Dark
Light

Het jaar 1000 – Nederland in het midden van de Middeleeuwen

8 minuten leestijd
Vikinghoorn. Runderhoorn met zilver-loodbeslag
Vikinghoorn. Runderhoorn met zilver-loodbeslag, l. 60,2 cm, 900-1000, Scandinavië © Collectie en foto: Schatkamer van de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek, Maastricht, inv.nr. F 2008-IV-63
Het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden neemt bezoekers in een nieuwe tentoonstelling mee naar het midden van de Middeleeuwen, met het jaar 1000 als eindbestemming. Soms wordt gedacht dat in de periode 900-1100 niet zoveel gebeurde. In de tentoonstelling laat het museum – aan de hand van vierhonderd archeologische vondsten, kunstvoorwerpen en manuscripten uit Nederland en daarbuiten – echter zien dat dit juist een tijd van ingrijpende veranderingen in landschap, bevolking, bebouwing, taal en cultuur was. Bij de tentoonstelling is een publieksboek uitgebracht, getiteld Het jaar 1000 – Nederland in het midden van de Middeleeuwen. Op Historiek publiceren we een fragment uit dit boek, waarin conservator Annemarieke Willemsen antwoord probeert te geven op de vraag waarom deze belangrijke periode lange tijd zo onderbelicht bleef.


“Laat af van hoop en wanhoop, kom waar vrouwen lachen en om en om de wijnkan rondgaat. Drink voordat uw stof wordt omgewerkt tot een andere kom.” Omar Khayyâm, 11de eeuw

Zilver en zijde

Apostelrelieken in reliekhoorn met zilverbeslag
Apostelrelieken in reliekhoorn met zilverbeslag. Collectie: Schatkamer Onze-Lieve-Vrouwebasiliek, Maastricht, F 2008-IV-63. Foto: R. Rijntjes, RMO.
Deze hoorn (openingsafbeelding) begon zijn leven op de kop van een buffel. De draaiing is nog altijd goed te zien. Daarna, in Scandinavië, werd de hoorn uitgehold om als drinkhoorn te worden gebruikt. En daarna werd de drinkhoorn voorzien van zilverbeslag en werden er, in Maastricht, relieken in opgeborgen: drie minuscule fragmentjes bot, relieken van heiligen, en niet de minste: Andreas, Thomas en Judas Thaddeus, drie apostelen, en dus relieken die uit Rome moeten zijn gekomen. Het zilverbeslag lijkt om de hoorn gewonden en bestaat uit smalle stroken met paren leeuwen, vlechtwerk en gezichten. Die elkaar aankijkende leeuwen kennen we ook van Perzisch textiel uit deze eeuwen. Ik denk dat deze windsels van zilver de indruk moeten geven dat de hoorn in heel kostbaar textiel is gedraaid, zoals met relieken vaker gebeurde.

De leeuwen op het zilverbeslag, met de koppen naar elkaar gewend, lijken op de vrolijk grijnzende leeuwen en buffels op fragmenten van zijde uit de tiende eeuw, nu in de schatkamer van de Sint-Servaasbasiliek in Maastricht. Deze stukken duizend jaar oude zijde zijn gevonden in de rijk versierde kist (de zogeheten ‘noodkist’) waarin de botten van de heilige Servatius worden bewaard, samen met nog andere fragmenten van textiel, afkomstig uit de hele wereld.

Detail van zijde met leeuwen, 900-1000
Detail van zijde met leeuwen, 900-1000 – Collectie en foto: Schatkamer Sint-Servaasbasiliek, Maastricht, SSS1137
De leeuwen- en buffelzijde komen uit Centraal-Azië. In de periode rond het jaar 1000 was er veel ‘handel’ in relieken, overblijfselen van heiligen. Die waren onder andere nodig om een kerk in te wijden en trokken vervolgens pelgrims aan. Vaak werden van die overblijfselen kleine stukjes afgehaald en aan een andere kerk geschonken. Dan werd de reliek verpakt in een stukje stof, zo duur mogelijk, met een briefje erbij (een schedula) met de naam van de heilige. Op die manier zijn in schatkamers allerlei bijzondere stukken textiel bewaard uit de tiende en elfde eeuw. De schatkamer van de Servaaskerk bezit één van de belangrijkste textielschatten uit deze tijd.

De hoorn en de zijde, beide duizend jaar geleden in het huidige Nederland terecht gekomen, tonen een grote wereld: Scandinavië, Vikingen, Rome, pelgrims, Azië, zijderoutes, de stad Maastricht, het bisdom Luik. Ze zijn daarmee iconisch voor het verhaal van het jaar 1000: ‘Nederland’ is klein, maar deel van een ‘connected world’. We zitten in de periferie van grote rijken, maar middenin overlappende invloedssferen. Nederland bestaat nog niet, maar er zijn Friese ridders in Rome, en een Byzantijnse prinses brengt in de buurt van Groesbeek de troonopvolger van het Heilige Roomse Rijk ter wereld, Otto III. Hij was keizer toen het jaar 1000 aanbrak.

Detail van zilverbeslag met dieren op reliekhoorn
Detail van zilverbeslag met dieren op reliekhoorn. Collectie: Schatkamer van de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek, Maastricht, F 2008-IV-63. Foto: R. Rijntjes, RMO.

Het jaar 1000

Het jaar 1000 was, net als het jaar 2000, een belangrijke mijlpaal. In de periode kort voor 1000 heerste er in Europa een ondergangsstemming, waarbij velen verwachtten dat bij het bereiken van het millennium het einde der tijden zou aanbreken en het eeuwige rijk van Christus zou komen. Her en der deden mensen afstand van hun bezittingen in de vaste overtuiging dat zij vlak voor het Laatste Oordeel stonden. Na 1000 zien we, mogelijk als reactie op het uitblijven van het einde, de opkomst van ‘de eerste ketterij’ in onze streken.

Fragment van Perzische zijde met buffels, 1000-1100
Fragment van Perzische zijde met buffels, 1000-1100. Collectie en foto: Schatkamer Sint-Servaasbasiliek Maastricht, SSS1150-13249.
Bij ketterverbrandingen – de eerste keer dat we daarvan horen – in Saint-Omer, in het huidige Noord-Frankrijk, zijn de afvalligen Vlaamse lakenhandelaren. Ook is er een Zeeuwse ketterse prediker, Tanchelm. Gebeurtenissen rond het jaar 1000, zoals de opening van het graf van Karel de Grote in Aken en het oprichten van de runenstenen in Jelling, staan duidelijk in het teken van deze mijlpaal. En het jaar 1000 is het ‘midden van de Middeleeuwen’.

De periode van de tiende en elfde eeuw is echter een groot zwart gat in de Nederlandse geschiedenis. De canon van de Nederlandse geschiedenis springt van Karel de Grote, die leefde rond 800, direct door naar circa 1100 met als volgend canonvenster de oudste tekst in het ‘Nederlands’ (“Hebban olla vogala”).

Ook de ambitieuze NTR-serie Het verhaal van Nederland sprong van Bonifatius en Dorestad rond 700 meteen over naar Floris V en Holland in de dertiende eeuw. Dat is jammer, want dit zijn belangrijke eeuwen in de ontwikkeling van Nederland. Er wordt voor het eerst op grote schaal land aangewonnen en bruikbaar gemaakt door grote ontginningen. Als gevolg daarvan zakt het land, zoals geoloog Peter Vos uitlegt. Rond 900 ligt heel het grondgebied van wat nu Nederland is nog boven NAP. Het landschap verandert juist in deze periode onherroepelijk. Door menselijk ingrijpen.

Nederlands landschap ‘Het jaar 1000’.
Nederlands landschap ‘Het jaar 1000’. Still uit een van de AV-projecties op de tentoonstellingswanden © Shosho / RMO

Raamwerk

Het gebied van het huidige Nederland wordt vanuit Utrecht en Luik bestuurd door bisschoppen met wereldlijke macht, wat nu moeilijk voorstelbaar is, en behoort tot het Duitse rijk, geregeerd door Ottoonse en Salische keizers. De ogen van de toenmalige bevolking zijn meer gericht op het oosten dan het westen – anders dan we gewend zijn. De politieke veranderingen van deze periode zijn duidelijk te zien in nieuwe (types) bebouwing. Zoals Aart Mekking het formuleerde in zijn Bouwen in Nederland 600-2000:

“Gedurende de tiende en elfde eeuw kan men in de Lage Landen voor het eerst spreken van een duidelijke staatkundige eenheid met een eigen identiteit. Het hertogdom Lotharingen vormde van 880 tot 1106 het politieke raamwerk waarbinnen de oudste gebouwen die Nederland nu nog bezit tot stand zijn gekomen.”

Voor de tiende en elfde eeuw is archeologie de belangrijkste bron. Maar een beeld van deze eeuwen ontbreekt in de archeologische musea van Nederland. Daarin krijgt traditioneel de Romeinse tijd veel aandacht, terwijl historische presentaties in lokale musea meestal met de twaalfde of dertiende eeuw beginnen, waar de geschiedenis en archeologie tastbaar worden. De periode daartussen, de ‘Vroege’ en ‘Hoge’ Middeleeuwen, zijn veel ongrijpbaarder en daarom wagen de meesten zich er niet aan.

Beeld: Het jaar 1000. Nederland in het midden van de Middeleeuwen
Beeld: Het jaar 1000. Nederland in het midden van de Middeleeuwen

Een inventarisatie bestond ook niet. Zoals historicus Marco Mostert schreef in het omineus In de marge van de beschaving getitelde deel over de periode 0 tot 1100 (!) van De geschiedenis van Nederland:

“Een andere geschiedenis van Nederland in het eerste millennium, waarbij de materiële resten als belangrijkste bron worden gezien, zou ook te schrijven zijn. Het wachten is op de archeoloog die zich daartoe geroepen voelt.”

Ivoren kistje uit Zuid-Italië/Sicilië met Arabische invloeden, 1000-1200
Ivoren kistje uit Zuid-Italië/Sicilië met Arabische invloeden, 1000-1200. Collectie
en foto: Schatkamer Sint-Servaasbasiliek, Maastricht, SSS0948
Waarom is deze periode tot nu toe onderbelicht gebleven? Historische studies richtten zich met name op deze eeuwen als het begin van Holland en de opkomst in de elfde/twaalfde eeuw van een feodale machtsstructuur. De dominantie van Holland in de geschiedschrijving van Nederland heeft de toenmalige machtscentra van Groningen, Utrecht, Keulen en Luik in de marge van de historie geschoven. De belangrijke plaatsen uit die tijd zijn vooral in het oosten, noordoosten en zuidoosten van het huidige Nederland te vinden.

Daarnaast zijn de tiende/elfde eeuw binnen de studie van de Middeleeuwen zelf een overgangsperiode; voor mensen die zich met de Vroege Middeleeuwen bezighouden, met grafvelden en goudschatten, is deze periode te laat. Voor mensen met interesse in de Late Middeleeuwen, in kastelen, steden, ambacht en handel, is dit nèt te vroeg. Dat geldt ook voor de kunstgeschiedenis: we zitten tussen het hoogtij van de Karolingische manuscripten en de Romaanse basilieken in. Ook in het geschiedenisonderwijs is het jaar 1000 de scheidslijn tussen twee tijdvakken.

Crypte met zuilen en dobbelsteenkapitelen van de Lebuinuskerk in Deventer, begonnen in 1040 door bisschop Bernold.
Crypte met zuilen en dobbelsteenkapitelen van de Lebuinuskerk in Deventer, begonnen in 1040 door bisschop Bernold. (CC BY-SA 4.0 – Davidh820 – wiki)

Midden in de Middeleeuwen

Hoe noem je deze eeuwen, letterlijk midden in de Middeleeuwen, in een spagaat tussen de Vroege en de Late Middeleeuwen? De scheidslijn van het jaar 1000 is een spelbreker: vaak is er aandacht voor het ‘eerste millennium’, met wel de tiende maar niet de elfde eeuw. Ook is het jaar 1000 gehanteerd als grens waarna we over ‘historie’ spreken, omdat er geschreven bronnen zijn. Dat is een zinloze verdeling – er zijn natuurlijk geschreven bronnen uit de millennia daarvoor – maar deze is lang bepalend geweest en ook deze scheidt de tiende en elfde eeuw van elkaar.

In Duitsland heten deze eeuwen ‘Hohes Mittelalter’, maar de vertaling ‘Hoge Middeleeuwen’ blijft een Germanisme. Het Duitse ‘Hochmittelalter’ bevat de periode van midden elfde tot midden dertiende eeuw. Over de vertaling zegt Wikipedia:

“Met hoge middeleeuwen, centrale middeleeuwen of volle middeleeuwen wordt door historici gewoonlijk die periode in de middeleeuwen in Europa bedoeld die duurde van ca 1000 tot ca 1250. In de periode ervoor werd Europa geteisterd door invallen van Vikingen, Moren, Magyaren en roversbendes.”

Daar gaat de tiende eeuw…

Naar de regerende keizers van het Heilige Roomse rijk, het hoogste gezag, heet de periode van 919-1024 Ottoons en die van 1024 tot 1125 Salisch. Ze omvatten samen zeven keizers: Otto I (de Grote), II en III, Koenraad II, Hendrik III, IV en V. Het was een dynastie van Franken, net als de Karolingische ervoor, en deze keizers waren tegelijkertijd ook hertog van Saksen en Roomskoning. Vanaf 1073 zijn de keizers betrokken in de zogenaamde ‘investituurstrijd’ met de paus over wie het hoogste gezag was. Voor Otto I op de troon komt, begint de tiende eeuw in West-Europa nog met de laatste Karolingische koningen.

Het jaar 1000
Nederland in het midden van de Middeleeuwen
Het jaar 1000. Nederland in het midden van de Middeleeuwen
Kunsthistorici gebruiken de term ‘Ottoons’ voor kunst, vooral boekverluchting, dan weer voor de periode van de Otto’s, Koenraad en Hendrikken samen. De stijl wordt omschreven als een samenraapsel, met elementen als de idealen van Karolingische kunst, belangstelling voor vroegchristelijke kunst en invloed uit de gelijktijdige Byzantijnse kunst. Dat is natuurlijk geen karakteristiek.

Architectuurhistorici beschouwen de elfde eeuw als het begin van de Romaanse periode, circa 1000-1150, en benoemen de periode daarvoor als ‘pre-Romaans’. Historici benoemen, in internationale context, de tiende eeuw als een ‘ijzeren eeuw’, een moeilijke periode waarin veel onrust en onzekerheid is. Zeker tot 960 zien zij weinig gebeuren. Nederlandse geschiedschrijvers hebben het wel
over “de droge elfde eeuw”, maar vaker refereren ze aan “de tijd van de grote ontginningen”.

Boek: Het jaar 1000 Nederland in het midden van de Middeleeuwen

De tentoonstelling Het Jaar 1000. Nederland in het midden van de Middeleeuwen is nog tot en met 17 maart 2024 te bezoeken in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden.

Annemarieke Willemsen is conservator middeleeuwse collecties van het Rijksmuseum van Oudheden (Leiden) en directeur van het Dorestad Congres.