Dark
Light

Hoe Antwerpen een diamantstad werd

8 minuten leestijd
De Pelikaanstraat in Antwerpen vormt al eeuwenlang het centrum van de diamanthandel
De Pelikaanstraat in Antwerpen vormt al eeuwenlang het centrum van de diamanthandel (CC BY-SA 4.0 - Vasyatka1 - wiki)
Antwerpen is voor alles een stad van handel. Fred Vanderpoorten gidst al vele jaren toeristen, belangstellenden en jongeren door de stad. In zijn boek Antwerpen, stad van de handel, loodst hij de lezer in vijf hoofdstukken door de tijd aan de hand van de mensen en de historische feiten die van Antwerpen een van de belangrijkste havens en handelscentra van Europa maakten. Van de Gouden Eeuw met Plantin en Metsys tot de meest recente decennia met onder andere Boerentoren, de ontwikkeling van de haven, de Meir en de verkeersrevolutie. Op Historiek plaatsen we een fragment uit het boek, over de beroemde Antwerpse diamantbuurt.

Diamanten

Joden en diamanten, in de ogen van velen is dit een vanzelfsprekende combinatie. Nochtans wordt de Antwerpse diamantsector vandaag gedomineerd door de Indiase gemeenschap en dat internationale karakter is er altijd geweest. Vóór de Portugese converso Diego Duarte in de Antwerpse Gouden Eeuw een leidende rol speelde in de diamanthandel deden onder meer Venetianen en Genuezen dat. Maar ook geboren en getogen Antwerpenaren, destijds én vandaag.

Mocht u zich afvragen naar wie de Gramayestraat genoemd werd, een zijstraat van de Meir: in 1565 liet Gerard Gramaye deze straat trekken. Een grondspeculant, maar hij kocht en verkocht ook diamanten. Net zoals Jacomo de Pret – een van de leidende figuren van de Oostendse Compagnie – anderhalve eeuw later.

Diamantair Louis Coetermans
Diamantair Louis Coetermans
Nog een Antwerpenaar: de voorouders van Louis Coetermans kwamen uit Bergen op Zoom maar hij werd in de Scheldestad geboren, waar zijn vader in 1869 een diamantslijperij startte. Louis groeide uit tot Prins Diamant en zette Antwerpen opnieuw op de kaart als dé diamantstad. Die status had de stad gehad in de zestiende eeuw, maar toen na 1585 heel wat calvinisten naar het Noorden trokken, ging een groep converso’s, met hun diamanten, met ze mee, zoals nazaten van Diego Duarte. Hierdoor werd Amsterdam een grote concurrent, maar Antwerpen bleef belangrijk omdat diamanten – door hun kleine volume – weinig hinder ondervonden van de Scheldetol die werd geheven. Die was bijna te verwaarlozen in verhouding tot de waarde van deze vracht.

Amsterdamse concurrentie

Amsterdam nam echter toch de leiding van Antwerpen over nadat begin achttiende eeuw de Indiase diamantmijnen – waar alle diamanten toen vandaan kwamen – stilaan uitgeput geraakten en in Brazilië diamanten werden ontdekt. Amsterdam slaagde erin een monopolie te krijgen op de handel in Braziliaanse diamanten. De Amsterdammers hielden de beste stenen voor zich en Antwerpse diamantairs konden enkel nog kleine diamanten en stenen van mindere kwaliteit kopen. Dat was een uitdaging voor de plaatselijke diamantslijpers, die zich hierdoor ontwikkelden tot de allerbesten in hun vak.

Toen de diamanten van de Franse kroonjuwelen in 1786 moesten worden herslepen om ze aan te passen aan de veranderde mode, kozen de juweliers van het Franse hof dan ook voor Antwerpen. Om deze klus te klaren werden 23 slijpmolens geïnstalleerd in het door keizer Jozef II gesloten Kartuizerklooster in de Sint-Rochusstraat. Deze gebouwen staan er nog, maar zijn nu ingenomen door het Tropisch Instituut. In februari 1788 kwamen de diamanten voor de kroon van Lodewijk XVI terug aan in Frankrijk. Lang heeft hij echter niet kunnen genieten van hun nieuwe schittering. Vijf jaar later viel zijn hoofd – zonder kroon – in een mand onder de guillotine.

Op het moment dat vader Coetermans zijn diamantslijperijen in Antwerpen opzette, was Amsterdam nog altijd de dominante diamantstad. Waarom zijn voorkeur uitging naar Antwerpen is niet zo duidelijk. Was het de kwaliteit van de slijpers die hem aantrok? Of de lagere lonen? Rond die tijd kwam ook een twintigtal Joodse diamantairs uit Amsterdam zich in Antwerpen vestigen, om de hoge belastingen te ontlopen die in hun thuisstad geheven werden.

De glorie van Amsterdam begon te tanen. Een aanwijzing hiervoor was mogelijk de afwezigheid van de Amsterdamse diamant op de Antwerpse wereldtentoonstelling in 1885, waar de firma Coetermans pronkte met een – letterlijk en figuurlijk – schitterend paviljoen.

Beeld van Lodewijk van Bercken aan de gevel van het gebouw Leysstraat-Jezusstraat te Antwerpen, vervaardigd door Frans Joris.
Beeld van Lodewijk van Bercken aan de gevel van het gebouw Leysstraat-Jezusstraat te Antwerpen, vervaardigd door Frans Joris. (CC BY-SA 4.0 – Rotsaert8000 – wiki)
Hoe dan ook, Louis Coetermans slaagde erin een enorm internationaal netwerk uit te bouwen waarbij hij zich vooral richtte op Oost-Europa. Op 5 december 1908 werd het Huis Lodewijk van Bercken plechtig geopend, dat Louis Coetermans had laten bouwen op de hoek van de Leysstraat en de Jezusstraat. Op die hoek prijkt nog altijd het meer dan levensgrote beeld van de man die, weliswaar volgens een niet te verifiëren overlevering, het diamantslijpen zou hebben uitgevonden – niet in Antwerpen maar in Brugge.

De inhuldiging was een gigantisch feest met prominente gasten uit Antwerpen, maar ook uit New York, Parijs en Berlijn, en vertegenwoordigers uit het Ottomaanse Rijk, China, India, Zuid-Amerika, Afrika en Perzië. Louis Coetermans was trouwens de consul-generaal van Perzië. Het Huis Lodewijk van Bercken was gebouwd om diamanthandelaars de gelegenheid te geven ongestoord zaken af te handelen met hun belangrijke buitenlandse klanten en bood onderdak aan verschillende prestigieuze verenigingen zoals de Cercle Anversois de Diamants. In prachtig gedecoreerde zalen maakte men belangrijke afspraken.

Diamanten uit Namibië

De naam Coetermans had zo’n weerklank dat de Duitse Reichstag ermee instemde zijn bedrijf de exclusiviteitsrechten te geven voor de uitvoer van diamanten uit Duits Zuidwest-Afrika, het huidige Namibië, waar in 1908 diamanten waren gevonden. Dit gaf een enorme boost aan de Antwerpse diamantsector. Massa’s diamanten moesten worden geslepen. Coetermans liet tientallen diamantslijperijen bouwen, niet alleen in Antwerpen maar ook daarbuiten. De Antwerpse diamantsector had behoefte aan zo’n 10.000 diamantbewerkers. In Amsterdam waren er slechts een goede 6.000, van wie er 3.000 voor Antwerpse diamantairs werkten. In 1910 waren er in de Scheldestad en de omliggende gemeenten zowat 800 diamantateliers waarvan de helft in de stad zelf.

Het waren dus Amsterdamse Joden die in het midden van de negentiende eeuw de Antwerpse diamantsector opnieuw aanzwengelden. De meeste Joodse immigranten kwamen, zoals al gezegd, uit het oosten van Europa. Eerst nog aarzelend maar daarna in steeds groteren getale. In 1885 waren er een goede 1.000, in 1893 al 5.000 en aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog 20.000. Hoewel deze tot een andere Joodse strekking behoorden, vonden ze bij de Amsterdammers een gemeenschappelijke grond. Sommige inwijkelingen waren zelf diamantair, andere vonden werk in de sector.

Pelikaanstraat in Antwerpen, waar onder meer veel juweliers te vinden zijn
Pelikaanstraat in Antwerpen, waar onder meer veel juweliers te vinden zijn (CC BY-SA 3.0 – Mark Ahsmann – wiki)

Algauw was zo’n 80% van de Antwerpse Joden actief in de diamant en daar waren duidelijke redenen voor. In de diamanthandel is wederzijds vertrouwen cruciaal. Wanneer men in dezelfde buurt woont en hetzelfde gebedshuis bezoekt, wordt het moeilijk om onbetrouwbaar te zijn. De Joodse kalender heeft nogal wat feestdagen die verschillen van de christelijke. Ook de wekelijkse rustdag is niet zondag maar zaterdag. Met Joods personeel werken, had dus ontegensprekelijk praktische voordelen.

De diamantwijk is een duidelijk afgebakende zone naast het Centraal Station en daar is ook de Joodse wijk. Geen toeval, want op het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw was het spoor de enige manier om diamanten internationaal te vervoeren. De diamanthandel speelde zich dus volledig in die buurt af.

Aanvankelijk spraken handelaars af in cafeetjes in de Pelikaanstraat (naast de spoorweg), maar toen het aantal diamantairs almaar groter werd, was dit heel onpraktisch. En zo werd in 1885 de allereerste diamantbeurs opgericht. Aanvankelijk was dit een vergaderlokaaltje dat een vereniging van diamantairs huurde in Café Flora in de Anneessensstraat, waar nu de ingang is van een groot bioscoopcomplex.

Expositie van diamanten tijdens de wereldtentoonstelling te Antwerpen - 1894 - Rijksmuseum, Netherlands
Expositie van diamanten tijdens de wereldtentoonstelling te Antwerpen – 1894 – Rijksmuseum, Netherlands

In 1894 kreeg de zogenoemde Diamantclub van Antwerpen een eigen gebouw in de Pelikaanstraat 62. Daar is de beurs nog altijd gevestigd. Club geeft zeer goed aan wat zo’n diamantbeurs eigenlijk is: enkel wie lid is, heeft toegang, en om lid te worden moet je voorgedragen worden door bestaande leden en aanvaard. De diamantwereld is een kleine wereld en er geldt meer dan ooit het spreekwoord: ‘Vertrouwen komt te voet en gaat te paard.’

Vrij snel kwamen er diamantbeurzen bij. Vandaag zijn er in Antwerpen vier (van de 31 wereldwijd). De beurs is echter niet langer de marktplaats die ze vroeger was. De meeste transacties gebeuren nu in streng beveiligde privékantoren. Maar dat wil niet zeggen dat de beurzen hun functie hebben verloren. Een beurs is meer dan een zaal waar handelaars onderhandelen aan grote tafels. Het is vooral een instelling waar de leden elkaar ontmoeten en waar problemen intern kunnen worden opgelost door arbitrage. Diamantairs trekken maar heel zelden naar de rechtbank.

De diamanthandel herstelde snel van de Eerste Wereldoorlog. Amsterdam had gehoopt het laken weer naar zich toe te kunnen trekken, maar het liep helemaal anders. Dat Antwerpen de belangrijkste diamantstad was, demonstreerde het stadsbestuur met een somptueuze Juwelenstoet in 1923. Midden augustus wordt Antwerpen-Kermis gevierd. Op 15 augustus, het katholieke feest van Maria-Tenhemelopneming, stapten meer dan 2.000, vooral Joodse, figuranten door de Antwerpse straten. Ze waren niet alleen: olifanten, kamelen, zebra’s en honderden paarden liepen mee, en dan waren er nog de vijftien grootse praalwagens die de geschiedenis en de herkomst van de diamant evoceerden. Naar schatting een miljoen toeschouwers keken zich die dag de ogen uit.

Juwelenstoet in Antwerpen, 1923
Juwelenstoet in Antwerpen, 1923

De stoet ging driemaal uit, telkens langs een ander parcours. Dit waren niet alleen hoogtijdagen voor de diamanten, maar ook voor de horeca. Er werden bijna een half miljoen hotelovernachtingen geboekt, vooral door buitenlanders. Antwerpen weet zich, als relatief kleine stad, steeds weer internationaal in de kijker te plaatsen.

Tweede Wereldoorlog

De Tweede Wereldoorlog werd uiteraard een heel ander en bijzonder tragisch verhaal. De Duitse bezetter sloot Joodse diamantslijperijen en nam naar schatting voor zo’n 50 miljoen frank stenen in beslag. Waarschijnlijk was een groot deel van de Antwerpse diamanten toen echter al naar het buitenland gesmokkeld. De Joodse mensen verging het, zoals bekend, minder fortuinlijk. Vóór de oorlog woonden in Groot-Antwerpen naar schatting 35.500 Joden. 24.342 van hen lieten zich inschrijven in het Jodenregister; meer dan de helft van hen werd gedeporteerd. De meesten kwamen om in Auschwitz-Birkenau.

Na de oorlog telde Antwerpen nog slechts enkele honderden Joden. Maar toch herrees de Antwerpse diamant uit zijn as. Dit was in grote mate te danken aan de samenwerking tussen burgemeester Camille Huysmans en diamanthandelaar Romi Goldmuntz.

Tijdens de oorlog ontmoetten ze elkaar in Londen en toen ze in 1944 naar Antwerpen terugkeerden, bracht Goldmuntz 30.000 karaat diamanten mee, die hij verdeelde over zoveel mogelijk overgebleven ateliers. Op die manier konden zij weer aan het werk. De belangrijkste Antwerpse diamantairs waren echter naar de Verenigde Staten getrokken en het is begrijpelijk dat ze niet meteen geneigd waren naar de Scheldestad terug te komen. De inschikkelijkheid van de Antwerpse oorlogsburgemeester Delwaide en de politie om Joodse medeburgers te vervolgen, was hen ongetwijfeld niet ontgaan.

Antwerpen, stad van de handel

 
Eind 1946 reisde Romi Goldmuntz samen met waarnemend burgemeester Willem Eekelers – Huysmans was toen Eerste Minister – naar New York. Daar wist Goldmuntz zijn collega’s te overtuigen om weer naar Antwerpen te komen en zo kon dit opnieuw zijn rol als belangrijkste diamantstad opnemen. Vandaag verwisselt meer dan 80% van alle ruwe diamanten in de wereld in Antwerpen van eigenaar en gaan er dagelijks honderden miljoenen dollars over en weer.

Romi Goldmuntz speelde niet alleen een belangrijke rol in de diamantwereld, maar ook in de Antwerpse Joodse gemeenschap, als inspirator en financier van diverse liefdadigheidsorganisaties. Want in weerwil van het cliché van de ‘rijke Jood’ is het belangrijk te beseffen dat in deze gemeenschap ook heel wat armoede heerst, maar gelukkig ook heel wat solidariteit. Goldmuntz’ naam heeft in Antwerpen vandaag nog altijd een grote weerklank. De synagoge in de Van den Nestlei werd zwaar beschadigd in de Tweede Wereldoorlog. Hij financierde de heropbouw en sinds 1954 draagt ze zijn naam en het Joodse cultureel centrum in de Nerviërsstraat heet Romi Goldmuntz Centrum.

Boek: Antwerpen, stad van de handel – Fred Vanderpoorten

×