Kantoor en schoolKantoor en school

Rood Wenen (en de creatie van de ‘neue Mensch’)

Hoe tijdens het Interbellum de Weense socialisten via huisvestingsprogramma’s, educatieve en culturele projecten proberen de neue Mensch te creëren.

Republiek Duits-Oostenrijk

Verkiezingsposter van de Oostenrijkse sociaal-democraten
Verkiezingsposter van de Oostenrijkse sociaal-democraten (Publiek Domein – wiki)
De republiek Oostenrijk – dat destijds Duits-Oostenrijk wordt genoemd – ontstaat na afloop van de Eerste Wereldoorlog als restant van het ooit zo machtige Oostenrijkse keizerrijk ofwel de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie. Er wordt er een regering gevormd onder leiding van Karl Renner, leider van de Sozialdemokratische Arbeiterpartei Österreichs (SDAPÖ) opgericht in 1881, waaraan de andere grote partij, de Christlichsoziale Partei (CS) uit 1891, haar medewerking verleent in een grote coalitie. Deze regering toont oog te hebben voor wensen vanuit de arbeidersbevolking, zoals invoering van de achturige werkdag.

In oktober 1920 vinden nieuwe verkiezingen plaats die gewonnen worden door de christensocialen. Vanaf dat moment wordt Oostenrijk geregeerd door een coalitie van de CS met de Großdeutsche Volkspartei (GDVP), een partij die in dat jaar ontstaan is uit een samenklontering van tal van nationalistische splintergroepen. De SDAPÖ belandt in de oppositiebanken. Doel van de nieuwe regering is om zo snel mogelijk de oude verhoudingen in het land te herstellen, zij wil niets weten van de hervormingsideeën van links. Maar in Wenen, dat in de nieuwe grondwet tot zelfstandige provincie is verklaard, liggen er kansen voor de SDAPÖ. Daar weten de socialisten zich te verzekeren van een meerderheid. Dat betekent de geboorte van het Rode Wenen. Er komen zeer ambitieuze plannen op tafel. De socialisten streven naar de verheffing van het arbeidersvolk tot de neue Mensch, tot ware socialisten via inzet van speciale woningbouw-, educatieve en culturele programma’s. Daarvoor is veel geld nodig waartoe het sociaaldemocratische financiële brein Hugo Breitner de middelen verschaft door een stelsel van progressieve belastingen te ontwerpen.

Wenen na de Grote Oorlog

Wenen, ooit het 2,1 inwoners tellende culturele hart van het keizerrijk van 52 miljoen burgers, is geslonken tot een weinig imposante stad van 1,9 miljoen in de rompstaat Oostenrijk met een totale bevolking van 6,4 miljoen. Was Wenen voor de oorlog nog een stad met een etnische gezien zeer gemêleerde bevolking, na de verloren oorlog vertrekken velen naar hun land van herkomst en resteren er eigenlijk nog slechts twee minderheden: Tsjechen en joden die respectievelijk om en nabij de 8 en 10 procent van de bevolking uitmaken. De Tsjechen worden behandeld als een minderheidsgroep in de samenleving, maar joden beschouwt men anders.

Zij onderscheiden zich in de ogen van Oostenrijkers niet als een minderheid met een eigen geloof, maar als een apart ras dat gemakkelijk als zondebok kan worden afgeschilderd voor de treurige sociaal-economische situatie. De politieke onzekerheid, veroorzaakt door het uiteenvallen van de monarchie, wordt versterkt door het verdrijven van vrouwen uit het arbeidsproces door teruggekeerde soldaten, door het enorme woningtekort en door de komst van vluchtelingen, waaronder zich veel joden bevinden. Dat jaagt het heersende antisemitisme in de stad extra aan. De ellende wordt gedurende de eerste winter in vredestijd nog verscherpt door de Spaanse Griep, de tijdens de oorlog toegenomen venerische ziektes en tuberculose die de Weense ziekte wordt genoemd.

Uniform van een 'Oberleutnant' van de Oostenrijkse 'Volkswehr'
Uniform van een ‘Oberleutnant’ van de Oostenrijkse ‘Volkswehr’ (CC BY 3.0 – Sandstein – wiki)
Wenen is in 1919 een stad met een groeiende industrie. Deze neemt de plaats in van de traditionele kleine werkplaatsen die gedurende de oorlog grotendeels het loodje hebben gelegd. De nieuwe industrieën vestigen zich in de buitenwijken waaromheen grote arbeiderswijken ontstaan. Gedurende 1919 en 1920 vragen de Weense arbeiders aandacht voor de miserabele toestand in de nieuwe wijken, het gebrek aan voedsel en de hoge prijzen. Demonstraties leiden niet zelden tot gewelddadigheden. Bang voor communistische agitatie, voeren de socialisten een strikt beleid, onder meer door de Volkswehr – een nieuw ontstaan vrijwilligersleger – in te zetten als dat nodig is. Natuurlijk maakt de Russische revolutie veel indruk op de Weense arbeidersklasse, maar de SDAPÖ zegt niet in het voetspoor te willen treden van de bolsjewieken. Toch bestaat er binnen de Oostenrijkse socialistische partij – net als in Rusland – een sterke neiging om alles top-down te regelen, voorbijgaand aan wat gewone burgers naar voren brengen.

De na-oorlogse problemen voor Wenen zijn enorm. Niet alleen is er veel aandacht nodig voor gezondheidszorg, welzijnsvoorzieningen en het optuigen van een modern en naar socialistische maatstaven geschikt onderwijssysteem, maar het is vooral de huisvestingsproblematiek, het enorme tekort aan woonruimte dat zorgen baart. Weliswaar is de bevolking van de stad gedurende de oorlog ten gevolge van verplaatsingen afgenomen met ongeveer 165.000 zielen, maar er zijn zo’n 50.000 huishoudens bijgekomen. Ogenschijnlijk een negatief groeicijfer, maar bedacht moet worden dat de emigranten veelal avonturiers zijn die families achterlaten en geen lege woningen, terwijl immigranten doorgaans met een gezin in de hoofdstad arriveren.

Bovendien neemt het aantal huwelijken snel toe, wat zorgt voor een extra vraag naar woonruimte, die er niet is. Het aanbod is praktisch nul. Extra druk op de woningmarkt ontstaat als ten gevolge van dalende huurprijzen hoofdbewoners zich ontdoen van onderhuurders en bedhuurders in de hoop op betere tijden. En dan is er nog de vrijwel tot stilstand gekomen woningbouw die in de tien jaar voor de oorlog nog ruim 90.000 woningen opleverde. De socialisten begrijpen heel goed dat de oplossing van het huisvestingsprobleem het centrale thema is in hun pogingen om de arbeidersklasse te verheffen, om de ordentliche Arbeiterfamilie te creëren. Passende woningbouw als basis voor een nieuwe arbeiderscultuur die garant staat voor de verdere ontwikkeling van het socialisme. Het op dat idee gebaseerde woningbouwbeleid mag dan leiden tot de realisatie van voldoende woonruimte voorzien van de nodige basisbehoeften, het betekent ook dat de socialisten meer en meer controle krijgen over de door hun gewenste richting waarin de emancipatie van de arbeider zich beweegt. Een centralistische benadering die lang niet altijd door de arbeider begrepen of gewaardeerd wordt.

Parlement van Wenen rond 1900
Parlement van Wenen rond 1900 (Publiek Domein – wiki)

Socialistisch huisvestingsbeleid

In de periode van 1919 tot 1934 worden er in de gemeente bijna 64.000 nieuwe woningen gebouwd waarvan 59.000 appartementen en 5.000 eengezinswoningen die samen aan 200.000 mensen onderdak bieden. Dat is zeker een prestatie, maar die wordt overschaduwd door het feit dat tussen 1924 en 1934 het aantal daklozen die hun toevlucht moeten nemen tot tehuizen is toegenomen tot 77.000 per maand en dat slechts 18 procent van de arbeidershuishoudens beschikt over gas, elektriciteit of stromend water. Feiten die in de publicaties van socialisten over hun activiteiten achterwege blijven.

Om greep te krijgen op de woningmarkt wordt in 1918-1919 door de centrale overheid een aantal decreten uitgevaardigd die de gemeentelijke autoriteiten het recht geven zich in de relatie tussen verhuurder-huurder te mengen. Dat betekent dat zij leegstaande woningen kunnen vorderden: de Wohnungsanforderungsgesetz, die in 1921 van kracht wordt. In Wenen is voordien al aan het huisvestingsbureau de bevoegdheid toegekend over de controle op uitvoering van alle huisvestingsregels met inbegrip van de registratie en toewijzing van appartementen. Die toewijzing geschiedt aan de hand van een puntensysteem. Eind 1925 zijn langs deze weg bijna 45.000 woningen toegewezen aan huurders.

Buste van Hugo Breitner in Wenen
Buste van Hugo Breitner in Wenen (CC BY-SA 3.0 – Otberg – wiki)
Daarmee heeft de gemeente de druk op de woningmarkt enigszins verlicht, maar het gaat dikwijls om toewijzingen aan huurders die daarvoor de woning bezetten als onderhuurders, wat dus weinig zoden aan de dijk zet als het gaat om huisvesting van nieuwe woningzoekenden en het leidt zeker niet tot verruiming van het woningaanbod.

Zoals aangegeven is het Hugo Breitner die via nieuwe wetgeving op belastinggebied de stad van de nodige middelen voorziet, maar voor de inrichting van een bouwfonds moet er nog veel geld bij uit de algemene middelen om de ambitieuze plannen van de SDAPÖ te kunnen realiseren. Geld dat afkomstig is van de centrale overheid en dat stuit de christensocialen tegen de borst. Zij zien met lede ogen aan dat dit geld wordt aangewend voor in hun ogen socialistische hobby’s en schilderen de bemoeienis van de Weense stadsautoriteiten met huurtoewijzing en bepaling van de hoogte van de huren af als een vorm van brutale onteigening. In 1924 gaat het gemeentelijke woningbouwprogramma van start als de woningmarkt ineenstort. Een programma dat qua architectonische vormgeving voortborduurt op de traditionele manier van bouwen in Wenen: aaneengeschakelde woningen rond een binnenplaats waar zich gemeenschapsvoorzieningen bevinden zoals een badhuis, een keuken voor algemeen gebruik, een apotheek, een leeszaal en dergelijke.

Otto Bauer in 1919
Otto Bauer in 1919 (Publiek Domein – wiki)
Daarmee volgen de socialisten een bestaand spoor, wat niets afdoet aan hun welgemeende pogingen om te zorgen voor fatsoenlijke huisvesting voor arbeiders. Fatsoenlijke huisvesting, gebaseerd op de gedachte van SDAPÖ-leider Otto Bauer dat dit een fundamenteel recht is dat alle burgers toebehoort. Bauer entameert de realisatie van gemeentelijke huisvestingsprojecten in de vorm van woningblokken die elk gemeenschapsvoorzieningen bevatten als gemeenschappelijk keukens en wasruimtes, centrale verwarming, speel- en schoollokalen voor kinderen, gemeenschappelijke eetzalen en lees- en ontspanningsruimtes voor volwassenen. Ook acht hij het ter beschikking stellen van koks, wasvrouwen en kinderverzorgsters noodzakelijk om alles in goed banen te leiden. Dit geheel van voorzieningen moet beheerd worden door de huurders zelf, georganiseerd in buurtcomités. Bauer acht dit alles van belang om vrouwen te bevrijden van de de dubbele taak van werken en de zorg voor het huishouden. Het oorspronkelijke plan om 5.000 woningen van dit type te bouwen wordt al snel overtroffen en de socialistische pers maakt er gretig gewag van.

Maar de vraag wordt niet gesteld hoe dit alles tot stand komt. Zijn de plannen gebaseerd op een heldere socialistische visie ontwikkeld vanuit wat de bewoners zelf willen, of komen ze uit de koker van de partijoligarchie die, in de wetenschap dat de SDAPÖ over een meerderheid in de gemeenteraad beschikt, in feite alles kan doen wat zij wil? De christensocialen opponeren. Is het niet zo dat al die gemeenschapsvoorzieningen indruisen tegen de vrouwelijke natuur als hoedster van het huishouden en waarom wordt huurders niet de mogelijkheid geboden om keuzes te maken?

Die kritiek vergt debat dat niet gevoerd wordt. Alles wat indruist tegen de opvattingen van de SDAPÖ is verdacht en de partij onderneemt geen enkele poging om na te gaan hoe hun aanhang denkt over de stijl waarin de woningbouw dient te worden gerealiseerd. Zijn de arbeiders – en dan met name de vrouwen – wel zo gecharmeerd van al die collectieve voorzieningen en van de inbreuk op hun privéleven? Gedurende de bouwperiode van 1924 tot 1933 sondeert de partij geen enkele keer wat er leeft onder de bevolking. Het enige dat kennelijk telt is de overtuiging dat het de taak is van de partij om arbeiders op te voeden tot een hoger beschavingsniveau teneinde bij te kunnen dragen aan de voortgang van het socialisme. Een vorm van socialisme die bekend staat als het Austromarxisme. Een theorie waarvan Victor Adler en Otto Bauer belangrijke voorlieden en denkers zijn. In het Austromarxisme speelt vereniging van ideologieën als theoretische basis een hoofdrol en het is dan ook opmerkelijk dat in Oostenrijk, niet als elders in Europa, sociaaldemocraten en communisten onder een dak blijven. Hoe dan ook, de SDAPÖ neemt niet de moeite om de arbeiders bij het zo heilzaam gedachte opvoedingsproces te betrekken, hen deelgenoot te maken van een gemeenschappelijk proces. Als veel socialistische partijen voert zij gedurende het Interbellum een beleid gebaseerd op ideeën als ‘wij weten wat goed is voor jullie’ en ‘we doen alles in het gemeenschappelijk belang’. De partijolichargie vertoont een paternalistische houding van de bovenste plank.

“Zijn de arbeiders – en dan met name de vrouwen – wel zo gecharmeerd van al die collectieve voorzieningen en van de inbreuk op hun privéleven?”

De bestuurders van Wenen tonen weinig belangstelling voor het her en der in de wereld van de architectuur opkomende functionalisme: ‘vorm volgt functie’. Ook zijn zij niet geïnteresseerd in ervaringen die elders (Frankfurt, Londen, Amsterdam) zijn opgedaan met de toepassing van nieuwe bouwtechnieken en -materialen. Van standaardisatie van ramen, sanitaire voorzieningen, assemblage van prefab onderdelen en dergelijke is in Wenen geen sprake. Wenen bouwt vooral op traditionele wijze met baksteen en voorziet de woningblokken van barokachtige ornamenten.

Maar natuurlijk maken de gerealiseerde ‘arbeiderspaleizen’ diepe indruk door hun voornaam ogende gevels. Helaas is de aan het zicht onttrokken indeling en uitvoering van de appartementen minder spectaculair. Het eerste bouwprogramma van 25.000 eenheden voorziet driekwart van de huurders van een woonoppervlakte die niet meer beslaat dan 38 m², de overige appartementen hebben een omvang van 48 m². In het tweede programma, dat na 1928 wordt gerealiseerd, zijn de woningen iets groter. De meerderheid ervan heeft een oppervlakte van 40 m² en een klein aantal 57 m². Alle appartementen zijn voorzien van elektriciteit, stromend koud water, gas en een toilet. Daarmee zijn deze woningen aanzienlijk beter uitgerust dan de bestaande appartementen, maar kunnen niet tippen aan de nieuwbouw in steden als Frankfurt en Berlijn waar de woningen in grootte variëren van 50 m² tot 60 m² en beschikken over warm stromend water, een badkamer en centrale verwarming. Dit verschil is te wijten aan de afkeer van de Weense bouwers van moderne technieken die zelfs zover gaat dat de door de Weense architecte Margareta Schütte-Lihotzky ontworpen Frankfurter Küche, die in Duitsland gemaakt wordt tegen een zeer schappelijke prijs, geen kans krijgt in Wenen. Natuurlijk wordt een deel van de tekortkomingen in de Weense woningen gecompenseerd door de aanwezige gemeenschappelijke voorzieningen. Maar sommige ervan en met name de wasruimtes en badkamers zijn dikwijls overbezet, wat de bewoners dwingt in andere woonblokken naar beschikbare ruimte te zoeken of voor wat betreft het baden terug te vallen op de oude gemeentelijke badhuizen: de Tröpferlbäder.

In 1926 gebouwde locatie voor Tröpferlbader in de Apostelgasse in Wenen
In 1926 gebouwde locatie voor Tröpferlbader in de Apostelgasse in Wenen (CC BY-SA 3.0 – Clemens Mosch – wiki)

Het zijn jonge arbeidersgezinnen met een of twee kinderen die het overgrote deel van de nieuwe woningen bezetten, geselecteerd op basis van het puntensysteem dat gebaseerd is op behoeften van de aspirant-bewoners. De socialisten willen dat dit systeem in openheid en op eerlijke manier wordt toegepast, maar vanuit de oppositie klinkt het verwijt dat het huisvestingsbureau stiekem diegenen voortrekken die over goede partijconnecties beschikken. Waar of niet, het puntensysteem stelt de socialisten wel voor het probleem dat als het strikt wordt toegepast, de huizen zouden moeten worden toegewezen aan de armste, minst geschoolde, sociaal gezien minst ontwikkelde en fysiek zwakste personen uit de arbeidersklasse. En dat zijn niet de mensen waarop de partij haar hoop heeft gebouwd voor een nieuwe samenleving. Dat zijn de jonge arbeiders en vandaar dat toepassing van het puntensysteem wordt aangevuld met het criterium ‘veelbelovend’.

“Een keer in de maand worden de woningen op netheid geïnspecteerd door een speciale beambte.”

Naast het bieden van fatsoenlijke woningen is de bouw van de volkspaleizen bedoeld als omgeving waarin het volk opgevoed en verheven kan worden tot ordentliche wezens, tot neue Menschen. Het leven buiten de kleine appartementen is dan ook strikt gereguleerd. Er is een conciërge die onder direct toezicht staat van het huisvestingsbureau en die belast is met het uitvaardigen van huisregels zoals het tijdstip waarop de kleden mogen worden geklopt en de plek waarop dat dient te gebeuren, wanneer en waar er afval kan worden aangeboden, op welke manier en waar kinderen mogen spelen in de binnenplaats en dergelijke. Ook is er een wasopzichter die een schema opstelt van wie wanneer aan de beurt is en die alle mannen weert uit de wasruimtes. Een keer in de maand worden de woningen op netheid geïnspecteerd door een speciale beambte die van de conciërge verneemt wie regels heeft overtreden, zoals kinderen die op het gras spelen. Dit alles wordt nauwkeurig bijgehouden in een logboek. Dan zijn er nog de vele experts in de klinieken, in de kinderopvang en leeszalen wier belangrijkste rol die van beschermer en opvoeder is.

En zo leven de nieuwe bewoners in voor hen bedachte structuren, woningen, voorzieningen en leefregels die in geen enkel opzicht beïnvloed zijn door wensen van onderop. Zij kunnen hun kritiek publiekelijk niet kwijt en de huurdersbijeenkomsten waarop zij welkom zijn worden geheel georkestreerd door de partijbonzen die bezwaren gemakkelijk van zich af laten glijden. De benadering van het huisvestingsprobleem door de Weense socialisten kenmerkt zich door een tunnelvisie die door de partij niet getoetst wordt aan vernieuwende ideeën die elders in Europa het licht zien.

Gezondheids- en sociale zorg

Ook als het gaat om gezondheidszorg en sociale voorzieningen gaat de SDAPÖ uit van het principe dat er primair voor de gemeente een taak ligt om gezinnen te brengen tot fatsoenlijk gedrag. Netheid en orde dient troef te zijn. De problemen zijn gigantisch want vier jaar van oorlog hebben het stelsel van gezondheids- en sociale voorzieningen vrijwel teniet gedaan en dat met een bevolking die verzwakt is door ondervoeding en waar met name tuberculose en venerische ziektes talloze slachtoffers hebben gemaakt. De gemeentelijke overheid gaat onmiddellijk over tot het investeren in voorzieningen zoals klinieken, in hulp aan gezinnen en vooral aan kinderen. Publieke hygiëne wordt bevorderd door de inzet van sproeiwagens in de openbare ruimtes en door gemechaniseerde vuilnisophaal.

Plaquette in Wenen ter herinnering aan Julius Tandler
Plaquette in Wenen ter herinnering aan Julius Tandler (CC BY-SA 4.0 – Bwag – wiki)
In de zomer van 1920 wordt dr. Julius Tandler benoemd tot wethouder van sociale zaken die in de beste socialistische traditie meent dat dit geen onderwerp is om over te laten aan christelijke caritas, maar geheel in handen behoort te liggen van de overheid. Tandler gaat voortvarend van start met een programma voor hulp aan kinderen dat voorziet in schoollunches, gezondheidsinspecties en tandheelkundige controles. Daarnaast worden kinderen in de gelegenheid gesteld deel te nemen aan gesubsidieerde korte vakanties en zomerkampen en introduceert Tandler buitenschoolse opvang. Het aantal kinderdagverblijven groeit spectaculair van 20 in 1913 tot 113 in 1931 en biedt opvang aan 10.000 kleintjes. Gemeentelijke badhuizen inclusief zwembaden trekken in 1927 negen miljoen gebruikers. In 1932 worden 123.000 mensen bereikt voor preventief medisch onderzoek en leggen welzijnswerkers 91.000 huisbezoeken af. Dat is iets om trots op te zijn, maar is geen uitzondering. Ook diverse Duitse steden bereiken dit niveau.

Zorg heeft het stadsbestuur over de bevolkingsafname en Tandler tracht die te keren door niet alleen het verwekken van kinderen onder arbeiders te stimuleren, maar tevens te streven naar biologische verbeteringen. Daarbij gaat hij uit van het Lamarckiaanse concept van overerving van bij leven verworven bekwaamheden. Teven meent hij dat door een Darwiniaans proces van natuurlijke selectie veranderingen in de leefomgeving, uitgevoerd door gemeentelijke functionarissen, de genenpool van toekomstige generaties kan verbeteren. Er wordt door de gemeentelijke sociale dienst een aantal instituten in het leven geroepen die gezinnen in van alles te hulp kunnen schieten, wat diep ingrijpt in hun persoonlijk leven. Wanneer een gezin in de ogen van de betrokken functionarissen tekort schiet in de opvoeding is het mogelijk kinderen aan de ouderlijke zorg te onttrekken. Daarin wordt Tandler regelmatig aangevallen door de christensocialen die hem verdenken van socialistische indoctrinatie, maar Tandlers vaste verweer is dat hij het gezin heilig acht zolang het maar in staat is zijn vitale rol te vervullen. Deze vorm van zorg bereikt een hoogtepunt in 1922 met de oprichting van een huwelijksadvieskliniek bedoeld om trouwlustige stellen te adviseren inzake seksuele gezondheid, genetische gebreken, erfelijke zwakheden en over het vooruitzicht op het verwekken van normale en gezonde kinderen.

“Wanneer een gezin in de ogen van de betrokken functionarissen tekort schiet in de opvoeding is het mogelijk kinderen aan de ouderlijke zorg te onttrekken.”

De kliniek biedt aan om certificaten uit te reiken aan toekomstige echtelieden die aangeven dat zij vrij zijn van gebreken als syfilis en tuberculose in de hoop dat dit bijdraagt aan de kwaliteit van de populatie. Het laat zich raden dat slechts weinigen een dergelijk vergaande inmenging in hun privéleven op prijs stellen. Dit project mislukt dan ook, maar andere boeken succes zoals de gemeentelijke ziekenhuizen waarin eind twintiger jaren meer dan 80 procent van de baby’s ter wereld worden gebracht. De nieuwkomers worden geregistreerd en beambten maken afspraken voor vervolgbezoeken thuis. Moeders wordt geadviseerd om regelmatig de klinieken te bezoeken voor kinderverzorging. In 1927 zijn er vierendertig van dergelijke klinieken die de kinderen volgen tot hun zesde levensjaar. In 1927 stelt Tandler voor aan de gemeenteraad om de sociale dienst – ongeacht of het nodig is – babyuitzetten te laten distribueren onder nieuwe wereldburgers bij wijze van een geboortepresentje. Na een heftig debat waarin Tandler opnieuw wordt beschuldigd van het plegen van stiekeme socialistische propaganda, neemt de raad zijn voorstel over. De presentjes worden verpakt in een mooie rode doos met een beeltenis van moeder en kind van de hand van de beeldend kunstenaar Anton Hanak op het deksel. Jaarlijks worden er 13.000 van verstrekt. Het is goed bedoeld, maar uitreiking van deze uitzetten biedt aan de gemeentelijke sociale dienst ook een prachtige kans om een kijkje te nemen in de woning van gezinnen die anders uit het zicht blijven.

In 1921 gaat Wenen een stapje verder door zich te ontfermen over buitenechtelijke kinderen die in pleeggezinnen worden ondergebracht of in instellingen en het regelmatig bezoeken van families die op een of andere manier gemeentelijke hulp ontvangen. Wanneer de huiselijke omstandigheden van een gezin in de ogen van de sociale werker de toets der kritiek niet kan doorstaan, wordt er een rapport opgemaakt voor de diagnostische dienst voor kinderen, de Kinderübernahmestelle, onder leiding van een psycholoog die de bevoegdheid heeft om over het lot van de kinderen te oordelen die in twijfelachtige omstandigheden verkeren. Ouders kunnen vervolgens via een gerechtelijk bevel gedwongen worden hun kind af te staan en aan de gemeentelijke zorg toe te vertrouwen. Hoe dit alles door de arbeidersgezinnen wordt opgevat is nauwelijks vast te stellen, maar uit de schaarse getuigenissen valt in elk geval op te maken dat de gemeentelijke beambten niet uitblinken door subtiliteit, zich vaak arrogant opstellen en de arbeiders als kinderen behandelen. Het systeem van sociale zorg wordt door hen als dwingend ervaren en de keuzes die gemaakt worden zijn in de ogen van de betrokkenen vaak heel arbitrair.

Kinderübernahmestelle der Gemeinde Wien - Kindercentrum dat in 1925 door Julius Tandler in Wenen werd opgericht
Kinderübernahmestelle der Gemeinde Wien – Kindercentrum dat in 1925 door Julius Tandler in Wenen werd opgericht (CC BY-SA 4.0 – Bwag – wiki)

Dit programma van sociale zorg, dat ten doel heeft om marginale gezinnen te verheffen tot een voor de socialisten aanvaardbaar geacht niveau, is de christensocialen een gruwel. Er ontstaat een Kulturkampf, waarbij het niet gaat om de vraag of er wel mag worden ingegrepen in het privéleven van een arbeidersgezin, maar om wie er mag ingrijpen. Immers, de kerk doet niets anders dan de socialistische bestuurders, maar vanuit een andere ideologie en het is de kerk die er niet voor terugschrikt om daarbij antisemitische gevoelens te laten meespelen. Dat laatste kan Tandler niet verweten worden die overigens in fel conflict raakt met de aartsbisschop over het besluit om een gemeentelijk crematorium te bouwen. Tandler wordt beschuldigd van het opzetten van een zeer onchristelijke onderneming en tijdens het raadsdebat zijn antisemitische verwijten van de kant der christensocialen aan Tandlers adres en het SDAPÖ-gemeentebestuur niet van de lucht. Na de eerste crematie verordonneert de nationale regering de Weense burgemeester het crematorium te sluiten, maar die weet zich gebonden aan het besluit van de gemeenteraad en weigert. Uiteindelijk stelt het constitutionele hof Wenen in het gelijk. In 1923 is het dus nog mogelijk de druk van de kerk en het antisemitisme te weerstaan.

Educatie

Onderwijs neemt naast huisvesting en sociale zorg en voor de SDAPÖ een belangrijke plaats in binnen het gemeentelijk socialistische programma om de arbeidersklasse te verheffen. En dan niet slechts via een formeel onderwijssysteem, maar ook door inzet van een veelomvattende poging om buiten de scholen een klimaat te creëren dat bijdraagt aan de Bildung van de arbeider, de creatie van de neue Mensch. Maar eerst is de hervorming van het traditionele onderwijsstelsel aan de orde. Een stelsel dat gebaseerd is op de conservatief-christelijke opvatting dat onderwijs vooral bedoeld is om de lagere klassen te drillen in gehoorzaamheid en leger en kerk te dienen. De school als instrument om de autoriteit van de staat te bevestigen. Al vanaf het begin van de twintigste eeuw worden er initiatieven ontplooid door liberalen en vrijmetselaars om het onderwijs te vernieuwen wat leidt tot oprichting van de Freie Schule in 1905. Een vooraanstaand voorvechter van hervormingen is Otto Glöckel die in 1919 onderminister wordt van het dan door socialisten geleide kabinet.

Plaquette ter herinnering aan de Oostenrijkse schoolhervormer Otto Glöckel
Plaquette ter herinnering aan de Oostenrijkse schoolhervormer Otto Glöckel (CC BY-SA 3.0 – Wolfgang H. – wiki)
De door hem voorgestelde maatregel om religieuze praktijken uit te bannen uit de school wordt dusdanig verankerd in de wet dat er een twee derde meerderheid nodig is om daar verandering in te brengen en dat lukt zijn opvolger van christensociale huize dan ook niet.

In Wenen speelt Glöckel een belangrijke rol als voorzitter van de gemeentelijke onderwijsraad en maakt hij onderwijs een integrerend onderdeel van het sociale beleid. Gezondheidszorg wordt opgenomen in het schoolprogramma waarin artsen, welzijnswerkers en tandheelkundige klinieken participeren. Tal van hervormingen worden doorgevoerd zoals het gratis ter beschikking stellen van leermaterialen aan alle leerlingen ongeacht hun herkomst, een verbod op lijfstraffen, de inrichting van leeszalen voor scholieren en van een centrale bibliotheek voor leerkrachten. Vrouwen worden toegelaten tot de rechtenstudie, technisch en agrarisch onderwijs. Ook wordt selectie van onderwijzers op basis van politieke voorkeur uitgebannen en het verplichte celibaat voor leraressen afgeschaft. Binnen elk schooldistrict komen er ouderverenigingen. Veel verder dan dit gaat het voornemen van Glöckel om arbeiderskinderen toegang te verlenen tot hoger onderwijs, iets dat voordien eenvoudigweg niet bestaat. Dit houdt de oprichting in van een middenschool voor alle tien- tot veertienjarigen met een programma met een breed karakter en nadruk op vakken als Duits en wiskunde. Uniek is dat daarmee een nadere keuze voor een bepaalde richting wordt uitgesteld tot aan het veertiende levensjaar. Glöckels scholen worden erop gericht om leerlingen niet alleen vaardigheden bij te brengen, maar ook via zelfstudie en -ontdekking een kritische houding aan te leren en klaar te stomen voor de maatschappij. Broedplaatsen voor de democratie.

“Onderwijs is een luxe die arbeiders zich niet kunnen permitteren, zelfs als de kosten ervan door anderen worden gedragen.”

Maar de kwaliteit van de leerkrachten en vooral hen op te leiden tot een compleet nieuwe rol voor de klas blijkt een niet te nemen horde. Doorslaggevend in het mislukken dit hervormingsexperiment is echter de houding van de arbeiders zelf. Wat de stadsbestuurders over het hoofd zien is dat in arbeiderskringen doorleren niet alleen als een vreemd element wordt beschouwd, maar ook als een onacceptabele aanslag op hun verdiencapaciteit. Elk gezinslid heeft handjes die bedoeld zijn om te werken en geld te verdienen. Onderwijs is een luxe die arbeiders zich niet kunnen permitteren, zelfs als de kosten ervan door anderen worden gedragen. De enigen die profiteren van het nieuwe systeem zijn kinderen van mensen met een ruimere beurs, kinderen van partijfunctionarissen en gemeentelijke ambtenaren.

Niet het onderwijs, maar Bildung vanuit een andere setting, een dagelijks bemoeienis van de partij lijkt de weg te zijn om arbeiders te incorporeren in de socialistische cultuur.

Culturele vorming

Allang voor de eerste Wereldoorlog worstelen socialisten met de vraag hoe het begrip cultuur vorm en inhoud te geven binnen het raamwerk van de klassenstrijd. Enerzijds is er de uitdaging om arbeiders te laten delen in de bourgeoiscultuur, de hogere cultuur waartoe de toegang hen altijd is ontzegd, maar anderzijds leeft onder socialisten de wens om een eigen cultuur te ontwikkelen. Een cultuur die een bijdrage levert aan de ontwikkeling van de neue Mensch. En dat laatste is niet hetzelfde als bourgeoiscultuur die in vele opzichten door socialisten als decadent wordt bestempeld. In 1924 schrijft Max Adler een verhandeling waarin hij stelt dat culturele vorming van de arbeiders niet neutraal kan zijn, maar onderdeel dient te zijn van de proletarische klassenstrijd. Ofschoon deze verhandelingen door velen wordt geciteerd als zijnde een belangrijke leidraad voor de partij, is Adler rijkelijk vaag over hoe een en ander handen en voeten te geven in de dagelijkse praktijk, behalve dat de arbeider niet veel kan leren van zijn eigen ervaringen en zich moet spiegelen aan de werken van de grote socialistische pedagogen, de klassiekers van de Duitse filosofie en uiteraard de werken van Karl Marx.

Otto Neurath in 1919 - Foto gemaakt door Heinrich Hoffman
Otto Neurath in 1919 – Foto gemaakt door Heinrich Hoffman (Publiek Domein – wiki)
Otto Neurath, lid van de Wiener Kreis, laat niet veel heel van de opvattingen van Adler. Zijn voornaamste bezwaar is dat Adler nalaat aan te geven wat de essentie is van de neue Mensch. Hij verwerpt Adlers these dat alleen een socialist een nieuwe samenleving kan scheppen en poneert de omgekeerde stelling dat slechts een socialistische maatschappij in staat is de neue Mensch voort te brengen. Als rechtgeaard rationalist wijst Neurath de Duitse klassieke filosofie als zijnde te theologisch af. In zijn ogen drijft de maatschappelijke ontwikkeling op de kwaliteit van het bestaan en bereidt de kapitalistische sociaal-economische groei de weg naar het socialisme. Hij bepleit niet het vasthouden aan culturele bourgeoisnormen, maar verzet zich tegen pogingen van de partij om de arbeider een nieuwe levensstijl op te dringen zoals bijvoorbeeld afzien van alcohol en nieuwe kledingmodes of haardracht. Maar Neuraths kritiek maakt geen indruk op de partijtop en heeft geen enkel effect op het lopende werk.

De SDAPÖ stelt zich open voor kritiek zolang het maar geen gevaar vormt voor de oligarchie of interne meningsverschillen dreigt te veroorzaken of te verscherpen. Neurath is een buitenstaander, behoort niet tot het partijestablishment en laat geen spaan heel van de koers die de partij op dat moment vaart op cultureel gebied en dus doet de partij er niets mee. De culturele regisseurs van de SDAPÖ – Joseph Stern, David Bach en Richard Wagner – wagen zich niet aan bespiegelingen van hoog theoretisch niveau en houden zich aan de slogan dat kennis macht is en dat de talloze verleidingen van de bourgeoiscultuur dienen te worden weerstaan. Hun missie is de arbeider uit zijn bestaande culturele onvolwassenheid, met zijn voorkeur voor culturele uitingen van inferieure kwaliteit (Schund und Kitsch), te bevrijden zodat hij kan delen in de beste culturele voortbrengselen die de maatschappij te bieden heeft, waarbij deze regisseurs de waarde beklemtonen van progressieve elementen in de cultuur. Het is een wat tweeslachtige houding die uitmondt in de opvatting van Stern dat de arbeider recht heeft om te genieten van elitecultuur, mits na grondige analyse de bourgeoiselementen zijn uitgefilterd. Dat komt neer op het inleiden van arbeiders in de cultuur waarin de socialistische leiders zijn grootgebracht: de traditioneel Germanistische cultuur. Er is geen plaats voor reflectie over de subjectiviteit van culturele waardes. En vanaf dat moment wordt de culturele opvoeding van Weense arbeiders vereenzelvigd met het inleiden in de Germaanse nationale cultuur. Dat betekent terugblikken, conservatisme en geenszins vooruitzien.

In de pogingen om arbeider te verheffen naar een hoger cultureel niveau speelt het gesproken, maar vooral ook het gedrukte woord een belangrijke rol. Voor Otto Glöckel, de onderwijshervormer, is het duidelijk:

‘het boek is het sterkste wapen in de klassenstrijd [….] Het stelt vragen naar het waarom [….] en het waarom is het middel naar intellectuele ontwikkeling en kennis [….] Wanneer mensen eenmaal de moed hebben om kennis te verwerven, dan worden zij socialisten.’

Editie van 'Die Arbeiter-Zeitung' uit 1910
Editie van ‘Die Arbeiter-Zeitung’ uit 1910 (Publiek Domein – wiki)
Rond 1930 publiceren de SDAPÖ, de vakorganisaties en de diverse coöperatieve verenigingen 127 kranten en tijdschriften met een totale oplage van meer dan 3 miljoen exemplaren. Maar of al die bladen trouw gelezen worden door de arbeiders valt te betwijfelen. Zo mag de oplage van Die Arbeiter-Zeitung, het dagblad van de partij, indrukwekkend zijn, maar dat verhult dat in 1906 de helft van de partijleden de krant koopt en in 1931 nog maar een op de acht. Slechts een derde van de trouwe lezers is arbeider. En slechts een op de tachtig partijleden koopt het theoretische georiënteerde tijdschrift Der Kampf.

De partij faalt in haar pogingen om via het geschreven woord de arbeiderscultuur te beïnvloeden door blijk te geven van onbekendheid met wat er leeft in arbeiderskringen. Dat uit zich in dikwijls te ingewikkeld woordgebruik en in de vorm waarin de meeste publicaties zijn gegoten. Arbeiders spreken veelal een dialect en gebruiken eenvoudige bewoordingen die meer overeenkomen met die in de boulevardpers, waartegen de sober uitgevoerde partijkranten het moeten afleggen. Partijkranten die meer geassocieerd worden met werk en studie dan met ontspanning.

In 1927 start de SDAPÖ met de uitgave van Das Kleine Blatt, geschreven in soepele stijl en in tabloidformaat, met artikelen over populaire onderwerpen al dan niet voorzien van foto’s waarmee de partij de arbeiders tracht weg te houden van de rechtse Illustrierte. Tegelijkertijd zien de eveneens met foto’s verluchte tijdschriften Kuckuck en Bunte Woche het licht. In de Kuckuck verschijnen denigrerende artikelen over de demi-monde waarbij het blad er niet voor terugschrikt om bij deze verhalen prenten te plaatsen van halfnaakte vrouwen. Succesvol is het in 1926 verschijnende blad Die Unzufriedene, bedoeld voor vrouwen, dat een keur van tips biedt over populaire zaken als gezondheid, schoonheid, kleding en koken, overgoten met een socialistisch sausje. Ook is er een rubriek waarin vrouwen hun hart te kunnen uitstorten en een breed scala aan advertenties variërend van voorbehoedmiddelen tot meubels. In 1931 heeft het een oplage van bijna 155.000. Net als Die Unzufriedene bevatten de meeste bladen feuilletons van serieuze romans, maar ook van commerciële lectuur van boeketreekskwaliteit die door de partij als kitsch verketterd wordt.

Opmerkelijk resultaat van een onderzoek in 1931 onder vrouwelijke industriearbeiders is de vaststelling dat, terwijl de oplage van het blad Die Frau (oorspronkelijk Die Arbeiterinnen-Zeitung geheten) van ruim 200.000 bedraagt, nog geen 2,5 procent% van de respondenten aangeeft dit maandblad te lezen. Ook de gebruikelijke vakbondsbladen scoren zeer laag met een lezerspubliek van 3 procent. Dit verschil kan verklaard worden door het feit dat dergelijke bladen gratis verspreid worden onder leden van de diverse organisaties. Dat sprake is van een breed lezerspubliek is een fictie. Verslagen van partijcongressen waarin het partijprogram is opgenomen worden in kleine oplagen gedrukt (in 1931 2.000) en over de verkoop ervan is niets bekend.

Belangrijke politieke geschriften kennen eveneens een kleine oplage zoals bijvoorbeeld Bolschewismus oder Sozialdemokratie? uit 1920 van de hand van Otto Bauer dat in 10.000-voud van de persen rolt. Een goedkope uitgave van goede lectuur als de Wiener Dreigroschenbücher bereikt slechts een zeer beperkt publiek.

Naast het gedrukte woord vormen lezingen een belangrijk element in het educatieve programma van de SDAPÖ. De Bildingszentrale organiseert een breed scala van vaste sprekers en in 1932 worden er 6.500 lezingen gehouden in de diverse Volksheime en ontmoetingsruimtes in gemeentehuizen. Onderwerpen zijn onder meer: eigentijdse politiek, geschiedenis van het socialisme, religie, cultuur en seksualiteit. Serielezingen over een specifiek onderwerp trekken weinig belangstelling. Maar het gaat moeizaam omdat de sprekers erg veel tijd nodig hebben om noodzakelijke details toe te lichten zodat er van het stellen van vragen en discussie weinig of niets terecht komt. Dan is er de vraag of de lezingen wel tegemoet komen aan de wensen van de partij inzake het educatieve gehalte. Meer dan een kwart van de lezingen hebben een luchtig en onderhoudend karakter en passen niet in het beeld dat de partij voor ogen staat. Ook het aantal luisteraars valt tegen. Aangenomen dat er gemiddeld bij elke lezing vijfentwintig bezoekers aanwezig zijn, dan betekent dit een totaal aantal van 160.000 in 1932. Dit cijfer zinkt in het niet vergeleken met de aantallen bezoekers van voetbalwedstrijden die wekelijks 150.000 à 200.000 toeschouwers trekken. Behalve lezingen organiseert de partij ook speciale scholen waar studenten worden klaargestoomd om de partijboodschap uit te dragen. Onderricht in het Austromarxisme staat centraal. Deze scholen hebben een zeer beperkt bereik en het aantal studenten uit arbeiderskringen is gering. De meeste komen uit kringen van employees en ambtenaren.

Kranten noch lezingen kunnen zich in de ogen der socialisten qua effectiviteit om de arbeider te verheffen meten met het boek en het is dan ook niet vreemd dat de Bildungszentrale zwaar inzet op de realisatie van het kroonjuweel: een breed netwerk van bibliotheken. Ambitieus, maar in de kern is het naïef te denken dat door veel te lezen de arbeider wordt losgezongen van rommellectuur en gaandeweg geïnteresseerd zal raken in serieuze werken rond thema’s als geschiedenis en marxisme om, eenmaal op dat niveau beland, de motor te kunnen vormen van een maatschappelijke omwenteling.

De bibliotheken worden naar analogie van de industrie georganiseerd langs rationele lijnen. Dat betekent centralisatie en dat is niet slechts uit overwegingen van efficiency, maar ook om de controle in handen van de Bildungszentrale te houden over de collectie als wel over de lezers. In de woorden van Stern:

‘De bibliotheekmedewerker dient zich op te stellen als een moreel kompas voor zijn arbeiders-kameraden.’ en: ‘hoe meer toezicht, des te groter is het succes.’

Stern zet de toon voor wat betreft de ideologische rol van lezen en laat een analyse van wat arbeiders beweegt om te lezen achterwege. Maar ondanks deze betuttelende benadering beleven de bibliotheken hoogtijdagen met rond 1927 een jaarlijks aantal uitleningen van meer dan een miljoen boeken. Er zijn dan ruim vijftig goed voorziene vestigingen waar meer dan duizend toegewijde vrijwilligers werkzaam zijn. In 1931 bedraagt het aantal uitleningen bijna 2,4 miljoen. De sociale status van lezers weerspiegelt die van de partijleden met rond 56 procent arbeiders en 23 procent employees, waaruit blijkt dat de SDAPÖ niet slechts aantrekkingskracht uitoefent op de arbeidersbevolking.

'Im Westen nichts Neues' van Erich Maria Remarque
‘Im Westen nichts Neues’ van Erich Maria Remarque (CC BY 3.0 – H.-P.Haack – wiki)
Ondanks alle goede bedoelingen is het overgrote deel – rond 85 procent – van de uitgeleende boeken bellettrie (romans, korte verhalen, poëzie) en neemt sociale wetenschap, het onderwerp waarom het de partij te doen is, een zeer bescheiden plaats in met ongeveer 7 procent. En dan worden veel boeken uit deze categorie ook nog eens ongelezen ingeleverd. Het leengedrag van de lezers mag dan niet beantwoorden aan de hooggestemde idealen van Stern en consorten, het brengt hen wel de nodige ontspanning. Onder de meest populaire auteurs bevinden zich topschrijvers als Stefan Zweig, Erich Maria Remarque (bekend van zijn boek Van het westelijk front geen nieuws uit 1929), Upton Sinclair, Emile Zola en B. Traven. Er bestaat dus een duidelijke voorkeur voor sociale romans, ofschoon ook schrijvers als Jules Verne grote belangstelling genieten. Daar zou de partijleiding blij mee moeten zij geweest, maar zij leggen de lat hoger op de schaal van bereidheid om via het lezen van de socialistische klassieke werken de klassenstrijd aan te kunnen gaan. Interessant en eigenlijk hilarisch zijn de pogingen van de Bildungszentrale om de arbeider weg te houden van Old Shatterhand en Winnetou, lectuur die zij beschouwen als kitscherig en niet geschikt voor arbeiders. Het is een strijd die al voor de oorlog gevoerd wordt en na 1918 worden deze boeken uit de bibliotheken verwijderd. Het illustreert het feitelijke gebrek aan begrip dat mensen als Stern en Glöckel ten toon spreiden voor de arbeider en vervreemd zijn van wat er leeft onder het gewone volk dat na een dag van hard werken iets ontspannends, iets luchtigs tot zich wil nemen.

Tijdens het partijcongres in 1932 stelt Stern de Weense bibliotheken ten voorbeeld aan de wereld en hoe zij erin geslaagd zijn de methoden van de SDAPÖ om de klassenstrijd aan te jagen tot een succes te maken. Het is opschepperij en misleiding.

Kunst

Carltheater in Wenen
Carltheater in Wenen (wiki)
Het is de taak van de Sozialdemokratische Kunststelle om de arbeider kennis te laten maken met kunst en deze te leren waarderen. Dit project staat onder leiding van David Joseph Bach. De Kunststelle functioneert als een ticketbureau waar arbeiders, mits zij lid ervan zijn, in prijs gereduceerde kaartjes kunnen kopen voor allerlei toneel- en muziekvoorstellingen waaronder opera en operette. Bach slaat een optimistische toon aan wanneer hij constateert dat er meer dan 2 miljoen kaartjes zijn verkocht in tweeënhalf jaar, maar helaas beperkt het bezoek aan het Burgtheater en de Statsoper, de boegbeelden van de Weense cultuur, zich tot slechts enkele procenten. Omdat de meeste theaters nu eenmaal niet kunnen bestaan van het geven van hoogdravende voorstellingen zoals Bach zich dat misschien wenst, worden er doorgaans stukken gespeeld of ten gehore gebracht met een lichtvoetig karakter en als Bach kaarten wil blijven verkopen aan de arbeiders dan heeft hij dat te accepteren. Om toch de lat hoog te kunnen leggen, verwerft de Kunststelle een eigen podium, het Carltheater, dat echter na twee producties al kopje onder gaat vanwege gebrek aan financiële middelen.

Zware kritiek op het beleid van de Kunststelle komt van Otto Leichter, een van de uitgevers van Die Arbeiter-Zeitung. Zijn voornaamste bezwaar betreft het paternalisme van de organisatie, het koesteren van onrealistische verwachtingen van de arbeider die nu eenmaal geen trek heeft in wat Bach hem meent te moeten voorschotelen. In Bachs visie zijn de hogere kunsten per definitie de meest revolutionaire. Een opvatting die sowieso twijfels oproept, maar zeker geen weerklank vindt in de wereld van de arbeider. Leichter waarschuwt ervoor dat de arbeider zich wellicht schaamt voor het feit dat hij niet kiest voor het programma van Bach. Maar ook Leichter geeft geen antwoord op de cruciale vragen naar wat de hogere op socialistische principes geschoeide cultuur leest nu eigenlijk is en op welke manier je de arbeider kunt loszingen van de snel in populariteit winnende commerciële massacultuur die hem kennelijk meer aanspreekt dan de hoge cultuur.

Op het gebied van muziek sluit de Kunststelle aan op de bestaande traditie van de arbeiders-symfonieconcerten die al voor de oorlog worden georganiseerd en in de jaren twintig bestaan uit acht uitvoeringen per jaar die enkele keren worden herhaald. In 1930 is deze frequentie afgenomen tot drie. Het programma van deze concerten is traditioneel met Beethoven als absolute favoriet en het wekt dus geen verbazing dat er zich onder de toehoorders maar weinig arbeiders bevinden, ook al omdat van hen verwacht wordt dat zij zich in nette, feestelijke kledij vertonen in de concertzaal.

“Hoe kun je onder arbeiders met hun voorkeur voor kitsch belangstelling wekken voor hogere vormen van schilder- en beeldhouwkunst?”

Waar Bach en de partij zich geen raad mee weten is hoe om te gaan met de talloze vormen van muzikale expressie die bestaan in de wereld van de arbeider. Volksdansen, koorzang, populaire liedjes, om maar te zwijgen van de vaak virtuoze manier waarop arbeiders hun muziek op instrumenten als gitaar, mandoline, accordeon, fluiten en violen ten gehore brengen in de kroeg of tijdens verjaardagsfeesten. Daar doet de Kunststelle niets mee, ook al omdat zij de combinatie verfoeit van muziek en alcohol die onder arbeiders zeer gebruikelijk en geliefd is. Schone kunsten vormen eveneens een probleem voor de socialisten, want hoe kun je onder arbeiders met hun voorkeur voor kitsch, zoals goedkope reproducties en prullaria waarmee zij hun woningen versieren, belangstelling wekken voor hogere vormen van schilder- en beeldhouwkunst? Voor de bourgeoisie is dat geen probleem, want die menen te weten dat arbeiders er geen gevoel voor hebben. Socialisten zoeken vergeefs naar wegen om de arbeider in de schone kunsten elementen te laten ontdekken die zij kunnen associëren met hun eigen belevenissen in hun harde wereld. Deze speurtocht heeft veel weg van de Sovjet-voorliefde voor realistische kunst, maar in Wenen slaat het niet aan.

Het socialistische kunstbeleid mislukt – zoals Leichter heeft betoogd – omdat het uitgaat van een onduidelijk beeld dat er bestaat van wat arbeiderskunst nu eigenlijk inhoudt en dat ver afstaat van de wereld waarin de arbeider verkeert, een wereld met eigen culturele tradities waarvan de socialistische theoretici geen weet hebben of willen hebben.

Sport

Behalve pogingen van de SDAPÖ om via het woord, beeldende kunst of muziek de arbeider te verheffen, zijn er ook de georganiseerde sport en festivals waarmee in principe veel arbeiders kunnen worden bereikt. De arbeiderssportbeweging begint al vorm te krijgen voor het begin van de twintigste eeuw, vooral om tegenwicht te bieden aan het alcoholgebruik dat de arbeider verzwakt. In 1924 ontstaat een koepelorganisatie voor allerlei takken van sport: de Arbeiterbund für Sport und Körperkultuur in Östenreich (ASKÖ) onder auspiciën van de SDAPÖ. Zwemmen, handbal, hengelsport, tennis, worstelen, gewichtheffen en boksen, praktische alle vormen van sportbeoefening vinden er onderdak. Discussies ontstaan over de vraag of de ASKÖ-atleten wel contact mogen hebben met hun medesporters uit de bourgeoiswereld. Turners pleiten daartegen, maar de voetballers, die gewoon meespelen in de Oostenrijkse competitie, denken daar heel anders over.

Embleem van de Schutzbund van Julius Deutsch
Embleem van de Schutzbund van Julius Deutsch (CC BY-SA 4.0 – Dahn – wiki)
Van meet af aan bezien leiders van de SDAPÖ en de vakorganisaties sport met argusogen. Want is sport niet slechts vertier dat mijlenver afstaat van de echte strijd die de arbeider voert? Het is slechts tegen heug en meug dat de partij sport opneemt in haar culturele programma. En ook hier rijst de vraag wat de elementen zijn in de socialistische sportbeoefening die haar onderscheidt van de bourgeoissport. Bourgeoissport, zo beweert de partij, maakt van de sporter een individuele ster die streeft naar individuele prestaties en records. De kapitalistische moraal van de sterke die de zwakke overwint, louter gericht op het vermaken van het publiek en wat veraf staat van socialistische principes als solidariteit en het leveren van gezamenlijke prestaties. In de ogen van de ASKÖ gaat het om een combinatie van sportbeoefening en politieke verlichting. Niet slechts ter vermaak, maar om de arbeider lichamelijk en mentaal te sterken in zijn worsteling met het kapitalisme. En om dat strijdvaardige element te accentueren wordt een strikte discipline gehanteerd door middel van het drillen van de atleten die gekleed gaan in uniformen. Met demonstraties van gehoorzaam marcherende atleten in perfecte houding wordt het imago van de arbeider als een ordentelijk wezen opgepoetst. In 1925 is sprake van een toename van paramilitaire tendensen in de ASKÖ door opname van gevechtssporten als een apart onderdeel voor achttienjarigen en ouder. Geoefend wordt in man-tot-man gevechten, de stormbaan en het werpen van handgranaten. Een jaar later treedt de in 1923 door Julius Deutsch opgerichte paramilitaire Schutzbund toe tot de ASKÖ.

Poster voor de Internationale Arbeiders Olympiade te Wenen van 1931
Poster voor de Internationale Arbeiders Olympiade te Wenen van 1931 (wiki)
Deutsch wordt hoofd van de sportkoepel, wat het paramilitaire karakter ervan doet toenemen. Na een treffen in 1927 van de Schutzbund met rechtse gevechtsgroepen in de stad dat uitloopt op demonstraties en een bloedig ingrijpen van het leger, worden alle ASKÖ-leden verplicht gevechtstraining te volgen die bestaande politieke activiteiten vervangt als middel in de klassenstrijd. En zo neemt een element uit het culturele programma van de partij de vorm aan van een reserveleger. Door pacifisten wordt bezwaar aangetekend tegen deze ontwikkeling, maar Deutsch wuift deze weg in het besef dat de nazidreiging toeneemt.

De Internationale Arbeiders Olympiade te Wenen in 1931 biedt de partij een prachtige gelegenheid om de voortreffelijkheid van de arbeiderssport te demonstreren. Er is een splinternieuw stadion met 60.000 zitplaatsen en het evenement trekt 70.000 deelnemers afkomstig uit negentien organisaties die zijn aangesloten bij de Socialistische Sport Internationale waaronder 37.000 Oostenrijkse atleten. Gedurende vier dagen vergapen 200.000 toeschouwers zich aan een gevarieerd programma van wedstrijden en waarvan natuurlijk ook gevechtssporten deel uitmaken. Friedrich Adler, secretaris van de Sozialistische Arbeiter-Internationale, noemt de Arbeiders Olympiade…

‘…een internationale militaire parade, krachtiger dan alles wat tot op heden door de arbeidersklasse is voortgebracht.’

Jeugd

Als het gaat om de creatie van de neue Mensch heeft opvoeding van de jeugd de volle aandacht van de socialistische cultuurarchitecten die de straat, als de van oudsher aanwezige plaats voor socialisatie, beschouwen als een poel van losbandigheid en promiscuïteit. Voor jongens betekent dit in hun ogen het afglijden naar criminaliteit en voor meisjes de weg naar prostitutie. Primair schuldig aan deze situatie is het kapitalisme, maar ook staat de huisvesting van het proletarische gezin, het feit dat beide ouders veelal werken en het aantal gebroken huwelijken een ordentelijke opvoeding in de weg. Die rol krijgt Kinderfreunde, een organisatie voor zes- tot tienjarigen die dateert uit 1908 en in 1922 in de SDAPÖ structuur is geïncorporeerd. Zij is gericht op de naschoolse opvang. De Rote Falken is er voor de tien- tot veertienjarigen en de Sozialistische Arbeiter-Jugend (SAJ) voor de oudere jeugd tot eenentwintig. De SAJ vormt een belangrijke rol in het doorsluizen van jongeren richting partij en Schutzbund.

Geheelonthouding, onderdrukking van seksuele gevoelens door sportbeoefening en morele gestrengheid zijn de peilers waarop het sport- en educatieve programma van de SAJ zijn gebaseerd. SAJ leden worden vanwege hun onvolwassenheid weggehouden van politieke activiteiten wat vreemd aandoet gezien het feit dat zij doorgaans vanaf hun veertiende hun bijdrage leveren aan het arbeidsproces. Jonge arbeiders die als kind worden behandeld. Voor ouders is slechts een bescheiden rol weggelegd in de opvoeding die zich beperkt tot het thuis geven van de genegenheid die alleen de bloedband kan bieden. Al die jeugdactiviteiten brengen jongens en meisjes bij elkaar, volgens de partijideologen ideaal om hen de waarde van kameraadschap te laten ervaren, dat immers een van de peilers is van het ware socialisme, maar dat mag natuurlijk niet ontaarden. Alleen is het ondoenlijk om ‘ontsporingen’ te voorkomen op bevel. De slogan ‘rein in gedachten, woorden en daden’ is gemakkelijker verwoord dan in praktijk gebracht.

Ontspanning en vermaak

Aan het begin van de jaren twintig groeit het ledental van de SDAPÖ snel, maar lang niet alle nieuwe leden nemen deel aan de diverse programma’s die de partij op de rails zet. Om deze leden te binden aan de beweging wil de partij traditionele en feestelijke volksgebruiken ter ontspanning benutten als hefboom. Naast introductie van politieke elementen stelt de partij zich ook ten doel om ze te ontdoen van kwalijke elementen als alcoholgebruik. Dat blijkt te hoog gegrepen. Diepgewortelde, lokale tradities kun je nu eenmaal moeilijk naar je hand zetten en vandaar dat de partij mikt op centralisatie van arbeidersfestiviteiten, zoals de organisatie van massafestivals waarin de diverse culturele programma’s van de socialisten een plaats innemen. Deze inzet is bedoeld om te concurreren met opkomende cultuurfenomenen als film en radio, maar zeker ook om weerwerk te leveren tegen het succes van kerkelijke manifestaties als passiespelen en oratoria die op hoogtijdagen worden uitgevoerd en de rol van de kerk als een thuis voor iedereen benadrukken.

Het meest indrukwekkende festival van de socialisten vindt plaats tijdens de Olympiade van 1931. Het speelveld van het nieuwe stadion wordt veranderd in een gigantisch podium waar 4.000 deelnemers een spektakel opvoeren dat de historie weergeeft van de strijd van arbeiders in verleden en heden. Tegen het eind wordt een enorm vergulde pop die het kapitalisme verbeeld door gemeenschappelijke kracht omver gehaald.

Openingsmars van de Internationale Arbeiders Olympiade te Wenen van 1931
Openingsmars van de Internationale Arbeiders Olympiade te Wenen van 1931 (Publiek Domein – wiki)

Dit alles omkranst door duizenden jongeren die rode vlaggen zwaaien ter aankondiging van de socialistische toekomst. Tot besluit wordt de Internationale gezongen. De voorstelling wordt vier keer herhaald voor 260.000 toeschouwers. Dit en andere festivals zijn zeker indrukwekkend, maar of zij daadwerkelijk hebben bijgedragen tot de binding van arbeiders aan de partij is de vraag. Het zijn eerder knap uitgebeelde wensdromen die binnen de muren van het stadion een tijdelijk gevoel van saamhorigheid teweegbrengen, maar van weinig invloed zijn op de dagelijkse realiteit. De organisatoren, de culturele leiders van de partij, koesteren zich in het ogenschijnlijke succes van de festivals, maar vergeten het geringe aantal arbeiders dat lid wordt van de bibliotheken en dat tegenover elke ASKÖ sportclub er twee keer zoveel organisaties staan die geen enkele binding hebben met de SDAPÖ.

Het Gasthaus of Wirtshaus biedt de arbeider ruimhartig gelegenheid om zich te vermaken. Daar wordt eten en drinken geserveerd, er wordt gezongen en gedanst op de muziek van het zogeheten Schrammelquartett (vernoemd naar de gebroeders Schrammel) bestaande uit twee violen, contrabas en klarinet. Vooral in de weekeinden wordt er druk gebruik van gemaakt. Maar de rol die het Gasthaus heeft in de negentiende eeuw als huiskamer van de arbeiders is grotendeels verdwenen nu de huisvesting aan het begin van de jaren twintig zoveel beter is. Toch vervult het Gasthaus een belangrijke rol in de arbeidersgemeenschappen want in de omgeving van de grote industriële centra komen de mannelijke arbeiders er bijeen tijdens de middagpauze en ook in de woonwijken blijven zij open in het weekeinde voor ontspanning voor beide seksen. Het bestaan van de door de socialisten opengestelde Arbeiterheime weerhoudt de arbeider er niet van om het Gasthaus te bezoeken.

Andere, diep in de arbeiderswereld van Wenen gewortelde traditionele plaatsen van samenkomst, zijn de Heurigen. Het zijn kleine ontmoetingsplaatsen gelegen bij wijngaarden waar de eigenaar tegen een schappelijke prijs jonge wijn verkoopt en waar arbeiders en hun gezinnen hun meegebrachte maaltijden kunnen nuttigen aan houten tafels. Zang en dans hoort erbij. Voor de Weense bevolking is er ook het Prater, een voormalig jachtterrein dat in 1880 voor het publiek wordt opengesteld. Een eldorado van recreatie. Binnen de grenzen van het Prater kan gewandeld, gefietst, gezwommen en geroeid worden. Er zijn voetbalvelden en er is een amusementspark met het beroemde Riesenrad, talloze Gasthäuser en vanaf 1930 een stadion dat ruimte biedt aan 60.000 toeschouwers.

Het Prater is twee permanente circussen rijk: Renz en Zentral en tal van reizende circussen slaan er regelmatig hun tenten op. Daarnaast zijn er niet al te dure variététheaters. Natuurlijk biedt de krappe beurs van een arbeidersgezin weinig gelegenheid voor consumptie van versnaperingen en deelname aan attracties, maar de toegang tot het park is gratis en er zijn vaak parades waaraan men zich kan vergapen.

Dans als commercieel verschijnsel in dansscholen en dancings wordt gaandeweg onder jongeren populairder dan de vrij toegankelijke gelegenheid tot dansen in de Gasthäuser en Heurigen. Voor jongeren betekent de dancing een gelegenheid om zichzelf te zijn en elkaar in vrijheid het hof te kunnen maken. Dit tot ongenoegen van socialistische pedagogen en jeugdleiders die het dansen in paren zien als een vorm van betekenisloos plezier maken en aanjager van sensualiteit, ver weg van het gevoel van saamhorigheid dat in hun ogen eigen is aan het volksdansen, het dansen in kringen dat de collectiviteit benadrukt.

Meest populaire vorm van vrijetijdsbesteding voor arbeiders is het maken van wandelingen en trektochten, als welkome afwisseling op de verstikkende werkomgeving en het leven in de stad. In de natuur voelt de arbeider zich vrij om te doen en te laten wat hij wil. Daarnaast is zwemmen onder Weense arbeiders zeer populair en de gelegenheden daarvoor zijn in Wenen ruimschoots aanwezig. Er zijn commercieel geëxploiteerde stranden aan de Donau en tal van door de gemeente gebouwde zwembaden. Maar voor de arbeider zijn vooral de ruwe stranden van de Lobau populair, een riviervlakte van de Donau die in de volksmond wel de proletarische Rivièra wordt genoemd. Daar kan gratis worden gezwommen en er zijn geen regels of geboden. In de weekeinden trekken duizenden jonge arbeiders er naartoe en brengen dikwijls de nacht door in de open lucht in een gevoel van vrijheid. Ook voetbal kan zich verheugen in een enorme belangstelling van de jonge mannelijke arbeidersbevolking. In open ruimtes – zoals bijvoorbeeld in het Prater – spelen ad hoc samengestelde teams tegen elkaar, maar ook georganiseerd voetbal is populair.

Tenslotte zijn er de Schrebergärten, kleine volkstuinen aan de rand van de stad die door de gemeente tegen een geringe vergoeding ter beschikking worden gesteld aan arbeiders. In 1932 zijn er ongeveer 14.000 van degelijke tuinen die tijdens de crisistijd voorzien in een welkome aanvulling op het schaarse voedselaanbod.

Massamedia

In hun pogingen om greep te krijgen op het leven van de arbeider ondervinden de socialisten concurrentie van kerkelijke en de bestaande bourgeoisinstituties. Maar als de tijd voortschrijdt komt er nog een veel lastiger mededinger om de hoek kijken: de massacultuur in de gedaante van film en radio. De socialistische leiders en stadsbestuurders, die menen wegen te hebben gevonden om een arbeiderscultuur te scheppen als concurrent voor de heersende cultuur van de bourgeoisie, zijn op geen enkele manier voorbereid op de vloedgolf waarmee de massamedia de arbeiders dreigt mee te sleuren, weg van het ideaal van de neue Mensch. In de ogen van de socialisten staat massacultuur gelijk aan vulgariteit en lompheid en biedt zij slechts oppervlakkig vermaak dat de arbeider onwaardig is.

Berlin Alexanderplatz - Populaire film uit 1931
Berlin Alexanderplatz – Filmposter (wiki)
Tegen het eind van de oorlog zijn er in Wenen al veel bioscopen die in de jaren twintig een geweldige groei laten zien. In 1926 bedraagt het aantal 170 waarvan de meeste dagelijkse voorstellingen verzorgen, maar de arbeiders gaan natuurlijk vooral op zaterdag en zondag naar de film. Geschat wordt dat er wekelijks 560.000 inwoners van Wenen de bioscoop bezoeken waarvan 350.000 in het weekeinde. Onder dit publiek bevinden zich respectievelijk ongeveer 280.000 en 210.000 arbeiders. Populair zijn sentimentele Hollywoodfilms met een happy end. Voor de oudere arbeiders betekent het wegdromen van de harde realiteit terwijl jongeren, net als in de dancings, zich in gezelschap van vriendin of vriend zich vrij voelen van betutteling en kennis kunnen maken met andere werelden. Onder het aanbod van de bioscopen bevinden zich tal van topfilms waaronder Berlin Alexanderplatz van Franz Biberkopf uit 1929, Der Hauptmann von Köpenick uit 1931 en 24 Hours, eveneens uit 1931.

De socialisten hechten geen waarde aan wat zij verketteren als oppervlakkig vermaak, en zien de film als product van het kapitalisme dat het slechtste in de mens naar boven haalt. In 1924 wordt een conferentie georganiseerd in de hoop een socialistisch alternatief te kunnen ontwikkelen en waar de partijfunctionarissen van gedachten wisselen met cineasten. Plannen om zelf films te produceren zijn onhaalbaar en wat overblijft is het in socialistische stijl recenseren van het commerciële filmaanbod, dat wil zeggen de ontmaskering van deze films als schadelijk voor de klassenstrijd. Wat ook wellicht tot de mogelijkheden behoort is het verkrijgen van controle over het aanbod van de bioscopen.

Dat idee mondt uit in de oprichting in 1926 van het Kino-Betriebsgesellschaft (KIBA) door de Arbeiterbank met als doel socialistische filmtheaters in het leven te roepen en te voorzien van kwaliteitsfilms. Onder leiding van de gebroeders Edmund en Philip Hamber, eigenaren van de productiemaatschappij Oela, begint KIBA van de grond te komen. In 1932 beheert de onderneming twaalf theaters en heeft het bedrijf zich ontwikkelt tot een productiemaatschappij die 15 procent van de Weense bioscopen voorziet van films. Het is een groot commercieel succes, maar de programmering van de Hammers komt geenszins overeen met wat de socialisten zich voorstellen van dit experiment. Edmund Hammer betoogt tegenover het bestuur van de SDAPÖ dat het Weense publiek nu eenmaal niet geïnteresseerd is in films met een politieke lading of boodschap en om de vertoning van dergelijke films voor een beperkt publiek financieel mogelijk te maken, moet je de overige bezoekers voorschotelen waar zij van houden. Hoe dan ook, beïnvloeding van de arbeidersklasse via dit medium blijkt ondoenlijk. In hun falen om greep te krijgen op de filmcultuur vinden de socialisten hun evenknie in de katholieke kerk die, net als zij, de film als immoreel en christenen onwaardig beschouwt. Wat de kerk aan overzichten publiceert van onwenselijke films heeft echter geen enkel effect.

RAVAG-logo
RAVAG-logo (CC BY-SA 4.0 – Webcyss – wiki)
De radio als massamedium begint in Oostenrijk met de oprichting van de Österreichische Radio-Verkehr A.G. (Ravag) in 1924. Het is een combinatie van privaat ondernemerschap waarin de nationale regering participeert, evenals de Weense gemeentelijke overheid. Bondskanselier Ignaz Seipel (CS) en de SDAPÖ komen overeen dat de dominantie van een enkele partij binnen de Ravag voorkomen moet worden. Dat betekent een beperkte invloed van de socialisten op de programmering. Zij kunnen niet voorkomen dat mogelijkheden om tendentieuze nieuwsberichten uit te zenden in handen is en blijft van de partijen die de nationale regering vormen. De luisteraars bekommeren zich natuurlijk niet over de interne discussies over de programmering bij Ravag en ontvangen het medium met groot enthousiasme. Het aantal geregistreerde luisteraars stijgt van 80.000 eind 1924 tot bijna 510.000 in 1933, waarvan ruim de helft in Wenen woont. Ravag houdt zich aan de gemaakte afspraken over neutraliteit. Weliswaar dringen de socialisten steeds aan op uitzending van educatieve programma’s, maar hun opponenten zorgen ervoor dat Ravag vooral lichtvoetig amusement biedt.

Wanneer Ravag zich afzijdig houdt van de bloedige gebeurtenissen in 1927 terwijl radiotechnici zich hebben aangesloten bij de stakingen, rijst de vraag het mijden van berichtgeving over ingrijpende zaken als deze wel vallen onder het neutraliteitsbeginsel. Duidelijk is dat noch de socialisten, noch de christensocialen gelukkig zijn met de verregaande afzijdigheid van Ravag. Socialisten niet omdat er geen aandacht wordt gegeven aan de klassenstrijd en christensocialen zijn verontrust over het onvoldoende uitdragen van hun beginselen. In de strijd rond de vraag wat gepast pluralisme is nemen diverse radioclubs het voortouw, zoals de Arbeiter-Radio-Bund Österreichs (ARABÖ) die de partijleiding verzoekt erop aan te dringen dat Ravag een op arbeiders georiënteerd programma ontwikkelt. Dat idee wordt vrijwel meteen de nek omgedraaid. In 1931 neemt de rechtse druk op Ravag onrustbarende vormen aan en krijgen conservatieve politici meer kansen om hun meningen weer te geven via de radio dan de socialisten. In 1932 weigert Ravag een toespraak uit te zenden van de Duitse nazileider Georg Strasser, wat leidt tot een aanval van de Oostenrijkse nazi’s op het hoofdkwartier van Ravag. Eerder dan de socialisten hebben hun tegenstanders begrepen wat het belang is om een medium als de radio compleet te beheersen.

Vrouwen, hun driedubbele taak en de zorg voor geboorteregeling

Voor christensocialen is het gezin de veilige en spirituele haven waar kinderen zich kunnen ontwikkelen tot nette en gehoorzame leden van de gemeenschap der gelovigen. Ook de socialisten zijn zich ervan bewust dat er een belangrijke rol is weggelegd voor een ordelijk gezinsleven, maar dan om kinderen in arbeidersgezinnen op te laten groeien tot gezonde neue Menschen die klaar staan voor de klassenstrijd. Dat kan goed bedoeld zijn, maar degene die opdraait voor deze taak is de vrouw die volgens de socialistische leiders daarvoor ook bestemd is en zich niet aan deze verantwoordelijkheid kan en mag onttrekken. En daarmee zijn veel vrouwen veroordeeld tot uitvoering van de driedubbele taak van arbeid, verzorging van het huishouden en de opvoeding van kinderen.

In de partijliteratuur wordt de ideale arbeidersvrouw geportretteerd als jeugdig, sportief, kortgekapt, doelmatig gekleed en ontspannen. Haar echtgenoot is haar kameraad en zij is vriendelijk voor de kinderen. Om de drievoudige taak van de vrouw te verlichten pleit de partij voor rationalisatie van de huishoudelijke taken en vrouwen worden aangemoedigd om zich te voorzien van allerlei apparatuur zoals naaimachines, en stofzuigers.

De kosten ervan kunnen worden opgebracht door af te zien van persoonlijke luxes als juwelen en dure kleren. De langs deze weg verkregen tijdwinst kan de vrouw goed besteden om haar man na een lange werkdag een warm welkom thuis te heten en hem zo ervan te weerhouden zijn heil te zoeken in het Gasthaus. Maar bovenal wordt door socialisten de vrouw geprezen die aan de nobele roeping van het moederschap gehoor geeft. Daarbij past een uitstekende persoonlijke hygiëne, verblijf in de frisse lucht en met name lichamelijke oefening. Allemaal zaken die vrouwen in de vruchtbare leeftijd worden aanbevolen zich eraan te houden. Via de sportprogramma’s van de SDAPÖ, of in elk geval thuis ochtendgymnastiek te doen alvorens naar het werk te gaan.

“Vrouwen ontbreekt het eenvoudig aan de energie en tijd om de ideale vrouw te zijn, jeugdig, fris en ontspannen.”

Dit beeld dat socialisten hebben van de driedubbele taak van de vrouw kan, zacht gezegd, als te optimistisch worden beschouwd. Een normale werkdag voor haar begint om zeven uur ‘s morgens en eindigt in de namiddag om vijf uur, maar inclusief reistijden betekent dit een afwezigheid thuis van elf à twaalf uur. Tel daar de zorg voor het huishouden bij op en je komt op een werkdag van tenminste zestien uur. Daar veel vrouwen ook nog de zorg voor de kinderen hebben – een zorg die lang niet altijd kan worden vervangen door professionele kinderopvang – wordt huishoudelijk werk vaak op zaterdagmiddag gedaan. Voor gehuwde vrouwen met kinderen rest slechts de zondagmiddag voor enige ontspanning. Omdat de socialistische stadsbestuurders er niet in slagen de driedubbele taak van de vrouw voldoende te verlichten door een ruimhartig aanbod van (gratis) kinderopvang, zien veel vrouwen zich genoodzaakt om hun werk voor gezien te houden. Werk dat zij doen uit noodzaak en waarvoor zij overigens beloond worden met salarissen die ver onder die van hun mannelijke collega’s liggen. Gezien dit alles is het niet verwonderlijk dat het overgrote deel van de Weense arbeidersvrouwen op geen enkele manier voldoet aan de ideaalschets van de partijtheoretici. Vrouwen ontbreekt het eenvoudig aan de energie en tijd om de ideale vrouw te zijn, jeugdig, fris en ontspannen. Om maar te zwijgen van de mogelijkheid om na het volbrengen van alle zware taken de echtgenoot als kameraad te beschouwen en kinderen als vriend.

We hebben gezien dat Julius Tandler, die ook wel de medische paus van de sociaaldemocratie wordt genoemd, in 1922 start met de oprichting van huwelijksadviesklinieken. Twee jaar later buigen SDAPÖ artsen zich over het vraagstuk van abortus, waarbij Tandler zich op het standpunt stelt dat abortus op verzoek van de vrouw ontoelaatbaar is, want het is niet de vrouw, maar de maatschappij die verantwoordelijk is voor een geordende voortplanting.

“Opmerkelijk is dat na 1900 de meeste arbeidersgezinnen slechts een of hooguit twee kinderen tellen.”

Het congres van de partij in 1926 gaat deels mee met het oordeel van Tandler en bepaalt dat in elk geval het oordeel over de wenselijkheid van een abortus in handen dient te worden gelegd van experts. Abortus, aldus het partijprogramma, kan worden toegestaan en uitgevoerd in een ziekenhuis als de gezondheid van de moeder in het geding is, in geval er een abnormaal kind op komst is of wanneer de geboorte een reëel gevaar oplevert voor het economisch voortbestaan van de moeder en haar gezin. Deze formulering komt uit de koker van een mannelijk gezelschap dat dit deel van het programma heeft voorbereid en spoort niet met hetgeen tijdens het eerder gehouden Nationale Vrouwencongres naar voren is gebracht en waar feministen de rechten van de vrouw over het wel en wee van hun lichaam verdedigen. Maar hun argumenten worden tijdens het partijcongres neergesabeld door vrouwelijk leiders op diverse gronden. Zo wordt beweerd dat arbeidersvrouwen mentaal niet toe zijn aan feministische overwegingen of dat mannen wel degelijk het recht hebben om te oordelen over abortus omdat zij delen in de verantwoordelijkheid om kinderen te produceren. Maar zij zijn het er wel over eens dat abortus nodig is wanneer er een eugenetisch ongezond kind op komst is dat de maatschappij tot last kan zijn. Met dit standpunt scharen zij zich mentaal onder racisten en antisemieten die wetgeving op abortus willen gebruiken om de in hun ogen minderwaardigen uit te roeien.

Opmerkelijk is dat na 1900 de meeste arbeidersgezinnen slechts een of hooguit twee kinderen tellen. En dat is niet het gevolg van wat de partij allemaal probeert te doen om greep te krijgen op het arbeidersgezin als het gaat om seksualiteit, maar vooral omdat arbeiders heel goed door hebben dat de enige manier om hun levensomstandigheden te verbeteren gelegen is in het beteugelen van de gezinsgrootte. En dat geldt eens temeer voor arbeidersvrouwen voor wie beperking van het aantal kinderen een uitweg biedt om hun driedubbele taak te verlichten en te kunnen blijven werken. En juist op dit terrein waar steun en goede advisering cruciaal zijn, laat de SDAPÖ het volledig afweten. Beschikbare contraceptieven voor arbeiders zijn onbetrouwbaar en veelal te duur. Coïtus interruptus wordt aanbevolen, maar is zeker niet 100 procent veilig en het mag worden aangenomen dat ook in dit opzicht de vrouwen verantwoordelijk zijn voor de reductie van geboortes. Dat illegale abortussen daarbij een rol hebben gespeeld laat zich raden, ondanks het feit dat die een gevaar zijn voor de gezondheid en kunnen leiden tot gerechtelijke vervolging.

Maar tegen de pressie in van christensocialen om abortus streng te veroordelen, spreken Weense rechters doorgaans milde, voorwaardelijke vonnissen uit in het besef dat gevangenisstraf de vrouwen meer kwaad dan goed zal doen. De Weense socialisten verzuimen echter in de voetsporen te treden van de rechters en een actie te ontketenen tegen de bestaande abortuswetgeving. Misschien ligt de verklaring in het feit dat de meeste socialistische leiders mannen zijn die er net zulke burgerlijke opvattingen op nahouden als hun christelijke tegenhangers. Hun begaanheid met het arbeidersgezin is welgemeend, maar doortrokken van middle class vooroordelen en zij zijn gespeend van kennis over de dagelijkse arbeiderscultuur. Bovendien zien zij niet in dat binnen de arbeiderswereld geen normloosheid heerst, dat sprake is van respect voor elkaar en ordelijkheid. Interventie van overheid en partij is niet nodig, zeker niet van mensen die veraf staan van de realiteit der arbeiders. Creatie van de neue Mensch betekent daarom niet meer dan een veroordeling van bestaande levensstijlen die de partijleiders vreemd zijn.

Slot

Eind januari 1933 komt Hitler in Duitsland aan de macht en verandert Oostenrijk onder leiding van kanselier Engelbert Dolfuss in een autoritair-corporatistische staat. Wanneer in februari 1934 op een provocatie van de paramilitaire Heimwehr (de christensociale tegenhanger van de Schutzbund) de socialisten reageren met een algemene staking in Wenen, wordt deze bloedig neergeslagen waarbij onder de socialisten in Wenen meer dan 1000 doden vallen. De SDAPÖ wordt verboden. Het culturele experiment van Rood Wenen is ten einde.

~ Willem Peeters

Literatuur

-Beller, Steven, A Concise History of Austria, Cambridge University Press, 2006.
-Gruber, H., Red Vienna, Experiments in Working-Class Culture 1919 – 1934, Oxford University Press, New York 1991.

Verder speuren:

Bekijk ook onze uitgebreide onderwerpenlijst of het personenregister


Uit het archief:

Meer tips ➱