Appeasement – Het Hitler-experiment

Volgende week verschijnt bij De Arbeiderspers de Nederlandse vertaling van Appeasement. Chamberlain, Hitler, Churchill en de weg naar oorlog. In dit boek laat Tim Bouverie zien hoe ver de regeringen van de westerse democratieën, en met name Groot-Brittannië, gingen om aan Hitlers eisen tegemoet te komen en oorlog te voorkomen. Op Historiek een fragment over de eerste (internationale) reacties op Hitlers verkiezingenoverwinning in 1933 en de onderschatting van deze nieuwe leider.

Het Hitler-experiment

“Ik heb de indruk dat de personen die het beleid van de regering-Hitler bepalen niet normaal zijn. Sterker nog: velen van ons hebben het gevoel dat we in een land leven waar fanatici, raddraaiers en excentriekelingen de overhand hebben gekregen.”
– De Britse ambassadeur in Berlijn tegen de minister van Buitenlandse Zaken, 30 juni 1933

Het ijs op de Theems bezorgde de roeiers van Oxford problemen. In Yorkshire hadden de East Holderness Foxhounds de vorst getrotseerd, maar ze konden maar weinig ruiken. De Hurlingham Club had een nieuwe polocommissie en de populariteit van het professionele voetbal had negatieve effecten op de amateurtak. Op de binnenlandpagina achter de sportpagina’s van The Times berichtte een ‘speciale correspondent’ over de dringende behoefte aan een documentenkamer voor de regionale archieven van Buckinghamshire; en er was een hartverwarmend verhaal over enkele kisten ‘serum en bacteriën’ van een arts die uit de kofferbak van zijn auto waren gestolen, maar nu met hun eigenaar waren herenigd. Het hoofdartikel van het ‘rijksnieuws en buitenlands nieuws’ ging over de wisselkoers in Nieuw-Zeeland. Pas op pagina 10, naast een column over de laatste Franse kabinetscrisis, stond het nieuws dat de president van de Duitse republiek, de vijfentachtigjarige veldmaarschalk Paul von Hindenburg, de leider van de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij, Adolf Hitler, had ontvangen en hem had gevraagd kanselier van Duitsland te worden.

Rijkskanselier Hitler met rijkspresident von Hindenburg, 1 mei 1933. Bundesarchiv, Bild 102-14569 / CC BY-SA 3.0
Rijkskanselier Hitler met rijkspresident von Hindenburg, 1 mei 1933. Bundesarchiv, Bild 102-14569 / CC BY-SA 3.0

De benoeming van Hitler op 30 januari 1933 was opwindender nieuws dan de anachronistische lay-out van The Times suggereerde, maar niet veel. Sinds de oorlog hadden Duitse kanseliers het gemiddeld iets minder dan een jaar volgehouden en de economie bevond zich midden in de Grote Depressie – 24 procent van de beroepsbevolking was werkloos. De nazi’s hadden lichte beroering gewekt met hun electorale doorbraak in 1930 en hun verbazingwekkende zetelwinst in juli 1932, maar later datzelfde jaar hadden ze stemmen verloren en velen namen aan dat hun populariteit tanende was. Als bewijs daarvan was Hitler gedwongen geweest een coalitieregering te accepteren, met de voormalige kanselier, de katholiek-conservatieve Franz von Papen, als vicekanselier. De conservatieven, die in het kabinet met meer leden vertegenwoordigd waren dan de nazi’s, dachten dat ze Hitler wel in toom konden houden en hun aanwezigheid suste de bezorgdheid in het buitenland. ‘Hitler is kanselier geworden in Duitsland,’ tekende de Britse Conservatieve parlementariër Cuthbert Headlam op.

‘Maar niet in zijn eentje – hij heeft Von Papen als vicekanselier en er zitten veel leden van de Nationale Partij in zijn kabinet – ik stel me niet voor dat hij veel zal kunnen uitrichten.’

En evenmin joeg de figuur Hitler vredelievende democraten veel angst aan. De Daily Telegraph vroeg zich af hoe een man die er zo weinig inspirerend uitzag, ‘met dat belachelijke kleine snorretje’, bij de Duitse bevolking ‘zo aantrekkelijk en indrukwekkend’ kon overkomen. De liberaal getinte News Chronicle stak de draak met de triomf van ‘de Oostenrijkse huisschilder’ en de Labour-krant Daily Herald bespotte de ‘plompe kleine Oostenrijker met een slappe handdruk, gluiperige bruine ogen en een Charlie Chaplin-snor’. Niets, vervolgde de Herald, ‘in de publieke loopbaan van de kleine Adolf Hitler, nerveus als een meisje en ijdel als een matinee-idool, wijst erop dat hij aan het lot van zijn directe voorgangers zal kunnen ontsnappen’.

Fotos die Heinrich Hoffmann in 1930 maakte van Adolf Hitler - cc
Fotos die Heinrich Hoffmann in 1930 maakte van Adolf Hitler – cc

De dag daarvoor, nadat er na vijfenvijftig dagen een einde was gekomen aan het kanselierschap van de generaal Kurt von Schleicher, merkte The Times op dat een regering-Hitler ‘als de minst gevaarlijke oplossing werd beschouwd voor een probleem waaraan vele gevaren kleven’. De belofte van de nazileider om het Verdrag van Versailles uit te wissen zou ‘in andere landen tot enige bezorgdheid leiden’, maar, zo vervolgde de krant de volgende dag, ‘in alle eerlijkheid tegenover de nazi’s moet worden toegegeven dat ze in feite weinig meer hebben gezegd over het onderwerp van de aan Duitsland opgelegde beperkingen (…) dan de meeste constitutionele Duitse partijen’. The Economist en de Spectator dachten er ook zo over, en de pro-Labour-krant New Statesman was nog optimistischer: ‘We verwachten geen uitroeiing van de Joden of omverwerping van de macht van de grote banken’, merkte het blad op 3 februari 1933 op.

“De communisten zullen ongetwijfeld worden aangevallen; maar als het te extreem wordt zal dat krachtig verzet oproepen en wellicht zelfs leiden tot een “verenigd marxistisch front” dat de nazi’s en hun bondgenoten meer te stellen zal geven dan waar ze op hadden gerekend.”

De imperialistische Morning Post bleek meer in de richting te zitten met de stelling dat de laatste wending in de Duitse politiek weinig goeds voorspelde voor de interne vrede en de voorspelling dat de nieuwe regering waarschijnlijk ‘een oplossing voor binnenlandse problemen in een buitenlands avontuur zou zoeken’.

‘Het Hitler-experiment moest ooit een keer worden uitgevoerd en we zullen nu zien wat eruit voortkomt’

In Frankrijk vielen belangrijke gebeurtenissen in Duitsland samen met een binnenlandse politieke crisis, zoals de daaropvolgende zes jaar zo vaak zou gebeuren. Op 28 januari, de dag dat Von Schleicher ontslag nam, trokken de Socialisten hun steun in aan premier Joseph Paul-Boncour over diens plan om de Franse financiën te ‘redden’ via een verhoging van 5 procent van alle directe belastingen. Paul-Boncour nam ontslag en de Radicaal-Socialistische oorlogsminister Édouard Daladier werd voor het eerst premier. Desondanks bleef de komst van Hitler niet onopgemerkt. ‘Duitsland laat nu zijn ware gezicht zien,’ merkte Le Journal des débats op, terwijl het invloedrijke Paris-soir dacht dat Duitsland een nieuwe stap richting herstel van de monarchie en ‘een compromislozer buitenlands beleid’ had gezet. Maar hoewel sommige Franse kranten (met name de linkse) verontrust waren, reageerden andere minder eenduidig. Net als in Groot-Brittannië waren sommigen geneigd een ‘doodgewone demagoog’ en ‘huisschilder’ te onderschatten en werd rechts in Frankrijk heen en weer geslingerd tussen zijn traditionele anti-Pruisische houding en de bewondering voor de anticommunistische politiek van Hitler. Dus hoewel L’Ami du peuple – eigendom van de schatrijke parfumeur en oprichter van de Franse fascistische liga François Coty – Hitlers ‘onverzoenlijke haat jegens Frankrijk’ onderkende, geloofde het blad ook dat de nazi’s de ‘beschaving’ een grote dienst bewezen door de ‘angstaanjagende ervaring van het bolsjewisme’ de kop in te drukken. Soortgelijke gevoelens, zij het minder extreem uitgedrukt, waren te lezen in L’Echo de Paris, Le Petit Journal en La Croix.

De Franse ambassadeur in Berlijn, André François-Poncet, en zijn Britse tegenhanger Sir Horace Rumbold hadden Hitler aan het eind van 1932 afgeschreven. Nu hun verwachtingen werden gelogenstraft reageerden ze flegmatiek. ‘Het Hitler-experiment moest ooit een keer worden uitgevoerd,’ schreef Rumbold aan zijn zoon, ‘en we zullen nu zien wat eruit voortkomt.’ François-Poncet dacht er ook zo over. ‘Frankrijk heeft geen reden om zijn kalmte te verliezen,’ verzekerde hij Parijs op 1 februari 1933, maar ‘moet de daden van de nieuwe meesters van het Reich afwachten’. Lang hoefden ze niet te wachten.

De Rijksdag brandt. - cc
De Rijksdag brandt. – cc
Hitler wachtte amper een week alvorens de wereld te laten zien dat de vervolging en het geweld die zijn weg naar de macht hadden gekenmerkt, ook zijn bewind zouden typeren. Hij had nog geen meerderheid in de Rijksdag, maar haalde Hindenburg over nieuwe verkiezingen uit te schrijven, en de nazi’s, die nu de staatsmacht achter zich hadden, lanceerden een campagne van geweld en terreur. Stoottroepen van bruinhemden verstoorden politieke bijeenkomsten, sloegen de hoofdkwartieren van de communisten en sociaaldemocraten kort en klein en molesteerden tegenstanders. De Duitse pers werd gemuilkorfd, maar buitenlandse correspondenten berichtten met groeiende afschuw over de dagelijkse tol aan moorden, mishandelingen en onderdrukking. Op 27 februari 1933, zes dagen voor de verkiezingsdag, werd de Rijksdag in brand gestoken. Ter plaatse werd een Nederlandse communist gearresteerd en de nazi’s verklaarden dat de brandstichting de aanzet was tot een poging tot een bolsjewistische revolutie. Dit gaf Hitler het excuus om zijn dictatuur te vestigen. Burgerlijke vrijheden werden opgeschort, communisten en andere politieke tegenstanders werden massaal opgepakt en op 23 maart stemde de nieuw gekozen Rijksdag zichzelf weg door de Machtigingswet aan te nemen, die Hitler de bevoegdheid gaf bij decreet te regeren. Nog diezelfde maand werd een leegstaande explosievenfabriek even ten noorden van het middeleeuwse stadje Dachau in Beieren omgebouwd tot een kamp voor de ‘Schutzhaft’ (‘beschermde hechtenis’) van politieke gevangenen.

En dan waren er de Joden

Albert Einstein in 1947 (Publiek Domein - wiki)
Albert Einstein in 1947 (Publiek Domein – wiki)
Hitler beschouwde de Joden niet als Duitsers, niet eens als echte mensen, en hij stelde hen verantwoordelijk voor zowat alles wat er mis was met Duitsland. Vanaf het begin van de machtsovername door de nazi’s waren ze een gemakkelijke prooi voor de SA, die hun bezittingen vernielde en ongestraft aanslagen en moorden pleegde. Op 1 april 1933 vond de eerste landelijke uiting van vervolging plaats toen de nazi’s een boycot doorvoerden van Joodse winkels en bedrijven. De internationale gemeenschap was woedend. In Hyde Park demonstreerden veertigduizend mensen en er waren ook demonstraties in Manchester, Leeds en Glasgow, en in New York. De Scotsman noemde het ‘het watermerk van de haat’, en Lord Reading, voormalig minister van Buitenlandse Zaken en pas de tweede in naam praktiserende Jood die lid was van het kabinet, trad af als voorzitter van de Anglo-German Association. Een dag later hief Joseph Goebbels, de kleine propagandaminister van de nazi’s, de boycot op, maar dit verhinderde niet de complete verwijdering van Joden en andere ‘onwenselijken’ uit alle gebieden van het openbare leven. Voor de overgrote meerderheid was het onmogelijk ander werk te vinden en duizenden gingen gedwongen in ballingschap. En zoals de Britse ambassadeur opmerkte, gold de zuivering ook voor Joden van internationale naam, zoals de componist Arnold Schoenberg, de dirigenten Bruno Walter en Otto Klemperer en de natuurkundige Albert Einstein. Zelfs Felix Mendelssohn Bartholdy, die in 1847 was overleden, ontsnapte niet aan de nazirevolutie: zijn portret werd verwijderd uit de hal van de Berliner Philharmoniker.

‘Iedereen is enthousiast over jullie daar in Duitsland en vraagt zich af wat jullie zullen gaan doen’

Natuurlijk waren er ook mensen die geen geloof hechtten aan de verhalen over wreedheden die verschenen in de kranten en in boeken zoals Braunbuch über Reichstagbrand und Hitlerterror, gepubliceerd in 1933. Zo bezocht Lord Beaverbrook, eigenaar van de massakranten Daily Express en Evening Standard, Berlijn in maart 1933 en kwam terug in de overtuiging dat ‘de verhalen over Jodenvervolgingen overdreven zijn’. Zoals te verwachten was dit de zin die de Duitse regering en haar aanhangers voorschotelden aan bezoekers die navraag deden, al namen de meesten niet de moeite of hadden niet de moed om navraag te doen. ‘Alle berichten uit het buitenland zijn kletspraat en leugens,’ schreef de fanatieke nazi-kolonel Ernst Heyne op 1 april 1933 aan de Britse generaal uit de Eerste Wereldoorlog Sir Ian Hamilton. ‘Ik weet zeker dat geen enkel land zo tolerant tegenover die meute [de Joden] zou zijn geweest als wij.’ Heyne vroeg Hamilton vervolgens ‘je uiterste best te doen binnen je vriendenkring om te verhinderen dat de sfeer verder wordt vertroebeld door die anti-Duitse campagne van de pers [sic]’. Hamilton antwoordde pas in oktober, maar toen was zijn toon bemoedigend en complimenteerde hij Heyne met diens ‘nieuwe nazi-uniform met keurige rijbroek en beenkappen’. ‘Iedereen is enthousiast over jullie daar in Duitsland en vraagt zich af wat jullie zullen gaan doen. Wat mij betreft, je weet dat ik een ware vriend ben van je land en ik heb er alle vertrouwen in dat jullie op den duur zullen komen waar je wilt.’ Een paar weken later drukte hij zich sterker uit en verklaarde in een brief aan een andere Duitse correspondent:

‘Ik ben een bewonderaar van de grote Adolf Hitler en ik heb mijn best gedaan om hem in moeilijke tijden te blijven steunen.’

Appeasement Chamberlain, Hitler, Churchill en de weg naar oorlog
Appeasement. Chamberlain, Hitler, Churchill en de weg naar oorlog
Hamilton was noch een fascist, noch een gebruikelijke antisemiet. Hoewel hij weigerde een brief te ondertekenen waarin de vervolging van de Duitse Joden werd veroordeeld, met de zwakke motivatie dat hij al bij te veel publieke zaken betrokken was, verzekerde hij de journalist en auteur Rebecca West dat hij geen ‘anti-Joodse vooroordelen’ koesterde en dat hij tweemaal was gekozen om Joodse veteranen van de Eerste Wereldoorlog op de wapenstilstandsdag naar de Cenotaaf te leiden. Toen Hitler aan de macht kwam, was Hamilton tachtig jaar; als een van de leidende figuren van het British Legion had hij zich de daaraan voorafgaande vijftien jaar vooral beziggehouden met het onthullen van gedenktekens en het helpen van ex-militairen. Hij geloofde hartstochtelijk in de noodzaak om voormalige vijanden met elkaar te verzoenen – niet in de laatste plaats via verenigingen van ex-militairen – en in 1928 was hij samen met Lord Reading medeoprichter van de Anglo-German Association. Ten slotte had hij het lange tijd als ‘de dodelijkste ramp voor Europa’ beschouwd als Duitsland in de greep van het bolsjewisme zou raken. Vanwege al die redenen was hij niet bereid de behandeling van de Joden door de nazi’s te veroordelen en werd hij zelfs een vooraanstaande verdediger van het regime.

~ Tim Bouverie

Boek: Appeasement – Tim Bouverie
Ook interessant: De Führercultus: de populariteit van Hitler
…of: Adolf Hitler: Van extremistische clown tot charismatische leider

Bestel dit boek bij:


Archiefstukken:

Meer tips ➱

Verder speuren:

Bekijk ook onze uitgebreide onderwerpenlijst of het personenregister