voor Christus.

El Argar: begrafenisattributen
El Argar: begrafenisattributen
Een volgende stap in de menselijke ontwikkeling was de ontdekking van de metallurgie. Eerst werd het makkelijk winbare koper gebruikt waarna de uitvinding van het brons – de legering van koper en tin – volgde. Bijzonder zijn de opgravingen in het zuidoosten van Spanje uit de Bronstijd van de El Argar cultuur (rond 1500 v.Chr.) met een kennelijk dichtbevolkt centrum niet ver van de kust in de buurt van Almería. Het was beschermd door fortificaties: de eerste primitieve kastelen op het Ibersich schiereiland. Deze cultuur kende een hoge graad van perfectie in de metaalbewerking en men maakte gebruik van goud, zilver en lood. Ook werd textiel vervaardigd en jacht en visvangst bedreven.

De El Argar cultuur is hoogst waarschijnlijk voortgesproten uit de veel oudere cultuur van Los Millares (3.100-2.200 v.Chr.) die verspreid was over het zuidoostelijk deel van Spanje. In hoeverre deze ontwikkeling een strikt autochtoon verschijnsel was of dat sprake is geweest van invloeden van overzee, is niet duidelijk. Ook onopgelost is het raadsel van het verdwijnen van de El Argar cultuur. Er zijn geen aanwijzingen van oorlogen of rampen. Misschien kwam deze cultuur aan zijn einde onder invloed van de aan het begin van de IJzertijd binnendringende volkeren.

In vergelijking met andere Mediterrane landen was en is Spanje rijk aan minerale grondstoffen zoals ijzer, tin, lood, koper en zilver. Deze rijkdom werd niet alleen geëxploiteerd door de autochtone bevolking, maar trok ook andere volkeren aan. Bijzondere voorbeelden zijn de mijnen van Rio Tinto in het uiterste zuiden van Spanje nabij Huelva en van Cástulo in de Sierra Morena. De tot op de dag van vandaag belangrijke mijnen van de Rio Tinto bevatten koper, ijzer en magnesium en werden vanaf het einde van de bronstijd tot ongeveer 500 voor Christus geëxploiteerd door de Tartessos. Aan de noordzijde van het gebied dat beheerst werd door de Tartessos, nabij de huidige stad Linares, bevond zich Cástulo als centrum van mijnbouw die al begon in de bronstijd en die zich volgens de Griekse geschiedschrijver Artemidoro aan het begin van de zesde eeuw voor Christus ontwikkeld had tot een van de belangrijkste steden in de regio. Er werd rond Cástulo vooral koper, lood en zilver gewonnen, metalen die bij de Foeniciërs en Grieken zeer in trek waren. Ook de Romeinen profiteerden van de mineralen van Cástulo en wendden de enorme winsten die zij maakten aan om hun dure oorlogen te bekostigen.

Kelten

Rond 1200 voor Christus – aan het einde van de bronstijd – vonden in het Middellandse Zeegbied tal van botsingen plaats tussen zeevarende en terrestrische volkeren. Landen als Egypte, Griekenland en Klein-Azië moesten zich invasies laten welgevallen met als meest sprekende voorbeelden de Trojaanse oorlog en de ondergang van de Myceense beschaving. Voor het eerst werden door de aanvallers ijzeren zwaarden gebruikt waartegen de berijders van strijdwagens, die tot dan toe de veldslagen hadden beheerst, niet waren opgewassen. Vanaf dat moment begon het ijzer aan zijn opmars door Europa en het waren de Kelten die komend vanuit Frankrijk dit metaal introduceerden op het Iberisch schiereiland. De Keltische invasie vond plaats in twee golven, een eerste aan het eind van het tweede millenium voor Christus en een tweede vanaf het begin van de achtste eeuw voor Christus.

De Kelten verspreidden zich over het noordelijk deel van Spanje – welhaast zeker op zoek naar tin – en vermengden zich deels met de Iberos tot Celtiberos. De Iberos bewoonden het gehele Levantijnse deel van het Iberisch schiereiland, vanaf de Pyreneeën tot aan Cádiz (Gades). Over de vraag waar zij vandaan kwamen, bestaat verschil van mening. Eén theorie stelt dat zij afkomstig zijn uit meer oostelijke streken en zich rond 5.000 voor Christus in Iberia vestigden. Anderen beweren dat zij afkomstig zijn uit Noord-Afrika. En een derde theorie gaat ervan uit dat zij afstammelingen zijn van de cro-magnonmensen. In elk geval hadden de Iberos een hoogontwikkelde cultuur waarvan het beroemde kunstwerk La Dama de Elche getuigt, dat te bezichtigen is in het Museo Arqueológico Nacional de España te Madrid.

Detail van 'La Dama de Elche' - cc
Detail van ‘La Dama de Elche’ – cc

Foeniciërs, Carthagers en Grieken

Het waren niet alleen de Kelten die binnendrongen in het Iberisch schiereiland. Ten tijde van de eerste Keltische invasie arriveerden aan de Levantijnse kust de Foeniciërs. Het waren zeevaarders en handelaars, die de kusten van het huidige Libanon en Syrië bevolkten. Zij hadden geen veroveringen in de zin, maar wilden voet aan de grond krijgen om kleine bedrijfjes te stichten en om handel te drijven. Rond het begin van de elfde eeuw voor Christus begon dit het karakter te krijgen van kolonisatie en werd op een perfecte, geïsoleerde plaats de stad Gádir gesticht, later Gades genoemd en nu bekend als Cádiz, dat daarmee de oudste stad van West-Europa is.

De Foeniciërs bleven 800 jaar in Spanje – totdat de Carthagers in de derde eeuw voor Christus binnenvielen – en hebben diepe culturele sporen nagelaten die hebben bijgedragen aan de opbouw van de Iberische cultuur en de versmelting van de Iberische volkeren. Belangrijke elementen die door de Foeniciërs zijn geïntroduceerd zijn het alfabet, geavanceerde landbouw en veeteelt (productie van olijfolie, gedomesticeerde dieren, perfectionering van de irrigatie). Goederen vervaardigd in het oosten zoals instrumenten, wapens, keramiek en ornamenten werden geruild tegen inheemse materialen, vooral metalen. De Foeniciërs gebruikten geen geld. In het jaar 573 voor Christus werd de belangrijkste Foenicische stad Tiro (Tyrus) in de Libanon, door de Babylonische koning Nebukadnezar veroverd, waardoor het gehele koloniale netwerk van de Foeniciërs snel verzwakte. De hegemonie van dit volk over de zeeën viel in handen van Carthago, een Foenicische kolonie.

De Grieken begonnen hun koloniale expansie in Iberia pas in de achtste eeuw voor Christus, ruim na de Foeniciërs. Een belangrijke rol speelde de Griekse stad Focea in Klein-Azië dat handelscontracten had met Argantonio, koning van de Tartessos. Vanuit Focea trokken de Grieken westwaarts en stichtten zij rond 600 voor Christus de stad Massalia, het huidige Marseille. Dat was hun uitvalsbasis richting het noordoostelijke deel van Iberia waar zij de stad Ampurias ofwel Emporion stichtten, waarvan resten te vinden zijn nabij de golf van Rosas. De invloed van de Grieken reikte tot aan de monding van de Ebro; ten zuiden daarvan heersten de Foeniciërs. Toen in 565 voor Christus Focea in handen viel van de Perzen, vluchtten haar Griekse inwoners westwaarts en vestigden zij zich op Corsica in Alalia (Aléria).

Uit de eerste eeuw voor Christus is een papyrus bewaard gebleven met een tekening van de oudste kaart van het antieke Hispania. Het is de Mapa de Artemidoro, genoemd naar een Griekse geschiedschrijver die leefde vanaf het eind van de tweede tot halverwege de eerste eeuw voor Christus. Links het origineel, rechts de interpretatie.

Mapa de Artemidoro
Mapa de Artemidoro

Carthaagse expansie

In die tijd streefden de Carthagers naar expansie (zij waren o.a. aanwezig op Sardinië) en samen met de Etrusken trokken hun schepen op naar Alalia waar ze slag leverden met de Grieken in de beroemde Batalla de Alalia. Het werd een pyrrusoverwinning voor de numeriek mindere, maar tactisch betere Grieken. Vanaf dat moment nam de invloed van de Grieken namelijk af. De Foeniciërs hadden nooit de bedoeling het Iberische territoir te veroveren, maar dat gold niet voor de Carthagers die na nederlagen tegen de Grieken en Romeinen expansiemogelijkheden zochten op het schiereiland. In 236 voor Christus verloren de Carthagers de eerste Punische oorlog, werden verdreven van Sardinië en vestigden zich in het zuidoosten van het Ibera waar zij zich een positie wisten te verwerven tegenover de oorspronkelijke bewoners. Dat was vooral het werk van de Barcas, een familie uit de Carthaagse aristocratie geleid door Amílcar Barca (de vader van Hannibal) die de overzeese vloot van de Carthagers beheerde. Deze familie was zo machtig dat wel gesproken werd van het ‘Imperio bárcida’.

Standbeeld van de Carthaagse generaal Hannibal
Standbeeld van de Carthaagse generaal Hannibal
In 227 voor Christus stichtte de Carthaagse generaal Asdrúbal el Bello (de schoonzoon van Amílcar, ook bekend als ‘Hasdrubal de Schone’) op de resten van de Iberische stad Mastia Qart Hadasht (Ciudad Nueva), het huidige Cartagena. Dit werd de belangrijkste basis voor de Carthaagse veroveringsveldtochten onder leiding van de opvolger van Asdrúbal: Hannibal (Aníbal) die voordat hij de Romeinen aanviel eerst grote delen van het Iberisch Schiereiland veroverde. Om het dal van de Ebro te bereiken moest Hannibal de welvarende en fraaie Iberische stad Sagunto (iets ten Noorden van Valencia) veroveren dat zich tegenover het Carthaagse leger fel verzette, maar in 219 voor Christus ten onder ging.

De Romeinen stelden de Carthagers een ultimatum dat werd afgewezen, waarmee de tweede Punische oorlog werd ingeluid (218 – 202 v.Chr.). Deze oorlog speelde zich niet alleen af op Italiaanse, maar ook op Iberische bodem en bracht een overwinning voor de Romeinen, die vanaf dat moment aan hun langzame veroveringstocht begonnen van het Iberisch schiereiland.

Het Iberisch schiereiland aan het begin van de Romeinse invasie

Rond die tijd was het Iberisch schiereiland een ware lappendeken van volkeren met een verschillende origine die ruwweg leefden in vier zones. Eén met een Indo-Europees karakter in het noordwestelijke deel, bewoond door de Celtas, een tweede zone in het oosten en zuidoosten met een duidelijk mediterrane cultuur, waarvan de Turdetanos en de Iberos belangrijke exponenten waren en een overgangszone waarin sprake was van een gemengde cultuur die van de Celtiberos. De vierde zone is die van de Vascones (Basken).

Van al deze volkeren hadden de Turdetanos de hoogste graad van civilisatie bereikt. Zij waren afstammelingen van de hierboven genoemde Tartessos. Over hun herkomst en verdwijning is overigens weinig bekend. Griekse geschiedschrijvers spreken van het bestaan van een stad Tartessos gelegen aan de gelijknamige rivier, maar van deze mythische stad zijn nooit resten gevonden. Het gebied van de Turdetanos grensde in het noorden aan dat van de Túrdulos, een Keltisch volk, en in het noordwesten bevond zich het gebied van de Oretanos – die tot de Iberos behoorden – en waarvan het reeds genoemde Cástulo de hoofdstad was. Meer oostelijk, langs de Levantijnse kust, woonden de Bastetanos en Contestanos, volkeren die bijna net zo hoog ontwikkeld waren als de Turdetanos en die een sterke invloed ondergingen van de Foeniciërs waarmee zij handel dreven. Aan de kust beschikten zij over een aantal nederzettingen die voor de Romeinse invasie in handen waren gevallen van de Carthagers (Malaka, Carthago Nova). Verder noordelijk leefden de Ilergetes die vooral bekend zijn door de steun die hun vorsten Indíbil en Mandonio gaven aan de Carthagers in hun strijd tegen de Romeinen.

Iberia rond 200 voor Christus
Iberia rond 200 voor Christus

Zoals aangegeven grensde in het westen de kuststrook van de Iberos aan het gebied van de Celtiberos, een aantal volkeren met een gemengde Iberisch-Keltische cultuur, waarbinnen de Arévacos de belangrijkste groep waren. Zij bewoonden het dal van de rivier de Duero. Hun hoofdstad was Numancia (Numantia) die in 134 voor Christus door de Romeinen na een langdurig beleg geheel werd verwoest. Aan de noordzijde van de rivier de Ebro, ingeklemd tussen de Cantabrische volkeren in het westen en de Ilergeten in het oosten bevond zich het volk van de Vascones ofwel de Basken. Het is zeker niet – zoals zij zelf wel eens beweren – het oudste volk van Europa, maar hun taal is wel bijzonder want er is nog nooit verwantschap gevonden tussen het Baskisch en enige andere taal.

Langs de Cantabrische kust woonde een serie volkeren waarvan de Cantabros, de Astures en de Galaicos het hoofdbestanddeel vormden. De Cantabros waren echte bergvolkeren – hoogst waarschijnlijk directe afstammelingen van de cro-magnons die in de grotten van Altamira hun kunstwerken achterlieten. Ondanks dat zij beïnvloed werden door de Keltische cultuur, hebben zij vanwege de ontoegankelijkheid van het gebied altijd een zekere mate van zelfstandigheid weten te behouden en hielden zij er hun eigen gebruiken op na. Hun westelijke buren, de Astures, leefden niet alleen in het Cantabrisch gebergte, maar bewoonden ook het noordelijk deel van het Duerodal. In 14 voor Christus streek een Romeins garnizoen in het Duerodal en stichtte keizer Augustus de stad Astúrica Augusta, het huidige Astorga. Archeologische vondsten wijzen er overigens op dat Astúrica al een nederzetting was in de preromeinse tijd.

Las Médulas, Spaanse goudmijn - cc
Las Médulas, Spaanse goudmijn – cc

Beroemd zijn de Asturiaanse goudmijnen: Las Médulas, waar de oorspronkelijke bevolking al goud won in de rivierbeddingen en die later uitgroeiden tot het belangrijkste wingebied van dit edelmetaal in het gehele Romeinse rijk. Tussen Asturië en het woongebied van de Celtiberos bevonden zich de Vacceos, die met hun rijke graanproductie hun buren van voedsel voorzagen.

Verraco van Ledesma
Verraco van Ledesma
In het uiterste noordwesten, het huidige Galicië en Noord-Portugal woonden de Galaicos. Zij zijn meer dan hun oosterburen opgegaan in de Keltische cultuur wat zich met name uit in hun taal, het Gallego. Tussen de rivieren de Duero en de Taag – ten oosten van de Celtiberische en Iberische gebieden – woonden de Carpetanos, Vetones en Lusitanos. Allen duidelijk behorend tot het Keltische cultuurgebied, zij het dat de Vetones en Lusitanos een taal spraken die van prekeltische ouderdom is. De Vetones maakten eerder onderdeel uit van de verracocultuur, ontstaan vanaf de vijfde eeuw voor Christus. Een verraco is een mannetjesvarken ofwel beer en er zijn prachtige beelden van gevonden. Van alle lokale leiders die heersten in het Ibersich schiereiland ten tijde van de Romeinse inval, was de Lusitaan Viriato waarschijnlijk de enige van groot gewicht. Hij bood de Romeinen langdurig weerstand in de Lusitaanse oorlogen en werd door hen ‘rey de Hispania meridional’ (koning van zuidelijk Hispania) genoemd.

~ Willem Peeters

Overzichtspagina: Geschiedenis van Spanje
Overzicht van boeken over de Spaanse geschiedenis

Dit atikel is afkomstig van online geschiedenismagazine www.historiek.net

Meer van dit soort berichten? Like ons dan!

Gelijk naar geschiedenisboeken over:
Ook adverteren op Historiek?
Goede keus! Klik hier