Fysiek niet imponerend, maar slim, berekenend en opportunistisch. Die eigenschappen maakten Franco tot dictator die Spanje 36 jaar met harde hand regeerde. De Caudillo die zich de gelijke waande van illustere monarchen als Filips II. Feit is dat hij bijna net zoveel macht had als de heerser over het Spaanse imperium uit de zestiende eeuw.
Typering

‘idioot, de man die Spanje heeft gered. Dood aan de rooien, anarchisten, vrijmetselaars en meer van die klootzakken, leve Franco, leve het franquisme, arriba España’.
Dergelijke uitingen zijn begrijpelijk, maar geven natuurlijk geen inzicht in wat voor iemand Franco nu in werkelijkheid was. In elk geval was hij een sober mens die van jongsaf aan een afkeer had van zijn vaders losbandige levenswandel. De vroomheid van zijn katholieke moeder had een enorme invloed op zijn ontwikkeling. Gedurende zijn militaire loopbaan viel het zijn collega’s al op dat hij niet dronk, geen belangstelling had voor vrouwen en nooit speelde of gokte. Dat is altijd zo gebleven en de enige dingen waaraan hij later verslingerd raakte, waren de jacht en het golfspel. Franco was zeker geen intellectueel en had moeite met het leren van een andere taal. In de periode vlak voor de burgeroorlog toen hij op de Canarische eilanden verbleef, nam hij privéles Engels, maar hij slaagde er niet in het echt meester te worden. Hij kon het noch goed verstaan, noch behoorlijk spreken. Maar boven alles was Franco berekenend, een manipulator, een strateeg van groot formaat en meedogenloos in zijn optreden.

Militaire carrière

Franco maakte een bliksemcarrière, waarbij hij zich onderscheidde door zijn moed en zijn aandacht voor logistiek, kartering en veiligheid. In 1914 was hij al bevorderd tot kapitein en nadat hij in 1916 in zijn buik was geschoten en dit ternauwernood had overleefd, werd hij door de Hoge Commissaris van Marokko, generaal Jordana, voorgedragen ter promotie tot majoor en voor de hoogste onderscheiding voor dapperheid (Gran Cruz de San Fernando). Het Ministerie van Oorlog verzette zich daartegen, maar Franco ging in beroep bij de hoogste bevelhebber, koning Alfons XIII, die besloot hem in 1917 de bevordering toe te kennen. De onderscheiding ging echter zijn neus voorbij. Zijn actie maakte Franco niet populair bij de militaire adviseurs en omdat er in Marokko geen post was van de rang van majoor, was Franco gedwongen terug te keren naar Spanje waar hij geplaatst werd in Oviedo. Franco was een echte Africanista geworden. Africanistas werden militairen genoemd die gevechtspraktijk hadden opgedaan en die zich zagen als de enige verdedigers van de Patria. Door zijn houding als Africanista kreeg hij het in Oviedo aan de stok met oudere officieren zonder oorlogservaring die hem als veel te ambitieus beschouwden.
Huwelijk en opstand
In 1917 braken er sociale conflicten uit en werd er gestaakt in Asturië. Deze staking werd bloedig neergeslagen. Eén van de colonnes stond onder bevel van Franco die een beslissende rol speelde in het herstellen van de orde. In datzelfde jaar ontmoette Franco zijn toekomstige vrouw Carmen (Maria del Carmen Polo y Martinez Valdés), vijftien jaar oud. De familie moest eigenlijk niets weten van Franco. Carmen drukte echter door en de relatie bleef in stand, maar werd doorkruist door het aanbod aan Franco om vicecommandant te worden onder Millán Astray van het Spaanse Legioen (Tercio de Extranjeros), een bonte verzameling van huurlingen, desperado’s, criminelen en revolverhelden (pistoleros).

Franco’s reputatie werd definitief gevestigd toen hij in 1921 succesvol weerstand bood aan het Berberleger dat de stad Mellila bedreigde na het Spaanse leger te hebben teruggedrongen. De gewonde Millán Astray droeg de leiding van het legioen over aan Franco die tijdens zijn verlofperiode onthaald werd door de burgemeester van El Ferrol en zelfs door de koning werd ontvangen. Franco gaf aan slechts zijn plicht als soldaat te hebben vervuld en hij meende dat. Het huwelijk met Carmen was gepland voor juni 1923, maar de officiële benoeming van Franco tot chef van het Spaanse legioen – in de rang van luitenant-kolonel – doorkruiste dit opnieuw. Franco vertrok naar Marokko en het huwelijk werd uitgesteld tot het jaar daarop. Franco zei hierover tegenover journalisten:
‘Als de Patria roept dan is er slechts één antwoord: ‘¡Presente!’
Op 22 oktober 1923 was het dan zover en traden Carmen en Franco in het huwelijk in de kerk van Oviedo. Het was een huwelijk van aanzien. Twee lokale aristocraten tekenden het huwelijksregister en koning Alfons XIII trad via de gouverneur van Oviedo op als getuige. Een krant kopte: ‘De bruiloft van een heroïsche Caudillo’. Het was voor het eerst dat deze titel (Caudillo betekent aanvoerder of leider) werd gebruikt.
Jongste generaal van Europa

In 1926 kwam er een eind aan de ambities van de opstandelingen. Abd el Krim werd door de Spanjaarden met hulp van de Franse kolonisators, die in Abt el Krim eveneens een bedreiging zagen, een nederlaag toegebracht en het was weer Franco die daarin een grote rol speelde. Ter honorering van dit wapenfeit werd hij in datzelfde jaar op drieëndertigjarige leeftijd bevorderd tot brigadegeneraal, de jongste generaal in Europa. Op grond van deze rang moest hij het legioen verlaten en kreeg hij in Spanje het bevel over de brigade van Madrid, een zeer prestigieuze post. Als politieke bagage bracht hij uit Marokko de opvatting mee over landsbestuur als patronage van gekoloniseerden die een stevige ouderlijke hand behoefden, een opvatting die hij altijd is blijven koesteren. Het jaar 1926 bracht Franco nog iets: de geboorte van zijn enige kind María del Carmen Franco y Polo.
De Militaire Academie
De jaren dat Franco diende onder Primo de Rivera waren voor hem gouden tijden waarin hij leiding gaf aan de begin 1927 opgerichte Algemene Militaire Academie in Zaragoza, een initiatief van Primo de Rivera die een eind wilde maken aan de interne tegenstellingen in het leger. Tegenstellingen tussen de oude garde die de monarchie een warm hart toedroegen en de op de dictator gestelde Africanistas, die af wilden van het op anciënniteit gebaseerde promotiesysteem dat krijgsprestaties onvoldoende tot hun recht deed komen. Franco had overigens met zijn Academie liever in El Escorial gezeten, dichtbij het centrum van de macht. Later beweerde hij dat hij van daaruit de val van de monarchie in 1931 had kunnen voorkomen, terwijl hij in Zaragoza op 350 kilometer afstand machteloos stond.
Onder zijn leiding kregen de cadetten aanzienlijk meer praktische training dan tevoren. Zijn motto als directeur was ‘hij die lijdt zal overwinnen’. Franco stak zijn bewondering voor de organisatie en discipline van de Duitse Militaire Academie in Dresden, die hij in 1929 op uitnodiging van de Duitsers bezocht, niet onder stoelen of banken en vanaf die tijd dateert een liefdesverhouding van Franco met de Duitsers die zou duren tot 1945.
Op 30 januari 1930 viel het dictatorschap van Primo de Rivera, die zo ongeveer alle Spaanse groeperingen tegen zich in het harnas had gejaagd. De ex-dictator vluchtte naar Parijs waar hij in maart van dat jaar overleed. Koning Alfons XIII benoemde generaal Berenguer tot opvolger, maar de gebeurtenissen namen een andere wending. Samenzwerende republikeinen sloten in augustus 1930 het pact van San Sebastián en vormden een regering in afwachting. Een van hen, Alejandro Lerroux, vroeg Franco zich bij hen aan te sluiten, wat deze onmiddellijk weigerde, alert als hij was om niet te vroeg partij te kiezen. De daaropvolgende gemeenteraadsverkiezingen in 1931 luidden de val in van de monarchie en Spanje werd een republiek. Franco ging een periode tegemoet als dienaar van een geheel ander bewind dan hij sinds 1926 gewend was.
Francisco Franco en de tweede republiek
In april 1931 deed koning Alfons XIII afstand van de troon toen bij gemeenteraadsverkiezingen bleek dat in de grote steden de monarchistische aanhang was verdwenen. Spanje werd voor de tweede keer een republiek en de macht kwam in handen van een linkse regering waarin de republikein Manuel Azaña als minister van Oorlog formeel de superieur was van Franco. In plaats van Franco die positie te gunnen die hij innam in de jaren ervoor, ondernam Azaña voortdurend pogingen om diens speelruimte te verkleinen, iets wat Franco niet kon verkroppen. In 1931 was Franco erop gebrand benoemd te worden tot Hoge Commissaris van Marokko, maar Azaña passeerde hem waarmee hij een kans liet lopen om Franco’s loyaliteit te winnen. Ook het opheffen in juni 1931 van de militaire academie van Zaragoza, waaraan Franco leiding gaf, zette veel kwaad bloed evenals zijn benoeming in februari 1933 tot commandant generaal van de Balearen, een positie die hij beneden zijn waardigheid achtte.

Dit optreden droeg bij aan zijn benoeming in mei 1935 tot chef van de generale staf. Op 16 februari 1936 waren er opnieuw verkiezingen. Dit keer een overwinning voor het linkse Volksfront. Franco probeerde de premier, Manuel Portela, te bewegen de staat van beleg af te kondigen en links de pas af te snijden, maar dat mislukte. Portela trad af en gaf de macht direct over aan Azaña die, wetend wat de rol was van Franco, hem van zijn functie onthief en hem overplaatste naar de Canarische eilanden. Azaña formeerde een nieuw kabinet van links-republikeinse partijen.
Na de verkiezingen raakte Spanje in een spiraal van geweld tussen links en rechts. In die toenemende chaos werd het initiatief tot een militaire opstand genomen door generaal Emilio Mola die zich verzekerd wist van een aantal getrouwen, maar toen nog niet van Franco die zijn diensten aan de regering aanbood om de chaos te bedwingen, waarmee hij aangaf dat het complot van Mola zou kunnen worden voorkomen. Of hij dit deed uit ultieme loyaliteit aan het gezag of uit opportunisme zal wel nooit helemaal duidelijk worden. Het aanbod werd afgeslagen, maar nog sloot Franco zich niet aan bij de opstandelingen. Dat gebeurde pas nadat een vooraanstaand leider van de rechtse oppositie, Calvo Sotelo, was vermoord, een week voordat de opstand zou uitbreken. Franco hield zijn kaarten graag lang tegen de borst.
Burgeroorlog: naar absoluut leiderschap

‘In een Burgeroorlog is een systematische bezetting van territoria, gepaard aan de noodzakelijke zuivering te verkiezen boven een snelle opmars van legers dat een met vijanden geïnfecteerd land achterlaat.’
Dit schoonmaken gebeurde op meedogenloze wijze: de opstandelingen executeerden systematisch hun tegenstanders.
Al direct na de eerste gevechten ontstond bij de militairen het gevoel dat er een eenhoofdige leiding moest komen. In principe waren er slechts twee serieuze kandidaten, Mola en Franco. Maar Franco had zich superieur betoond in het leggen van buitenlandse contacten en hij voerde het bevel over de meest capabele troepen. Op 28 september 1936 benoemde de militaire Junta Franco tot Generalísimo, opperbevelhebber van alle legeronderdelen en staatshoofd. De eerste belangrijke stap naar de absolute macht was gezet. Tijdens de installatie als staatshoofd op 1 oktober te Burgos verklaarde Franco:
‘Generaals en officieren van de Junta, U kunt trots zijn, u viel een uiteengevallen Spanje ten deel en u reikt me nu een Spanje aan verenigd in een grandioos ideaal. De victorie is aan ons.’
Een campagne werd ingezet om hem als Caudillo te profileren, een term die hem verbond met legeraanvoerders uit het verleden. De slogan ‘Una Patria, Un Estado, Un Caudillo’ ontstond, naar analogie van het Duitse ‘Ein Volk, ein Reich, ein Führer’.
In 1937 rekende Franco af met de politieke diversificatie binnen zijn eigen aanhang van het door de nationalisten veroverde gebied. Vooral de toenemende kracht van de Falangisten en Carlisten vormde een bedreiging voor de eenheid en voor zijn positie. Hij slaagde erin ze op te nemen in een nieuwe eenheidspartij: de FET y de las Jons (Falange Española Tradicionalista y de las Juntas de Ofensiva Nacional Sindicalista). Franco’s leidende positie in deze nieuwe partij bracht zijn relatie met de kerk in gevaar omdat de kerk weinig moest hebben van fascisme en de Falange. Kardinaal Gomá (hoofd van de Spaanse kerk) zette echter op verzoek van Franco in een brief aan ‘De bisschoppen overal ter wereld’, uiteen dat de Caudillo wel degelijk uit was op steun aan de kerk en legitimeerde de rebellie.
In het verdere verloop van de Burgeroorlog kreeg Franco te maken met voorkeuren uit eigen kring en uit het buitenland om snel successen te boeken, maar steeds streefde hij ernaar om zoveel mogelijk veroverd terrein te consolideren en te zuiveren. Dat gaf de republikeinen telkens ruimte om tegenoffensieven in te zetten die overigens geen van alle tot succes leidden. Het had natuurlijk wel ten gevolge dat aan beide zijden onvoorstelbaar grote verliezen werden geleden. Omdat de oorlog veel langer duurde dan wie dan ook had voorzien, werden er diverse bemiddelingspogingen gedaan door Italië, het Vaticaan en Engeland. Maar Franco wees al deze pogingen af:
‘alle nationalistische Spanjaarden zouden liever sterven dan het lot van Spanje andermaal in handen leggen van een Rode of een democratische regering.’
Franco glorieerde als Caudillo en afficheerde zich als de man die Spanje van de rode hordes redde. Hij vergeleek zich graag met de christelijke koningen die de Moren hadden verdreven:
‘onze oorlog is geen burgeroorlog maar een kruistocht. Ja, onze oorlog is een religieuze oorlog. Wij die vechten, christenen of moslims, zijn soldaten van God en we vechten niet tegen mensen, maar tegen atheïsme en materialisme.’
In juli 1938 werd het tweejarig bestaan gevierd van de opstand en werd Franco benoemd tot kapitein-generaal van het leger en de marine. Deze rang was vroeger alleen gereserveerd voor koningen van Spanje. Franco’s zelfvertrouwen steeg wederom, maar de strijd was nog niet gestreden. Pas op 1 april 1939 werd Madrid ingenomen. Franco schreef in zijn dagboek:
‘vandaag, met het verslagen en ontwapende rode leger, hebben onze zegevierende troepen hun einddoel bereikt. De oorlog is voorbij.’
De Paus stuurde een felicitatietelegram waarin hij uiting gaf aan zijn immense vreugde die de Spaanse katholieke overwinning hem had gebracht. Al snel werd de wet op de politieke verantwoordelijkheden van kracht. Deze verklaarde alle aanhangers van de republiek tot schuldig aan crimineel gedrag en voorzag in een terugwerkende kracht tot oktober 1934. Lidmaatschap van een linkse partij en van een vrijmetselaarsloge werd als misdaad beschouwd. De eerste stap in repressie op grote schaal na de burgeroorlog was gezet.
De Tweede Wereldoorlog
Gedurende de Tweede Wereldoorlog streefde Francisco Franco ernaar om een deel van zijn imperialistische dromen – het herstel van het Spaanse wereldrijk – te verwezenlijken door de Spaanse invloed in Noord-Afrika te vergroten. Niet in de vorm van een monarchie, maar als een almachtig militair bewind met hemzelf in de hoofdrol. Hij zocht daarvoor steun bij de asmogendheden Duitsland en Italië, maar die moesten daar niets van hebben. Wel drongen zij er voortdurend op aan bij Franco zich aan te sluiten bij de as, iets wat Franco misschien wel zou hebben gewild, maar waartoe hij niet in staat was gezien de deplorabele toestand van de Spaanse economie. Daarnaast zou toetreding hem ernstig in conflict brengen met de geallieerden, die hij dringend nodig had in verband met voedselhulp. Vandaar dat Spanje formeel een neutrale status innam tijdens de oorlog.

Francisco Franco was ervan overtuigd dat de economische problemen zich zouden oplossen ten gevolge van een politiek gericht op volstrekte economische onafhankelijkheid (autarkie). Maar zijn in oktober gepresenteerde tienpuntenplan onderschatte volledig de mogelijkheden om importsubstituten te creëren, export te bevorderen, zich te baseren op eigen grondstoffen en het kunnen stellen zonder buitenlandse investeerders. Ook de overwaardering van de peseta speelde een rol. De gevolgen waren desastreus en hongersnood kostte het leven aan duizenden Spanjaarden. Franco had het volk beloofd: ‘geen huis zonder licht en geen Spanjaard zonder brood’. Maar hij nam de vreemdste beslissingen. Zo was hem op de mouw gespeld door een geoloog dat Spanje rijk was aan gouderts in de Extramadura. Hij gaf order om te gaan delven. Ook geloofde hij het fabeltje dat een mengsel van water en plantenextracten zou kunnen dienen als brandstof, wat leidde tot een enorme fraude.

Francisco Franco ontwikkelde in die tijd een passie voor film (hij had een privébioscoop) en hij schreef het script voor de film RAZA. De film geeft in elk geval wel zijn opvattingen over hoe Spanje geregeerd moest worden: zoals een vader heerst over zijn gezin, streng maar rechtvaardig.
In 1943 veranderde het beeld voor Franco drastisch. De toenemende kracht van de geallieerden deden zijn dromen over een nieuw Spaans imperium in rook vervliegen. Hij concentreerde zich op het oplossen van de binnenlandse politieke problemen, met name op de strijd tussen de monarchisten en de Falange. Een manifest van vooraanstaande leden van de Cortes verscheen in juni en daarin werd Franco gevraagd vóór het eind van de wereldoorlog de katholieke monarchie te herstellen. Dit met het oog op een mogelijk te verwachten harde houding van de geallieerden jegens Spanje door de voortdurende sympathiebetuigingen voor de asmogendheden. Maar Franco sloeg hard toe in een rede ter gelegenheid van de verjaardag van de opstand. Aan troonpretendent, Don Juan Carlos de Borbón y Battenberg, zoon van de in 1941 overleden koning Alfons XIII, maakte hij duidelijk dat hij geen recht kon doen gelden op de troon omdat Alfons immers zelf was vertrokken.
Vanaf 1945
Na de Tweede Wereldoorlog zijn er drie zaken geweest die Francisco Franco bezighielden. Internationale erkenning, zijn opvolging en het economisch herstel. Internationale erkenning was er in eerste instantie niet. Op initiatief van Mexico werd tijdens de oprichtingsvergadering van de Verenigde Naties in 1945 een voorstel aanvaard om elk land te weigeren met een regime dat door het leger in het zadel was geholpen. Maar in de jaren daarna keerde het tij. De Amerikanen toonden interesse in het vestigen van militaire bases in Spanje en toen Churchill verklaarde het een beetje merkwaardig te vinden dat er wel een Engelse ambassadeur in Moskou was, maar niet in Madrid, terwijl de individuele Spanjaard een vrijer leven had dan de gemiddelde Rus, besefte Franco dat internationale erkenning nabij was.

Van alle kanten werd steeds meer druk uitgeoefend op Franco om zijn opvolging wettelijk te regelen en in juli 1947 was het zover: de Ley de Sucesión werd bij referendum aangenomen. Daarin werd vastgelegd dat Spanje een politieke eenheid is en een katholieke staat, een koninkrijk waarvan de Caudillo het staatshoofd was, die het recht kreeg door te regeren tot zijn dood of totdat hij onbekwaam zou zijn. Ook had hij het recht zijn opvolger te kiezen. In die tijd begon Franco serieus aandacht te besteden aan de opvoeding van Juan Carlos, zoon van de door hem verguisde troonpretendent Don Juan. Met de opvoeding van Juan Carlos in Spanje onder toezicht van Franco en zijn toezegging dat Bourbons recht zouden houden op de troon was het probleem van de monarchistische oppositie onder controle.

In de loop van de jaren verslechterde de gezondheidstoestand van Francisco Franco langzaam maar zeker. Hij leed aan de ziekte van Parkinson. En terwijl de technocraten de ene na de andere hervorming doordrukten (zoals de perswet in 1966 die voorzag in censuur achteraf en niet vooraf zoals tot dan toe gold) trok Franco zich steeds verder terug uit de actieve politiek. Jagen, vissen en vooral het kijken naar voetbal waren zijn passies. Pas in augustus 1968 maakte Franco bekend dat Juan Carlos hem zou opvolgen na zijn dood.
Ofschoon er in de zestiger en zeventiger jaren hervormingen plaatsvonden onder de dictatuur, bleef de repressie voortduren. Tot vlak voor Franco’s dood werden er nog tegenstanders van het bewind geëxecuteerd aan de wurgpaal. De dictator die Spanje zesendertig jaar had beheerst als een feodaal vorst overleed op 19 november 1975. Juan Carlos werd koning van Spanje. De opvoeding die hij had genoten onder leiding van de Caudillo zou hem er niet van weerhouden een koers te gaan varen die Spanje van het franquisme zou bevrijden.
Bekijk ook: Beknopte biografie van Franco
Overzichtspagina: Geschiedenis van Spanje
Overzicht van boeken over de Spaanse geschiedenis