Dark
Light

Mauritshuis laat bezoekers nadenken over roofkunst

10 minuten leestijd
Zaalfoto bij de tentoonstelling 'Roofkunst - 10 verhalen'
Zaalfoto bij de tentoonstelling 'Roofkunst - 10 verhalen' - Foto: Mauritshuis

Roofkunst: tegenwoordig een actueel onderwerp, maar toen Marei von Saher, de erfgename van de Joodse kunsthandelaar Goudstikker, zo’n vijftien jaar geleden over teruggave van diens schilderijen begon, was de roep om restitutie van Joods bezit voor velen nog bijzonder – soms zelfs onaangenaam – nieuws.

Het lukte haar advocaten uiteindelijk om 202 van de door haar geclaimde 267 schilderijen terug te krijgen. Tot spijt van museumdirecties die topstukken uit hun collecties zagen vertrekken. Dit gebeurde onder andere met Jan van Goyens, Gezicht op de Oude Maas bij Dordrecht, dat evenwel voor 3,5 miljoen euro voor het Dordrechts Museum kon worden teruggekocht. De verkoop van de gerestitueerde werken uit de collectie Goudstikker leverde 35 miljoen op. Deze introductie illustreert de impact en vooral de financiële kant van dit onderwerp.

Dit verhaal wordt in de tentoonstelling Roofkunst: tien verhalen, die tot begin volgend jaar in het Maurits in Den Haag is te zien, niet verteld. In het museum staan vooral de morele en emotionele aspecten en vragen omtrent restitutie van roofkunst centraal.

VR-beeld uit de tentoonstelling in het Rijksmuseum
VR-beeld uit de tentoonstelling in het Rijksmuseum – Beeld: Jongsma + O’Neill

Al eerder werd aandacht voor roofkunst gevraagd. In 1945 organiseerde Stichting Nederlands Kunstbezit een tentoonstelling waar de gedupeerde eigenaren of hun nabestaanden hun bezit konden claimen. Van teruggave van herkende kunstwerken kwam niet veel terecht. Vanaf 1950 werden deze kwesties als afgedaan beschouwd. De kunstwerken werden geveild of belandden in de door de overheid beheerde NK-collectie, waarvan zich ongeveer vijfentwintig schilderijen in het Mauritshuis bevinden. In de zojuist geopende tentoonstelling Pieter Bruegel: de familiereünie in het Noordbrabants Museum ontdekte ik nog een ooit door de nazi’s geroofd werk: Allegorie op de Aarde en de Zomer, daterend van 1610-1620. Het paneel – een bruikleen uit de Rijksdienst voor Cultureel erfgoed – is in de tentoonstelling te zien ‘tot een eventuele nazaat van de oorspronkelijke eigenaar zich meldt’ aldus de zaaltekst.

Het Joods Historisch Museum organiseerde in 2006 een tentoonstelling met roofkunst uit rijksbezit, waarvan de herkomst onbekend was. Deze expositie leverde destijds eveneens weinig response op, maar de locatie was goed gekozen. De kunstwerken werden bijeengebracht in de Hollandse Schouwburg, tijdens de Tweede Wereldoorlog het vertrekpunt van Joden naar het doorgangskamp Westerbork. De rest is geschiedenis.

Vandaag de dag kunnen musea niet meer om teruggave heen. Onlangs meldden de media dat Amerika, na jaren van juridisch touwtrekken, zeven geroofde werken van Egon Schiele teruggeeft aan de nazaten van de in Dachau omgekomen Joodse kunstverzamelaar Fritz Grünbaum.

“Anders dan de bezoekers van het Mauritshuis gewend zijn is dit geen mooie tentoonstelling.”

Via de website van de Nederlandse commissie die zich bezighoudt met het onderzoeken van claims van nabestaanden, worden belanghebbenden en belangstellenden geïnformeerd over de werkwijze van de zogeheten Restitutiecommissie. Op deze site kan ook een claim worden ingediend. Films tonen het emotionele proces dat nabestaanden doormaken tijdens het achterhalen van de geschiedenis van een kunstwerk en in de beste gevallen de teruggave daarvan aan rechtmatige erfgenamen.

Tien verhalen over drie episodes

De expositie in het Mauritshuis is ingericht met objecten uit de eigen collectie, het Musée des Beaux-Arts in Rennes en drie Berlijnse musea. In tien verhalen wordt de bezoeker mee teruggenomen in de tijd. Naast de Tweede Wereldoorlog (1933-1945) en de Napoleontische tijd (1794-1814) besteedt de expositie aandacht aan de eeuwen durende koloniale periode.

Tijdens een voorbezichtiging waarschuwt de directeur van het Mauritshuis, Martine Gosselink, haar gehoor. Anders dan de bezoekers van het Mauritshuis gewend zijn is dit geen mooie tentoonstelling. Gastcuratoren Eline Jongsma en Kel O’Neill brengen de herkomstgeschiedenis van de getoonde objecten met virtual reality experiences en 3-D modellen in beeld. Eline Jongsma licht deze keuze toe. In musea worden objecten los van hun oorsprong getoond. Elk object heeft echter een verhaal. De VR-ervaring maakt de oorspronkelijke context zichtbaar. Zo wordt de bezoeker uitgenodigd om na te denken over de vraag hoe geschiedenis ons denken van nu beïnvloed.

Boog van Titus met de geroofde Menora uit de tempel van Jeruzalem, ca. 81 n. Chr.
Boog van Titus met de geroofde Menora uit de tempel van Jeruzalem, ca. 81 n. Chr. (CC BY-SA 3.0 at – Dnalor 01 – wiki)

In deze expositie ligt de focus op voornoemde drie episodes uit de West-Europese geschiedenis, maar roofkunst is van alle tijden. Daarvan getuigt het decoratieve programma rond de Boog van Titus in Rome, waarop het neerslaan van de Joodse opstand rond het jaar 70 wordt gememoreerd. Vol trots dragen soldaten de oorlogsbuit, waaronder de Menora, de zevenarmige kandelaar uit de tempel van Jeruzalem, met zich mee. In dit geval is duidelijk sprake van roofkunst.

Maar objecten in de huidige tentoonstelling kunnen ook als souvenir of geschenk, zonder kwade bedoelingen zijn meegenomen. De kritische waarnemer zal ingeval van te goeder trouw meegebrachte etnografica uit missiegebieden wellicht liever een genuanceerdere term dan roofkunst horen. Nu is nu, toen was toen. In de eigentijdse benadering van historische gebeurtenissen wordt weleens vergeten om deze in de historische context, met de ogen van toen te bekijken. Hoe je hier ook over denkt: grondig onderzoek naar de herkomst van vele duizenden objecten is nodig om hierin duidelijkheid te scheppen, zodat meegewerkt kan worden aan teruggave van ooit ontvreemde objecten. Met dit doel organiseert het Mauritshuis met het Humboldt Forum op 16 en 17 november een internationaal symposium.

Het aantal geroofde kunstwerken uit de tijd van de nazi’s en de Napoleontische periode staat in geen vergelijk met die uit de koloniale periode. Het gaat om duizenden stukken. Wat Gosselink betreft moet alles terug.

Trailer van de multimediale tentoonstelling in het Mauritshuis

Als kunsthistoricus vraag ik mij af: hoe gaan de ontvangers in de voormalige koloniën met deze kunstwerken om? Zijn er in de tropen mogelijkheden voor juiste conservering en klimatologisch verantwoorde presentaties? Deze overweging roept de herinnering op aan de door vocht en hitte kromgetrokken perkamenten bladen van een koptisch handschrift dat ik ooit in het interessante Jewish Cultural Historical Museum op Curaçao zag.

Introductiefilm

Staf met een vrouwenfiguur, ca. 1900 Hout, metaal en aluminiumfolie, 78 cm Staatliche Museen zu Berlin, Ethnologisches Museum, inv. VA 13776
Staf met een vrouwenfiguur, ca. 1900 Hout, metaal en aluminiumfolie, 78 cm Staatliche Museen zu Berlin, Ethnologisches Museum, inv. VA 13776
In de introductiefilm volgen we de in een stemmig pak gestoken Surinaamse dichter Onias Landveld, nazaat van de marrons, die in de koloniale tijd de plantages ontvluchtten. Over zijn kostuum draagt hij een traditionele groenblauw geruite omslagdoek, een zogeheten pangi. In het Etnografische Museum van Berlijn houdt hij een Surinaamse staf in de vorm van een voorouderbeeldje in zijn gehandschoende handen: ’…my people made this, why is it here?’ Hij geeft de wens te kennen het object mee te willen nemen. ‘Waarheen?’, vraagt de conservator. Hij antwoordt dat hij er wel een plekje voor zal vinden…

In de expositie worden vragen over het verleden van de getoonde objecten gesteld, zoals hoe en waarom werden ze geroofd?

“Ze werden meegenomen als oorlogsbuit, om soldaten te betalen of om de vijand te vernederen… De Hernhutters en andere zendelingen ontnamen de mensen onder wie zij missie bedreven hun religie en daarmee hun identiteit; onderzoekers namen spullen uit wetenschappelijke belangstelling mee.”

Roofkunst gaat over grenzen: letterlijk en figuurlijk. Ook vragen over de toekomst van de objecten komen aan de orde.

Teruggeven of terugvragen?

Het gaat in de tentoonstelling niet uitsluitend over het teruggeven van roofkunst. Er zijn ook oorspronkelijke eigenaren die hun spullen niet terug willen, zoals het Mauritshuis zelf! De collectie is gebaseerd op de in 1774 door stadhouder Willem V geopende Galerij Willem V. De hele verzameling van ongeveer tweehonderd schilderijen werd in 1795 meegenomen door de soldaten van Napoleon. In 1816 kwam slechts een deel van de geroofde werken terug. De rest, waaronder een aantal werken van naam, bevindt zich tot de huidige dag in de collectie van het Louvre. Twee werken zijn nu even in de tentoonstelling te zien: Paulus Potters, Het spiegelende Koetje uit 1648 en Jan Mijtens impressie van het Huwelijk van Friedrich Wilhelm keurvorst van Brandenburg met Louise Henriette van Oranje, 1646.

Paulus Potter, 1625-1654 - Het spiegelende koetje
Paulus Potter, 1625-1654 – Het spiegelende koetje, 1648 – Olieverf op paneel, 43 x 61 cm – Den Haag, Mauritshuis, inv. 137

Ook al meent het museum recht te hebben op deze werken, toch ziet de directie op grond van rationele vragen als: voegt het iets toe aan ons verhaal en hebben we er eigenlijk wel plek voor, af van een claim.

Dit ter illustratie van de stelling dat je de in de expositie belichte periodes niet met elkaar kunt vergelijken. Niet alle vragen omtrent teruggave wegen even zwaar.

Wat is er zoal te zien?

Rammelaar in de vorm van een aapje. Joods tafelzilver, rammelaars, armbanden en scharen. Stadtmuseum Berlin
Rammelaar in de vorm van een aapje. Joods tafelzilver, rammelaars, armbanden en scharen. Stadtmuseum Berlin. Foto Marina Marijnen
Bij het betreden van de expositie valt het oog op een overvolle vitrinekast. Onder de noemer Joods Zilver zijn een paar honderd nietszeggende objecten bijeengebracht. Maar bij de aanblik van enkele zilveren rammelaars, die beelden oproepen van de kleine knuistjes die ze ooit vasthielden, komt de geschiedenis wel erg dichtbij. Voor deze emotionele beleving is inlevingsvermogen nodig, maar via de door een VR-bril in de historische context waargenomen objecten komt het verleden op overweldigende wijze vanzelf bij je binnen.

Zo komt de context van het Paardenhoofd dat is overgebleven van de verloren gegane originele Quadriga op de Brandenburger Tor heel indrukwekkend tot leven. Met de handen stevig op een metalen hekje, sta ik met mijn VR-bril hoog bovenop het belangrijkste monument van Berlijn. Om mij heen besneeuwde daken en in de diepte het grote plein, waar ruiters zich verzamelen. Naast mij staat het befaamde vierspan; tijdens dit machtige moment ervaar ik zelfs een koude luchtstroom of slaat mijn fantasie op hol en is dat slechts suggestie?

Gottfried Schadow, 1764-1850  Paardenhoofd van de Quadriga van de Brandenburger Tor, 1793
Gottfried Schadow, 1764-1850 Paardenhoofd van de Quadriga van de Brandenburger Tor, 1793 – Koper, 125 x 66 cm Berlijn, Stadtmuseum Berlin, inv. I 52.374

De geschiedenis van het Paardenhoofd is een interessant voorbeeld van roofkunst. Het door Gottfried Schaduw in 1793 ontworpen vierspan werd tijdens de Napoleontische oorlog door de Fransen geroofd. Na Napoleons overgave werd de enorme sculptuur in 1814 teruggegeven aan Duitsland. Helaas, zou je bijna zeggen, want het origineel ging bij een bombardement in de Tweede Wereldoorlog verloren.

Rembrandt, 1606-1669 - Zelfportret, 1669
Rembrandt, 1606-1669 – Zelfportret, 1669 – Olieverf op doek, 65 x 60 cm Den Haag, Mauritshuis, inv. 840 Aangekocht van de Rathenau familie met steun van de Vereniging Rembrandt en particulieren, 1947
Even later sta ik diep onder de grond in een Oostenrijkse zoutmijn oog in oog met het Zelfportret van Rembrandt. Het werk werd in de Tweede Wereldoorlog gestolen van de Joodse familie Rathenau. Samen met ongeveer 6.500 kunstwerken, waaronder het Gentse Altaarstuk van de gebroeders van Eyck, was de Rembrandt voorbestemd voor het Führermuseum. Toen Hitlers droom, of beter nachtmerrie, in duigen viel gaf hij opdracht de hele kunstverzameling te vernietigen. De ontploffing van de mijn werd gelukkig verijdeld, waarna de geallieerde monuments men, de kunstschatten in veiligheid brachten en waar mogelijk voor restitutie zorgden. Zo kwam Rembrandt terug bij de rechtmatige eigenaar, die het werk aan het Mauritshuis verkocht. Een zeldzaam voorbeeld van geroofde kunst die op een nette manier in een museumcollectie is beland.

Balinese kris, Indonesië, ca. 1800-1850
Balinese kris, Indonesië, ca. 1800-1850 – Metaal, nikkel en hout, 48,5 x 9,5 x 4 cm – Staatliche Museen zu Berlin, Ethnologisches Museum, inv. IC 298a-b
Meteen links in de opstelling wordt een Balinees steekwapen getoond. Deze Kris uit het Ethnologisches Museum in Berlijn werd tijdens de door de Nederlanders als ‘pacificatieoorlogen’ aangeduide strijd buitgemaakt. De strafexpeditie tegen plunderende eilandbewoners van Bali trok een spoor van moord en doodslag. Ook hier word je terug geprojecteerd in de tijd en bevindt de bezoeker zich in een door overdadige vegetatie omgeven kampong, met – luguber detail – een gedode inlander aan de voeten. Geweerschoten klinken; een bizarre ervaring.

Anders dan verwacht zorgden de besprekingen over teruggave van de kris voor een verrassing. De huidige vorst van Kunklung wil het object niet terug al is het waarom niet duidelijk. De weigering houdt wellicht verband met de gedachte dat het religieuze object in handen van de vijand ontheiligd zou zijn.

Tijdens hun optreden stuitten de Nederlanders op heftige tegenstand van de bevolking. De bevelhebber van de Nederlandse strijdkrachten Andreas Victor Michiels werd, door de hand van een vrouw, gedood. Ida Dewa Agung Istri Kanya, de zuster van de koning van Klungkung wordt op Bali tot de huidige dag als een heldin vereerd.

Ook de installatie met de zogeheten Benin Bronzes die in 1897 door het Britse leger werden meegenomen is indrukwekkend en actueel. De bezoeker ziet hier replica’s en mallen van de gipsafgietsels van de originele beelden. In de tentoonstelling Kirchner en Nolde: Expressionisme en Kolonialisme (2021) was in het Stedelijk Museum in Amsterdam een origineel exemplaar te zien. De uitkomst van de claim tot teruggave werd destijds breed uitgemeten in de media. In 2021 werden, na jarenlang delibereren, 514 beelden door het Ethnologisches Museum in Berlijn overgedragen aan Nigeria. Het maken van replica’s is sindsdien niet meer toegestaan. De vraag naar het waarom wordt in de expositie eveneens gesteld.

Het exemplaar in de Haagse expositie, een goed getroffen replica van gips, fungeert als pars pro toto voor de ongeveer vijfduizend originele koninklijke beeldhouwwerken met religieuze functie die door de Britten uit Benin, het huidige Nigeria, werden geroofd.

Benin Bronzen: Duitsland, 20ste eeuw
Benin Bronzen: Duitsland, 20ste eeuw – Gipsafgietsels en mallen van de Benin bronzen – Berlijn, Staatliche Museen zu Berlin, Gipsformerei.

Nog recenter zijn de bijzondere lotgevallen van het Kanon van Kandy uit de collectie van het Rijksmuseum, dat onlangs tot restitutie aan Sri Lanka besloot. Het geschutstuk werd in 1765 door de Nederlanders meegenomen uit het Paleis van koning Radja Singh in Kandy op het toenmalige Ceylon, waar de VOC handelsvestigingen had. Met de opstand van de geknechte bevolking begon een jarenlange guerrillaoorlog. Na de verovering van de koningsstad Kandy belandde het kanon als oorlogsbuit in de verzameling van Stadhouder Willem V en via het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden in het Mauritshuis. In de Napoleontische tijd namen de Fransen het mee. In de veronderstelling dat het kanon een geschenk was van de Bey van Algiers aan Michiel de Ruyter werd het kanon in 1816, wegens de historische betekenis, teruggegeven aan het het volk van Nederland. Het kreeg een ereplaats in het Rijksmuseum, waar het oog van een van de conservatoren viel op een intrigerend etiketje… Na bestudering van de tekst – die niet in het Arabisch maar in het Singhalees was opgesteld – bleek dat het met de herkomst heel anders zat. Deze anekdote onderstreept het belang van grondig herkomstonderzoek.

Digitaal 3D model van ‘Kanon van Kandy’
Digitaal 3D model van ‘Kanon van Kandy’ – Jongsma+O’Neill

Het oorspronkelijk als diplomatiek geschenk vervaardigde sierwapen ontstond in de tweede helft van de zeventiende eeuw. Het vertoont naast Europese elementen als putti en handvatten in de vorm van dolfijntjes ook later aangebrachte Sri Lankaanse decoratie. Van dit kanon is een digitale reproductie gemaakt. Evenals bij de replica’s van de Benin Bronzes worden door de samenstellers van de tentoonstelling ook hier vraagtekens geplaatst aangaande kwesties over de autonomie van kunstwerken, het ‘intellectuele eigendomsrecht’ en aanverwante vragen. Kunnen digitale modellen slechts als kopieën van originele objecten worden beschouwd?

Met het kijken alleen naar de voorbeelden van als roofkunst gepresenteerde objecten ben je er nog niet; de bezoeker wordt uitgenodigd om zelf ook na te denken over de vragen rond roofkunst.

De tentoonstelling Roofkunst: tien verhalen loopt not tot en met 7 januari 2024

Marina Marijnen studeerde kunstgeschiedenis en archeologie. Zij publiceerde over uiteenlopende (kunst)historische onderwerpen in Dagblad Trouw, Geschiedenis Magazine en Cultoura, het reismagazine van Academische Reizen. Zij spreekt over- en recenseert actuele tentoonstellingen. Zie haar blog op www.uitdekunstmarina.nl