Wieliczka, of een geschiedenis over zout

Zout – Foto: CC/Christian Thiele
Tegenwoordig is zout uit ons dagelijks leven bijna niet meer weg te denken. Zout, de alledaagse benaming voor natriumchloride, is immers goedkoop, overal verkrijgbaar en speelt ongetwijfeld nog steeds een belangrijke rol als smaakversterker bij de bereiding van onze gerechten. Zout was echter door de eeuwen heen veel meer dan dat. Een plaats waar tot voor kort aan intensieve zoutwinning werd gedaan is het Poolse Wieliczka, een stadje op amper tien kilometer van Krakau. De zoutmijn aldaar maakt al sinds 1978 deel uit van de allereerste Werelderfgoedlijst van Unesco. Een overzicht:

Ontstaansgeschiedenis van de zoutmijn

Gedurende de verschillende opeenvolgende geologische tijdperken wisselden periodes van transgressies en regressies van zeeën en oceanen elkaar af. Tijdens één van deze periodes, het Mioceen, was dit niet anders. Toen, zo’n veertien miljoen jaar geleden, deed zich alweer één van deze regressies voor en veroorzaakte samen met een plotse stijging van de temperatuur een snelle verdamping van het zeewater waardoor zich al spoedig op meren en overblijvende plassen een residu van zoutkristallen vormde dat vlug zou uitgroeien tot een dikke verharde zoutlaag. Deze zoutlaag of zogenaamd steenzout werd nadien onder invloed van de werking van de tektonische platen samengeperst, geplooid en tot op honderden meters diep onder het aardoppervlak naar beneden geduwd.

Zout, het ‘witte goud’

De eerste sporen van zoutwinning zijn gevonden in China en dateren van ongeveer 5500 jaar voor onze jaartelling. Ook in het Oude Egypte kende men reeds het gebruik van zout, niet alleen als smaakstof bij het eten, maar voornamelijk als conserveringsmiddel voor voedsel en als cruciaal component bij het mummificeren. In Europa waren het de Kelten die al vroeg zout als betaal- en ruilmiddel gebruikten. Later namen de Romeinen het gebruik van zout als betaalmiddel over. Het woordje ‘salaris’ gaat trouwens etymologisch terug op het Latijnse ‘salarium’ of loon dat op zijn beurt verwant is met ‘sal’ of zout.

- advertentie -

Het witte goedje was dus reeds van oudsher een begeerd product. Ook in de daarop volgende eeuwen bleef zout een uiterst kostbaar artikel en was het voorbehouden voor de meer gegoede burgers. Het economisch belang van zout ontsnapte dan ook niet aan de aandacht van heel wat vorsten en werd spoedig de basis voor een belastingheffing. Zo stelde de Franse koning Filips IV (1268-1314) een zouttaks in, de zogenaamde ‘gabelle’, om op die wijze zijn schatkist te stijven. Ook Nederland en België kenden trouwens tot in de negentiende eeuw een speciale accijns op zout.

Zoutmijn in Wieliczka

Conegonda van Polen

In tegenstelling tot de feitelijke ontstaansgeschiedenis van de zoutmijn maakt een legende gewag dat begin dertiende eeuw Cunegonda, de dochter van de Hongaarse koning Béla IV, toen ze uitgehuwelijkt werd aan de latere Poolse vorst Boleslaw V haar meest waardevolle ring in de zoutmijnen van haar vader gooide. Volgens diezelfde overlevering volgde de ring haar naar Krakau, de toenmalige Poolse hoofdstad, en nam het kleinood tegelijkertijd ook het zout mee naar Wieliczka.

Verzinsel of niet, feit is dat het gigantische mijncomplex vanaf de dertiende eeuw in exploitatie is. Het netwerk van gangen, galerijen, zalen en onderaardse zoutmeertjes strekt zich uit over meer dan driehonderd kilometer, verspreid over negen niveaus gaande van 64 tot 327 meter diep. Jaarlijks bezoeken zo’n kleine miljoen toeristen de mijn tijdens een twee uur durende rondleiding waarbij enkel de drie bovenste galerijen bezocht worden bij een drie kilometer lange wandeling, hetzij één procent (!) van het ganse mijncomplex.

Greep uit de bezienswaardigheden

Zoutmijn Wieliczka – foto: CC/Andrzej Barabasz

Na een afdaling van bijna vierhonderd treden komt de bezoeker in een eerste zaal vernoemd naar Nicolaus Copernicus (1473-1543). Centraal in deze ruimte staat een metershoog beeld van deze vermaarde Poolse astronoom, arts en wiskundige. Het werd in 1973 uitgehouwen uit een reusachtig blok zout naar aanleiding van zijn vijfhonderdste geboortedag. Via alweer een reeks trappen komt men vervolgens in een kapel opgedragen aan Sint-Antonius, de patroonheilige van onder meer de mijnwerkers. Deze ruimte werd omstreeks 1690 volledig in de zoutlaag uitgekerfd. Zowel het altaar als alle ornamenten zijn met engelengeduld uit het zoutgesteente gehakt en vormen een indrukwekkend geheel. Naast een reeks werktuigen en graaf- en hakgereedschap dat de zoutwinning door de eeuwen heen moet evoceren, voert de bezichtiging de bezoekers verder langs een opeenvolgende rij van zaaltjes versierd met allerlei sculpturen van historische, religieuze en mythologische figuren die opgetrokken zijn uit het rotsachtige zout.

De kers op de taart is echter ongetwijfeld de immense kapel gewijd aan koningin Kinga, de Poolse benaming voor Cunegonda, u weet wel, die met de ring volgens de legende… Aan deze onderaardse ruimte (54 meter lang, 18 meter breed en 12 meter hoog) werd meer dan dertig jaar gewerkt. De talloze wandversieringen met Bijbelse scènes, zoals ‘Het Laatste Avondmaal’, ‘De vlucht uit Egypte’ en ‘De bruiloft te Kana’, zijn grotendeels het werk van een drietal mijnwerkers die tezelfdertijd autodidactische beeldhouwers waren: de gebroeders Jozef en Tomasz Markowski en Antoni Wyrodek, een kompaan die later het werk van de twee broers zou verder zetten.

Opmerkelijk aan deze ruimte is dat ook hier alles, tot en met de kroonluchters toe, uit zout is gehakt. Voorts wordt de kapel tot op de dag van vandaag niet alleen nog gebruikt om erediensten op te dragen, maar doet ze omwille van haar uitzonderlijke akoestische eigenschappen eveneens dienst als evenementenzaal voor bruiloftsfeesten en concerten. In 1999, werd in de kapel door de beeldhouwer Stanislaw Aniol een zes meter hoge zoutsculptuur toegevoegd met de beeltenis van wijlen paus Johannes-Paulus II (1920-2005). Daarnaast kerfde dezelfde kunstenaar in 2005 nog een bas-reliëf uit in één van de muren die de 25ste verjaardag moet herinneren van de oprichting van de vakbond Solidarsnoc, indertijd aangevoerd door de charismatische elektromonteur Lech Walesa (1943).

Na de kennismaking met deze ondergrondse ‘Kinga-kathedraal’ gaat de tocht verder naar alweer een ander vertrek: de Staszic-zaal, vernoemd naar Stanislaw Staszic (1755-1826), een Poolse geoloog, filosoof en schrijver. Het was in deze ruimte dat tijdens de Tweede Wereldoorlog de nazi’s een montagehal hadden ingericht voor vliegtuigonderdelen en waar voornamelijk Poolse Joden waren tewerkgesteld. Toen in 1944 de Sovjettroepen Krakau naderden, werd de opslagplaats ontmanteld en de Joodse dwangarbeiders op transport gezet naar het verderop gelegen vernietigingskamp Belzec.

Het bezoek eindigt in een zaaltje waarin een historisch museum is ondergebracht dat onder meer door middel van didactische borden de geschiedenis van de zoutmijn schetst. Daarna bereikt men via vier nog originele liftkooien opnieuw de begane grond, 124 meter hoger.

Rudi Schrever
Brusselse stadsgids
Rondleidingen op aanvraag
e-mail: rudi.schrever@skynet.be

Dit atikel is afkomstig van online geschiedenismagazine www.historiek.net

Meer van dit soort berichten? Like ons dan!

Gelijk naar geschiedenisboeken over:
Ook adverteren op Historiek?
Goede keus! Klik hier