De vroege geschiedenis van Polen (966-1573)

#longread
Negentiende-eeuwse verbeelding van de Eerste slag bij Tannenberg, 1410 - Jan Matejko
Negentiende-eeuwse verbeelding van de Eerste slag bij Tannenberg, 1410 - Jan Matejko

Polen ontstaat als zelfstandig land in de tiende eeuw, wat gepaard gaat met een zekere mate van kerstening en germanisering. Vierhonderd jaar later verbindt Polen zich met zijn oosterbuur, het groothertogdom Litouwen; een personele unie die in 1573 overgaat in het Pools-Litouwse Gemenebest.

Prehistorie

In zijn beroemde vertelling over de verovering van Gallië1 beschrijft Julius Caesar hoe hij twee keer de Rijn oversteekt (resp. in 55 en 53 v.Chr.) om Germaanse stammen die hem hinderen tijdens zijn veroveringstochten in Gallië een lesje te leren. Daarin slaagt Caesar, maar dieper doordringen in het hem onbekende land waar de Sueben heersen, doet hij niet2, net zomin als zijn opvolgers. Een onbekend land dat vanaf de Steentijd tot lang na de verkenningen van Caesar het toneel is geweest van zich verplaatsende volksstammen en nomaden die vanuit het oosten en noorden Centraal-Europa binnentrekken. Tegen het midden van de tiende eeuw is het een mix van Balten, Germanen, Kelten, Slaven, Hunnen, Mongolen en Hongaren die een min of meer sedentair leven leiden in het proto-Polen en een bevolking vormen met een hoge etnische diversiteit. De Slaven die in het westen aan de grenzen met Bohemen, Duitsland en Slowakije wonen noemen zich Polanen, de lokale aanduiding voor ‘volk van het land’. Dit volk weet zich verbonden door taal en religie waarin de verering van de natuur centraal staat.3 Een religie die niet zoals het christendom is uitgekristalliseerd in een organisatie met een hiërarchisch karakter en een samenleving in bestuurlijk opzicht aaneen kan smeden. Die bindende rol is weggelegd voor hun leiders, de Piasten, die in de loop van de negende eeuw hun dynastie vestigen in de stad Gniezno nabij Poznan in het zogenoemde Wielkopolska (Groot-Polen). Een stad die qua betekenis in de elfde eeuw wordt overvleugeld door de handelsstad Krakau, gelegen in Malopolska (Klein-Polen).

Kerstening van deze heidense volkeren ten oosten van de Elbe vindt niet plaats onder invloed van een Romeinse bezetting zoals dat in Spanje gebeurt gedurende de eerste eeuwen van onze jaartelling, maar begint pas in de tiende eeuw als de Piasten een brug slaan met de Germaanse volkeren.

Polen ten tijde van Mieszko I en Boleslaw I (1025)
Polen ten tijde van Mieszko I en Boleslaw I (1025)

Het huis der Piasten

Negentiende-eeuwse afbeelding van Mieszko I van Polen
Negentiende-eeuwse afbeelding van Mieszko I van Polen
Legenden verhalen dat het Piast, bijgenaamd de Wagenmaker, is die in de negende eeuw een einde maakt aan de overheersing van de tiran Popiel en als oervader beschouwd kan worden van het huis der Piasten dat tot 1385 heerst over de Poolse territoria. Het jaar 966, waarin Mieszko I, de toenmalige prins der Polanen, zich bekeert tot het christendom, wordt doorgaans aangemerkt als het begin van de Poolse geschiedenis. Mieszko’s bekering komt vlak nadat hij huwt met Dobrava, de dochter van Boleslaw I, hertog van Bohemen. Daarmee creëert Mieszko, die regeert tot 992 en de titel van hertog draagt, een alliantie tussen zijn Slavische onderdanen en de christelijke buren in het westen en krijgt hij toegang tot de kennis en menskracht van het Heilige Roomse Rijk. Het rijk waarover Otto I vanaf 962 de scepter zwaait als hij in dat jaar door paus Johannes XII tot keizer wordt gekroond. De alliantie tussen Duitsers en Slaven leidt ertoe dat tal van Duitse geestelijken oostwaarts trekken en zich vestigen in de Poolse gebieden om daar de kerstening ter hand te nemen.

Het is rond die tijd dat de Arabische reiziger Ibrahim ibn Yaqub het Polen in wording bezoekt en, onder de indruk van wat hij ziet, optekent:

‘[….] het land van Mieszko [….] is rijk aan voedsel en vlees en honing en gecultiveerde akkers. Zijn belastingen worden geheven in mathaqil al-marqatiyya [een gouden munt, WP] die gebruikt worden om de maandelijkse salarissen te betalen van zijn mensen die elk een vast bedrag ontvangen. Hij heeft de beschikking over 3.000 schilddragers. [….] De mannen krijgen kleding en paarden en wapens en alles wat zij nodig hebben.’ 4

Boleslaw I de Dappere
Boleslaw I de Dappere
Met behulp van dit sterke leger verovert Mieszko Silezië op zijn Boheemse familie en zijn zoon, Boleslaw I de Dappere (992-1025), ontneemt de Tsjechen later de opkomende handelsstad Krakau met zijn zuidelijk achterland, waarmee het rijk van de Piasten zich uitstrekt tot aan de Karpaten. In het noorden worden de gebieden tussen de rivieren Vistula (Weichsel) en de Oder veroverd en het is wellicht Mieszko geweest die in 980 de stad Gdańsk sticht om dit territorium onder controle te houden.

In 996 stuurt paus Sylvester II de monnik Adalbertus naar Gniezno waar hij door Boleslaw met alle egards wordt ontvangen. Boleslaw kan de steun van de paus goed gebruiken en heeft er dus geen moeite mee dat Adalbertus zijn kersteningsarbeid begint onder de leden van de stam der Pruisen (ook wel aangeduid als Pruzzen) die de kust van de Baltische zee bewonen. Maar de Pruisen zijn er niet van gediend en maken de monnik een kopje kleiner. Boleslaw haast zich om het stoffelijk overschot van de man te redden. Naar zeggen betaalt hij de Pruisen het gewicht van Adalbertus in goud, waarna hij hem een laatste rustplaats bezorgt in de kathedraal van Gniezno. Drie jaar later volgt de heiligverklaring van de overledene en verleent de paus Gniezno de status van aartsbisdom.

Adalbert van Praag, de bisschop uit Praag die martelaar werd in zijn inspanningen om Baltische Pruisen te bekeren.
Adalbert van Praag, de bisschop uit Praag die martelaar werd in zijn inspanningen om Baltische Pruisen te bekeren.

Ook in andere steden worden bisdommen geformeerd zodat in Polen een kerkprovincie vorm krijgt waarmee het land beschikt over een instrument dat communicatie en bestuurlijk toezicht versterkt. Otto III – toenmalige keizer van het Heiige Roomse Rijk – begeeft zich in het jaar 1000 op pelgrimage naar naar de heilige graftombe van Adalbertus. De chroniqueur Gallus Anonymus schrijft over dit bezoek:

‘Boleslaw ontving hem in eerbied en weelde, een koning, Romeinse keizer of voorname gast waardig. [….]. Bij het zien van diens luister, macht en rijkdom, riep de Romeinse keizer in verrukking uit: “Bij de kroon van mijn keizerrijk! Wat ik zie gaat wat ik gehoord heb ver te boven!” [….] “Het past de man niet betiteld te worden als prins of graaf [….] hij zou in alle luister verheven moeten worden tot de troon en gekroond met een kroon.” 5

Otto komt dus niet alleen als pelgrim, maar ook met de bedoeling Polen een plaats te geven binnen het Heilige Roomse Rijk als een volwaardig koninkrijk. Op dat moment is het nog ver weg, maar uiteindelijk, vlak voor zijn overlijden, kroont Boleslaw zichzelf tot koning van Polen in de kathedraal van Gniezno.

Mieszko II Lambert
Mieszko II Lambert
Zijn zoon en opvolger, koning Mieszko II Lambert, is net zo machtsbelust als zijn vader, maar kan niet voorkomen dat tal van opstanden het land desintegreren en het kost zijn zoon Casimir I – die niet ten onrechte de bijnaam ‘Restaurator’ krijgt – vele jaren om de eenheid te herstellen. Gedurende diens regeringsperiode van 1039 tot 1058 ontwikkelt Krakau zich als hoofdstad van Polen. In tegenstelling tot zijn vader draagt Casimir niet de koningskroon, maar voert hij de titel van hertog. Dat is ook de status van zijn zoon Boleslaw II totdat deze in 1076 tot koning wordt gekroond, een stap die door de bevolking van meet af weinig wordt gewaardeerd, want hoewel het niet ongebruikelijk is dat de macht in het Polen van toen overgaat van vader op zoon, is dit niet vanzelfsprekend. Er is geen sprake van erfopvolging in de zin zoals wij die kennen. Elke opvolging moet bevochten worden en de zoon van een heerser dient te bewijzen dat hij het waard is de macht van zijn vader over te nemen.

Kerstening en versnippering

De kerstening van de Slavische volkeren ten oosten van de Elbe gaat niet van een leien dakje en wordt daarom met grof geweld doorgezet. De brengers van het christelijk geloof stellen de heidenen voor de keuze van óf zich te bekeren óf gedood te worden en om aan de slachtpartijen te ontkomen gaan de heidense stammen stuk voor stuk over tot een geloof dat niet het hunne is en dat hen berooft van hun identiteit. Met uitzondering van de Sorben, een west-Slavische stam waarvan nog enkele tienduizenden leden wonen tussen de Elbe en de Oder, worden alle Slaven in dit gebied gegermaniseerd. Tal van monniken trekken vanuit het westen het land binnen en stichten er hun kloosters. De daaruit voortspruitende clerus met zijn bisschoppen, kerkelijke structuren en zijn banden met Rome, weet een positie op te bouwen die kan concurreren met het machtsmonopolie van de wereldlijke heersers en dit inperkt.

Polen ten tijde van Boleslaw Scheefmond (1138)
Polen ten tijde van Boleslaw Scheefmond (1138)

Om opvolgingsproblemen na zijn dood te voorkomen, bepaalt de kleinzoon van Casimir I, Boleslaw III, bijgenaamd Scheefmond, in zijn testament dat zijn oudste zoon, Wladislaus II de Balling als hertog van Krakau de politieke autoriteit draagt over het gehele rijk als princeps, terwijl zijn vier jongere kinderen provincies krijgen toegewezen die zij in naam van de princeps besturen. En zo wordt Polen opgedeeld in vijf deelvorstendommen Groot-Polen/Wielkopolska (rondom Poznań), Pommeren (de zeekust), Mazovië (rondom Warschau), Klein-Polen/Malopolska (rondom Krakau) en Silezië. Maar deze formule wordt geen succes.

De afstammelingen van Boleslaw III vormen geen gemeenschap, maar streven naar lokale autonomie, naar vestiging van eigen dynastieën. Dit proces van verkruimeling van het land wordt verder aangejaagd door de groeiende macht van regionale heersers en de steden.

Wladislaus III Laskonogi
Wladislaus III Laskonogi
In 1228 is het de laatst overgebleven kleinzoon van Boleslaw III, Wladislaus III, bijgenaamd de Spillebeen, die een poging waagt om de eenheid in het land te herstellen. Dat doet hij door invloedrijke edelen, de grootgrondbezitters, privileges te gunnen in ruil voor hun steun. Het Privilege van Cienia is daar het resultaat van, dertien jaar nadat in Engeland met het verschijnen van de Magna Carta iets dergelijks is gebeurd.6 Maar er zijn wel verschillen tussen beide geschriften. De Magna Carta is ontstaan binnen een systeem van vazalschap waarbij de monarch gronden verpacht aan edellieden. Dit feodale stelsel heeft in Polen echter nooit wortel geschoten. In Polen zijn het de zogeheten szlachta die weliswaar verplicht zijn de koning te dienen – bijvoorbeeld door het verlenen van militaire diensten – maar over hun land zijn ze heer en meester. De szlachta zijn moeilijk te vergelijken met de Europese edelen en baseren hun status niet zozeer op rijkdom of koninklijke privileges, maar primair op hun rol als kaste van krijgslieden met een sterke onderlinge solidariteit die minachting tonen voor anderen. Het is mogelijk dat deze kaste is ontstaan nadat in de zesde eeuw de Polanen door de Samartanen – een krijgslustig nomadenvolk afkomstig uit de steppen van de Zwarte Zee – onder de voet zijn gelopen en er zich te midden van de Polanen een militaire kaste ontwikkelt.

De Teutoonse Orde

Tegen het eind van de twaalfde eeuw, als Polen een christelijk land genoemd kan worden, wonen er aan de Baltische kust nog altijd heidense volkeren, waaronder de al eerder genoemde Pruisen. Gemotiveerd door landhonger en belust op profijtelijke handel, vallen de Polen de Pruisen aan, zich gesteund wetend door paus Alexander III die met zijn bul Non parum animus noster uit 1171 een kruistocht propageert tegen de noordelijke heidenen. In ruil voor hun inspanningen verleent de paus aan kruisvaarders aflaat en vergeving van zonden. En zo voeren lokale Poolse (en Duitse) landheren privé-oorlogen met behulp van door de kerk van heinde en ver gerekruteerde ridders die meevechten als onbezoldigde soldaten.

Koenraad I van Mazovië
Koenraad I van Mazovië
Deze kruistocht mislukt grotendeels, het blijkt lastig om de Pruisen volledig te onderwerpen. In 1226 ziet Koenraad van Mazovië pogingen tot verovering van de Pruisische gebieden mislukken en roept de hulp in van de ridders van de Teutoonse Orde7 die zich vestigen in Chełmno aan de Vistula. Dit met goedkeuring van paus Gregorius IX die de orde machtigt tot het veroveren van de Pruisische gebieden en het vervolgens in bezit te houden als een pauselijk leengoed. In de loop der jaren houden de Ridders regelmatig reysas (strooptochten) in Pruisen, waarbij zij op hulp kunnen rekenen van koningen en edelen uit allerlei windstreken die profijt hebben van de plunderingen onder de dekmantel van kerstening. In 1283 is Pruisen vrijwel volledig in handen van de Teutoonse Ridders. Behalve een enorm bolwerk in Mariënburg stichten zij ook elders in de regio vestingwerken en bouwen zij een haven aan de monding van de Elbe ter bevordering van de export van regionale producten. Pruisen is dan feitelijk een zelfstandige staat waar de Teutoonse Orde heer en meester is en aanvankelijk probeert de autochtone bevolking met milde hand te kerstenen, maar haar uiteindelijk vrijwel uitroeit als zij zich blijft verzetten.

Machtspolitiek van de Boheemse koning

Al voor de komst van de Tataren in 1241, die dood en verderf zaaien in Polen en Hongarije, proberen Duitse heersers hun invloed op Polen uit te breiden, daarbij geholpen door de vele Duitse kolonisten die oostwaarts trekken. Tegen het eind van de dertiende eeuw is Polen vrijwel geheel gegermaniseerd en dat geldt zelfs voor de hoofdstad Krakau. Deze germanisering is niet bevorderlijk voor de stabiliteit van Polen en de Piasten beginnen hun greep op het land te verliezen dat na het vertrek van de Tataren uiteen dreigt te vallen. In 1289 proberen de szlachta en de bisschop van Krakau een eind te maken aan de desintegratie van Polen. Zij verlaten de weg van erfopvolging en leggen de macht in handen van Boleslaw II, hertog van Plock in Mozavië die vervolgens zijn rechten als princeps overdraagt op zijn neef, Wladislaus de Korte oftewel Łokietek. Maar Łokietek is voor de vooraanstaande stedelingen in Krakau onacceptabel, in hun ogen is hij domweg een schurk, waarop zij besluiten Hendrik IV van Silezië, bijgenaamd de Rechtvaardige, te benoemen.

Wenceslaus II van Bohemen als minnezanger (Codex Manesse, 14e eeuw).
Wenceslaus II van Bohemen als minnezanger (Codex Manesse, 14e eeuw).
Hendrik neemt zijn rol als restaurateur serieus en voert onderhandelingen met de paus en keizer Rudolf. Hij overlijdt in 1290, maar niet nadat hij dat het hertogdom van Krakau heeft toegewezen aan Przemysł II, hertog van Wielkopolska die in 1295 tot koning van Polen wordt gekroond. De kersverse vorst komt evenwel al na een jaar door moord aan zijn einde. Łokietek duikt weer op, maar wordt overschaduwd door Wenceslaus II, de machtige koning van Bohemen uit het huis van de Přemysliden, die zijn zinnen heeft gezet op de Poolse troon en in 1300 uiteindelijk geaccepteerd wordt in Krakau als koning van Polen. Łokietek gaat in ballingschap op zoek naar bondgenoten.

De Boheemse koning is minder geïnteresseerd in de eenwording van Polen dan in de uitbreiding van zijn macht in Europa. En terwijl het verdeelde Polen in feite nog altijd bestuurd wordt door de regionale hertogen, richt Wenceslaus de blik naar Hongarije waar in 1301 koning Andreas III overlijdt zonder mannelijke nakomelingen te hebben verwekt. Een strijd om de Hongaarse troon brandt los tussen de Přemysliden van Bohemen die de elfjarige zoon van Wenceslaus II naar voren schuiven en de favoriet van paus Bonifatius III, prins Karel Robert van Anjou, een zoon van de koning van Napels en Sicilië, die ook de steun geniet van een aantal Kroatische edelen. Karel Robert doet in 1301 een greep naar de macht, maar in datzelfde jaar kiezen de Hongaarse edelen in meerderheid voor de jonge telg uit het geslacht der Přemysliden die tot koning van Hongarije wordt gekroond. Bevreesd voor een te grote macht die de jonge koning Wenceslaus III zal verkrijgen bij de dood van zijn vader – als hij daarmee koning wordt van zowel Bohemen, Polen als Hongarije – slaan een aantal Hongaren, de paus en keizer Albrecht van het Duitse Rijk de handen ineen en vormen een alliantie gericht tegen de aspiraties van de Boheemse koning Wenceslaus II die inbindt en vlak voor zijn overlijden in 1305 vrede sluit. Wenceslaus III is geen lang leven beschoren want de Tsjechische edelen, die niets zien in de vredespolitiek van zijn vader die hij wil voortzetten, vermoorden hem.

Wladislaus I van Polen
Wladislaus I van Polen
Intussen is Łokietek opnieuw op het toneel verschenen. Hij heeft niet alleen de steun heeft verworven van de paus, maar ook van Karel van Anjou. Łokietek ziet af van de verovering van de gebieden die in handen zijn van de Teutoonse Ridders. Zij steunen hem wanneer zijn claim op de Poolse troon wordt aangevochten door de nieuwe koning van Bohemen, Jan van Luxemburg (ook bekend als Jan de Blinde), die in het voetspoor van de Přemysliden de Poolse troon opeist. Paus Johannes XXII, wiens instemming voor een kroning van een van beiden vereist is, hakt uiteindelijk de knoop door en in 1320 bestijgt Łokietek als Wladislaus I van Polen de troon, waarmee het land weer in handen is van het huis der Piasten. Hij herbevestigt in dat jaar zijn relatie met Karel van Hongarije door hem zijn dochter Elizabeth te laten huwen en smeedt een band met zijn oosterbuur, het groothertogdom van Litouwen, via een echtverbintenis in 1325 tussen zijn zoon Casimir en de Litouwse prinses Anna. Deze allianties zijn nodig omdat Jan van Luxemburg nog altijd aast op de Poolse troon. De Boheemse koning verzekert zich van de steun van de Teutoonse Ridders door hen in 1329 op de Polen verovert land te schenken, waarop twee jaar later de Ridders een aanval doen op Gniezno dat zij plunderen, maar, zijnde een religieuze orde, de kathedraal van de stad sparen. In de herfst van 1331 treffen de Poolse en Teutoonse legers elkaar nabij Plowce, iets ten westen van de rivier de Vistula. Het wordt een Poolse pyrrusoverwinning die Wladislaus in het zadel houdt, maar niet meer dan dat.

Polen ten tijde van Casimir de Grote (1370)
Polen ten tijde van Casimir de Grote (1370)

Casimir de Grote en het einde van de Piasten

In maart 1333 overlijdt Wladislaus I en wordt opgevolgd door zijn zoon, koning Casimir III, die over een gebied regeert dat een stuk kleiner is dan het rijk waarover Boleslaw I de scepter zwaaide en dat ongeveer de helft huisvest van alle mensen in Centraal Europa die zichzelf als Pools beschouwen. Pommeren is definitief een staat in handen van de Teutoonse Ridders en in Silezië heersen de Duitsers. Casimir – die niet voor niets de bijnaam de Grote verwerft – begint zijn regeerperiode met het sluiten van een verdrag met de Teutoonse Orde om daarna te proberen de soevereiniteit van Polen te consolideren.

Casimir III van Polen
Casimir III van Polen
Casimir heeft de wind mee, want terwijl overal in Europa oogsten mislukken ten gevolge van de Kleine IJstijd, blijft Polen vrijwel buiten schot en kan het zich verheugen in een klimaat waarin de landbouw floreert. Ook wordt Polen langdurige conflicten bespaard zoals de Honderdjarige Oorlog die sommige landen aan de rand van de financiële afgrond brengt. Tenslotte blijft Polen ook gevrijwaard van de Zwarte Dood die in 1348 de bevolking van landen als Duitsland, Spanje, Frankrijk en Engeland zo ongeveer halveert. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat er een stroom van vluchtelingen op gang komt richting Polen – waaronder veel joden die de schuld krijgen van de pestuitbraak – en daar met open armen ontvangen worden. Casimir start een uitvoerig bouwprogramma dat leidt tot de constructie van tientallen nieuwe, van vestingswerken voorziene nederzettingen en tot versterking van de al bestaande steden. In 1347 uniformeert hij de wetgeving, gevolgd door een financieel systeem en een centrale kanselarij. In 1388 sluit Casimir de financiële hervorming af met de introductie van een nieuwe munt. Voor de verbetering van het onderwijs is de stichting van de universiteit van Krakau in 1364 van grote betekenis.

Zijn binnenlandse bemoeienissen weerhouden Casimir er niet van om zijn territorium uit te breiden en wel in oostelijke richting waar de vruchtbare gronden van de Roes (een Slavisch volk) lokken en waar na de plundering van Kiev door de Tataren een bestuurlijk vacuüm heerst. Ook het Groothertogdom Litouwen heeft zijn zinnen gezet op deze gronden. In 1340 doet Casimir een poging om het gebied onder zijn hoede te krijgen, maar het duurt wel twintig jaar voordat hij daar gedeeltelijk in slaagt. Litouwers eigenen zich net als de Polen een deel van het land van de Roes toe en versterken hun positie door in 1362 de Tataren een gevoelige nederlaag toe te brengen in de slag van de Blauwe Wateren. Vlak daarop neemt groothertog Algirdas van Litouwen Kiev in.

Slag van de Blauwe Wateren
Slag van de Blauwe Wateren (CC BY-SA 4.0 – Orlenov – wiki)

In 1370 overlijdt Casimir III die geen mannelijke nakomelingen heeft en het koningschap overdraagt aan zijn neef Lodewijk I, koning van Hongarije. Na de uitvaart van Casimir trekt Lodewijk zich terug en benoemt zijn moeder Elisabeth (Casimirs dochter) als regentes over Polen. Probleem is dat Lodewijk ook geen mannelijke nakomelingen heeft. Zijn bedoeling is om de Poolse troon te laten aan de echtgenoot van zijn oudste dochter Maria, Sigismund van Luxemburg, keurvorst van Brandenburg. Maar als Lodewijk in 1382 overlijdt, haalt de Krakause elite van Malopolska een streep door de rekening en brengt diens tweede dochter, de tienjarige Hedwig, naar de Poolse hoofdstad waar zij gekroond wordt tot koningin. Hedwig is echter direct na haar geboorte door haar vader uitgehuwelijkt aan Willem I van Stiermarken, een telg uit het huis van de Habsburgers. Als Willem van Stiermarken opduikt om zijn bruid op te eisen, wordt hij door de Polen opgesloten en vertrekt later onverrichterzake. De Krakauers hebben voor Hedwig een andere bruidegom in petto: grootvorst, hospodar in de Slavische taal, Jogaila van Litouwen waarmee zij in 1386 in het huwelijk treedt nadat Jogaila zich tot het christendom heeft bekeerd. Hij wordt gedoopt als Wladislaus II Jagiello en alszodanig gekroond tot koning van Polen op 4 maart 1386 waarmee de dynastie der Piasten eindigt.

Wladislaus II en de Teutoonse Orde

Het Groothertogdom Litouwen van destijds strekt zich uit vanaf de Baltische Zee in het noorden tot aan de Zwarte Zee in het zuiden. Het is een enorm, dunbevolkt gebied en ligt onder vuur van de Teutoonse Ridders in hun niet aflatende kersteningsijver. Maar ook de relatie tussen Litouwen en Polen is slecht en het is dus in allerlei opzichten een slimme zet van de Krakause elite om via het huwelijk van Hedwig en Jogaila/Wladislaus een eenheid van betekenis te smeden in Centraal-Europa die het zowel kan opnemen tegen de Ridders als tegen bedreigingen vanuit Hongarije.

Vytautas de Grote, Grootvorst van Litouwen
Vytautas de Grote, Grootvorst van Litouwen
Ook staat Wladislaus als heerser over Polen sterker ten opzichte van zijn concurrent Vytautas, zoon van de in 1382 door Wladislaus vermoorde grootvorst Kęstutis, waarmee de Jagielloon de macht heeft gegrepen in Litouwen. Wladislaus weet Vytautas te paaien door hem in 1392 te erkennen als grootvorst van Litouwen waardoor een gewapende vrede tussen deze twee tot stand komt, zij het dat wel sprake is van ondergeschiktheid van Vytautas aan de Poolse monarch. Samenwerking tussen beiden werpt vruchten af als in 1410 hun gecombineerde legers een overwinning boeken op de Teutoonse Ridders in de slag bij Tannenberg, een van de meest langdurige en bloedigste slagen in het middeleeuwse Europa. Mariënburg, hoofdplaats van de Ordestaat, blijkt echter een onneembaar bolwerk en blijft stevig in handen van de Ridders. Wladislaus II Jagiello springt na zijn overwinning voorzichtig om met de Teutoonse Orde, want ofschoon Pruisen voor het grijpen ligt, wordt slechts een klein stukje geannexeerd voor Litouwen.

Slag bij Tannenberg. Voorstelling in de Kronieken van Bern door Diebold Schilling uit 1483
Slag bij Tannenberg. Voorstelling in de Kronieken van Bern door Diebold Schilling uit 1483
Deze aanpak met fluwelen handschoenen is niet zo verwonderlijk omdat de orde aan alle hoven vrienden heeft en alom de Poolse vorst in een kwaad daglicht weet te stellen door erop te wijzen dat diens poging tot kerstening van Litouwen in feite een schijnvertoning is geweest. Christelijke militairen hebben, zo beweren de Teutoonse Ridders, een geringe rol gespeeld in de slag bij Tannenberg met een leger dat voornamelijk bestond uit Litouwse heidenen, christenen van de Oosterse Kerk en zelfs moslim-Tataren die zich ooit in Litouwen vestigden. Ook legt de orde de vinger op een andere zere plek: de bigamie van de Poolse vorstin Hedwig. Deze beschuldigingen verontrusten de Rooms-Katholiek kerk die in die tijd ook al te maken krijgt met de reformatiepogingen van Jan Hus, een Boheemse nationalist avant la lettre die – geïnspireerd door het werk van de Brit John Wycliff – gevoelens weet op te wekken die zich tegen de kerk, het keizerrijk en meer in het algemeen tegen de verduitsing van Bohemen richten. Een beweging die in Polen op de nodige sympathie kan rekenen.

Tijdens het concilie van Konstanz, waar de hussitische ketterij aan de orde is, stellen de Teutoonse Ridders dan ook alles in het werk om Polen te vernederen en stipuleren zij het belang van hun orde als het gaat om de kerstening van de Litouwse heidenen. Het is een ingewikkelde kwestie en noch de kerk, noch het keizerrijk – dat moeite heeft met de machtswellust van de oosterburen – hebben er belang bij de zaak te laten escaleren. Het concilie komt niet tot een heldere veroordeling van de Polen of de Teutoonse Ordestaat en het conflict blijft voortsudderen.

Wladislaus II Jagiello
Wladislaus II Jagiello
Zowel Wladislaus II Jagiello als Vytautas hopen op een mannelijke nakomeling die hen kan opvolgen als koning van Polen en groothertog van Litouwen. Uiteindelijk slaagt Wladislaus erin om op de hoge leeftijd bij zijn vierde echtgenote twee zoons te verwekken: Wladislaus wordt geboren in 1424, gevolgd door Casimir in 1426. In 1434 overlijdt Wladislaus II en wordt opgevolgd door de oudste zoon die als Wladislaus III tien jaar regeert tot zijn dood. Casimir wordt in 1440 door de Litouwers aangewezen als grootvorst en in 1447 – na een driejarig interregnum – bestijgt hij als Casimir IV de Poolse troon, waarmee Litouwen en Polen hecht aaneen worden gesmeed. In 1454 komen Pruisische edelen in opstand tegen de Teutoonse Orde, waarvan zij zich willen bevrijden. Zij sluiten een pact met de Poolse koning en de Dertienjarige Oorlog breekt uit die eindigt met het Vredesverdrag van Thorn in 1466. Hoewel de Ridders wederom een enorme nederlaag lijden en zelfs Mariënbug verloren gaat, ziet de Poolse vorst – net als zijn vader in 1410 – af van complete vernietiging van de Teutoonse Orde, maar onderwerpt hem wel aan zijn gezag. Hij gunt hen Mariënburg en het armoedige achterland van deze vestingstad.

Vredesverdrag van Thorn van 1466
Vredesverdrag van Thorn van 1466

Overstreching van het Jagielloonse rijk

Rond het aanbreken van de vijftiende eeuw begint het koninklijk gezag in Hongarije en Bohemen af te brokkelen en de Jagiellonen ruiken kansen om deze gebieden in handen te krijgen. De regenten die in 1434 na de dood van Wladislaus II de macht in handen hebben, proberen de dan pas tien jaar oude Wladislaus III op de Hongaarse troon te parachuteren, hetgeen uiteindelijk lukt in 1440. Het loopt echter spaak voor de Polen als de jonge Poolse koning voortijdig aan zijn eind komt tijdens de slag van Varna (1444) tegen de Turken. Dan richten de Polen de blik op Bohemen dat geteisterd wordt door onderlinge twisten, waarvan die tussen rooms-katholieken en hussieten niet de minste zijn. De Polen boeken succes en het is de oudste zoon van Casimir IV die als Wladislaus II in 1471 de Boheemse troon in handen krijgt. Tien jaar later verkiezen de Hongaren hem ook als koning van hun land, ofschoon Casimirs voorkeur uitgaat naar zijn favoriete zoon Jan Albrecht. Als Casimir IV in 1492 overlijdt weet Jan Albrecht zich te verzekeren van de Poolse troon en wordt zijn jongere broer Alexander door de Litouwse adel benoemd als hospodar. Deze benoeming is deels ingegeven uit angst van de edelen voor complete annexatie van Litouwen door de Poolse vorst.

De Jagiellonen zijn erin geslaagd hun positie in Europa aanzienlijk te versterken, maar een poging van Jan Albrecht om Moldavië in handen te spelen van zijn jongere broer Sigismund door in 1497 een aanval te wagen op de hoofdstad Suceava (nu een stad in Roemenië), mislukt jammerlijk. De Moldaviërs blijven jarenlang een nagel aan de doodskist van de Polen totdat sultan Suleiman de Grote ingrijpt en de Jagielloonse heersers doen beseffen dat hun rijk enigszins overstretched is. Het is dan ook niet vreemd dat als de Hongaren in de slag bij Mohacs in 1526 in de pan worden gehakt door de Turken en koning Lodewijk II (de zoon van Wladislaus II) omkomt, de Polen dit gebied grotendeels laten aan Ferdinand I uit het Habsburgse huis, een broer van keizer Karel V die gehuwd is met Lodewijks zuster Anna. Jan Albrecht overlijdt in 1501 en wordt opgevolgd door zijn jongere broer Alexander die slechts kort regeert. Vijf jaar later bestijgt Sigismund, eveneens een kind van Casimir IV, de troon en regeert als Sigismund I de Oude tot 1548. Sigismund krijgt niet alleen te maken met problemen in het noorden, maar ziet zich tevens belaagd vanuit het oosten door de Russen.

Eerder, nog ten tijde van het bewind van Casimir IV, roeren de Teutoonse Ridders zich en proberen onder het verdrag van Thorn van 1466 uit te komen. Dat leidt in 1478 tot een kortdurende conflict (de Priesteroorlog) waarin de Ridders de zijde kiezen van de kerk inzake een meningsverschil met Casimir IV over een bisschopsbenoeming. In 1519 komt het opnieuw tot een conflict dat met behulp van Maarten Luther wordt bijgelegd. In 1525 wordt de overeenkomst van Krakau gesloten dat het verdrag van Thorn herbevestigt en Albert van Brandenburg-Ansbach de tot het Lutheranisme bekeerde grootmeester van de Duitse Orde, erkent als graaf van Pruisen, vazal van de Poolse koning. Wederom kiest een Poolse vorst ervoor de Orde niet een kopje kleiner te maken, maar voor een milde benadering om erger te voorkomen.

Expansie naar het oosten

Groothertog Vytautas aast al vanaf het begin van de vijftiende eeuw op uitbreiding van het Pools-Litouwse rijk in oostelijke richting, het land van de Roes, maar de Litouwers vinden het vorstendom van Moskou op hun pad dat kan rekenen op de steun van orthodox-christelijke geloofsgenoten onder de Litouwse edelen. Moskou meent kansen te zien om de Roes, die deels geregeerd worden vanuit de Litouwse hoofdstad Vilnius, te bevrijden van het rooms-katholieke juk. Casimir IV weet lang goede relaties met Moskou in stand te houden, maar na zijn dood in 1492 besluit grootvorst Iwan III orde op zaken te stellen. Het enorme en verdeelde Litouwen waarvan de buitengrens meer dan zeshonderd kilometer verwijderd is van Vilnius en slechts honderdzestig kilometer van Moskou, lijkt voor de Russen een gemakkelijke prooi, maar met ondersteuning van Poolse troepen bijt Litouwen van zich af en behaalt in 1514 een overwinning in de slag bij Orsja (nu gelegen in Wit-Rusland). Daarna neemt de Russische druk op Litouwen af vanwege interne problemen die Iwan IV ondervindt en die zich voortdurend bedreigt weet door opdringende Tataren.

Slag bij Orsja, schilderij toegeschreven aan Hans Krell.
Slag bij Orsja, schilderij toegeschreven aan Hans Krell.

Ten noorden van Pruisen liggen de Lijflandse gebieden die onder controle staan van een zusterorganisatie van de Teutoonse Orde, de zogeheten Orde van de Zwaardbroeders. In de ogen van Iwan IV is het aantrekkelijk om dit gebied in handen te krijgen, vooral omdat het een belangrijke handelspost is aan de Baltische Zee. Maar Lijfland is ook voor de Poolse koning Sigismund II Augustus – zoon van Sigismund de Oude – van grote betekenis en hij mikt erop om dit land als een vazalstaat aan zijn rijk toe te voegen. De spanningen lopen hoog op met als gevolg dat Lijfland verdeeld raakt. Poolse en Litouwse garnizoenen beheersen het zuidelijk deel, de Russen bezetten het centrum en het noorden wordt ingenomen door de Zweden. In 1566 begraven de Pools-Litouwse aanvoerders en Moskou de strijdbijl en sluiten een verdrag. Sigismund II heeft daarmee zijn invloedssfeer maximaal uitgebreid, maar hij beseft dat de band tussen Polen en Litouwen aan slijtage onderhevig is en versterking behoeft. En dat niet alleen in termen van culturele eenwording. Een proces dat reeds lang aan de gang is en geleid heeft tot de verspreiding van het Pools als geschreven en gesproken taal onder de Litouwers. Iets waartegen de Litouwse elite geen bezwaar heeft, maar dat ligt anders als het gaat om politieke gelijkschakeling binnen de personele unie van het koninkrijk en het groothertogdom.

Polen kent vanaf de veertiende eeuw een systeem van de zogeheten sejmniki, lokale raden, vergaderingen van edelen die zich buigen over bijvoorbeeld militaire aangelegenheden en de gekozen centrale sejm oftewel landdag – ontstaan in 1493 – die de koning van adviezen dient. Introductie van dit stelsel in het groothertogdom betekent een regelrechte aanval op de patrimoniale macht van de leden van de raad van de Litouwse hospodar. Na een uitvoerige discussie wordt besloten tot de creatie van een gemeenschappelijk Sejm als basis voor het samensmelten van de personele unie tot een echte staatsunie in Lublin op 4 juli 1569. Drie jaar later overlijdt koning Sigismund II kinderloos in zijn jachtslot te Knyszyn. Het is aan de szlachta om te bepalen hoe verder te gaan.

Godsdienstvrijheid en de Confederatie van Warschau

Het rijk waarover de Jagiellonen vanaf 1386 tot 1573 regeren is een rooms-katholiek land, maar veel bewoners zijn een andere nominatie toegedaan. Zo zijn veel Slaven orthodox-christen en erkennen de patriarch van Moskou als hun leidsman in plaats van de paus in het verre Rome. Ook is er een joodse gemeenschap die in omvang aanzwelt als tegen het einde van de vijftiende eeuw zowel Spanje als Portugal de joden uit hun landen verdrijven. Er verschijnen echter niet alleen synagogen, maar ook moskeeën die gebouwd worden door islamitische afstammelingen van Tataren. Als in 1385 de unie van Polen en Litouwen wordt beklonken is een van de voorwaarden dat Litouwen zal worden gekerstend, maar daar wordt weinig vaart achter gezet en het is grootvorst Sigismund II die verzucht dat:

‘Buiten Vilnius [….] vereenzelvigt het bijgelovige en onbeschaafde volk de verering die God toekomt met het geheimelijk en publiekelijk brengen van offers aan bosjes, eikenbomen, waterstromen, zelfs aan slangen.’ 8

Deze matig op gang komende christelijke geloofsuitbreiding is niet zo verwonderlijk, want de Poolse bisschoppen, waarvan verwacht mag worden dat zij daar uitvoering aan geven, dienen hun eigen belangen. De Poolse koning heeft namelijk bij bisschopsbenoemingen een stevige vinger in de pap vanwege zijn recht op voordracht die weliswaar door de paus moet worden goedgekeurd, maar dat is een rite waaraan de vorst zich weinig gelegen laat liggen. Ook als de paus bezwaar maakt, drukt hij de benoeming van gunstelingen door die wereldse zaken veelal laten prevaleren boven kerkelijke.

Sigismund II August van Polen, koning van Polen en grootvorst van Litouwen.
Sigismund II August van Polen, koning van Polen en grootvorst van Litouwen
Dat neemt niet weg dat de macht van de rooms-katholieke kerk als instituut aanzienlijk is, want de bisschoppen nemen een voorname plaats in het land in en weten een enorme rijkdom te vergaren. Tegen het eind van de vijftiende eeuw bezit de kerk meer landgoederen dan de kroon en oefent zij veel macht uit over de bewoners die onder hun jurisdictie vallen. Die macht – in principe ter beschikking van Rome – is een doorn in het oog van de szlachta en het is dan ook niet vreemd dat de Reformatie, vooral de leer der calvinisten die gelijkwaardigheid van leken en geestelijken predikt, hen welgevallig is. Toch krijgt de Reformatie op termijn weinig voet aan de grond in de unie van Polen en Litouwen. Deels komt dat door de verdeeldheid die heerst onder de protestanten. Er is niet alleen een calvinistische gemeenschap, maar ook Duitse anabaptisten en Nederlandse mennonieten vestigen zich in Polen. Veel belangrijker is echter het bestaan van de omvangrijke beweging der arianen die met hun ontkenning van de Heilige Drievuldigheid en de stelling dat Jezus mens was, veel invloed hebben op de ontwikkeling van de geloofsleer in Polen. Ook de orthodox-christelijke kerk speelt een niet onaanzienlijke rol met haar tolerante houding ten opzichte van het priesterhuwelijk en het gebruik van de streektaal bij kerkdiensten.

De Pools-Litouwse unie is niet een regio waar de Reformatie inslaat als een bom. Godsdiensttolerantie zijn clerus en bevolking niet vreemd en daarbij komt nog dat koning Sigismund I onverschillig staat tegenover religieuze zaken en er weinig voor voelt om – zoals de paus dat wenst – ketterij te vuur en te zwaard te bestrijden. En zelfs als hij maatregelen zou willen treffen om de meest extreme vormen de kop in te drukken, dan nog heeft de goedkeuring nodig van de sejm. Een sejm die meer dan in andere landen het geval is, zich bezighoudt met wetgevende aangelegenheden en zich drukker maakt over de belastingvrijheid van de kerk dan om de zuiverheid van het geloof. In Polen geen inquisitie en hooguit een enkele executie vanwege afvalligheid. Persoonlijke vrijheid wordt er hoger aangeslagen dan in welk ander land ook. In 1555 is er een meerderheid in de sejm voor de creatie van een Poolse Kerk, bestuurd door een Poolse synode, los van Rome, die priesterhuwelijken en het gebruik van streektalen toestaat. Zij bepleit de vorming van een staatsgodsdienst waarin tolerantie een centrale plaats inneemt. Aan de horizon gloort een breuk met Rome, maar de toenmalige koning Sigismund II is geen vechter zoals koning Hendrik VIII van Engeland, stichter van de Anglicaanse Kerk.

Jan Łaski (Johannes a Lasco), portret uit de zestiende eeuw
Jan Łaski (Johannes a Lasco), portret uit de zestiende eeuw (CC BY-SA 4.0 – Philip Galle – Arianus – wiki)
Sigismund beperkt zich ertoe een voorstel tot stichting van een staatskerk aan de paus voor te leggen die hem de mantel uitveegt vanwege het feit dat zijn onderdanen de monarch weten te dwingen de kerkvader met een dergelijk onbehoorlijk voorstel aan boord te komen. Mede omdat de belangrijkste Poolse voorvechter van de Reformatie, Jan Łaski, voortijdig overlijdt en het protestantisme nooit de bevolking bereikt, dooft zij uit, min of meer ondergesneeuwd door de opkomst van een politieke hervormingsbeweging, die der Executionisten, die een strikte uitvoering van wetten centraal stellen en corruptie verfoeien. Zij drukken een stempel op een wet waarin vrijheid van godsdienst van haar inwoners is gegarandeerd en die als grondslag dient voor de Confederatie van Warschau van 1573 waarmee het Pools-Litouwse Gemenebest zijn beslag krijgt. De szlachta zijn er na de dood van de vorst niet alleen in geslaagd hun land voor uiteenvallen te behoeden, maar het ook te voorzien van een constitutie die in het door godsdienstoorlogen geteisterde Europa van toen een monument van religieuze tolerantie genoemd kan worden.

~ Willem Peeters

Bronnen

1 – Caesar, The Conquest of Gaul, Penguin Books, London 1982 p. 94 en 137.
2 – In de derde eeuw CE zullen de Sueben, opgejaagd door de Hunnen de Rijn oversteken, Gallië plunderen en zich vestigen in het Iberisch Schiereiland waar zij de Romeinen een gevoelige nederlaag toebrengen en zo een rol spelen in de ondergang van het Romeinse Rijk.
3 – Davies, N., Heart of Europe, A short history of Poland, Oxford University Press 1986 p. 282.
4 – Ibn Fadlan and the Land of Darkness, Penguin Books, London 2012 p. 165.
5 – Geciteerd uit: Zamoyski, A., Poland a History, William Collins, London 2015 p. 6.
6 – Op. cit., p. 16. Zie voor de geschiedenis van de Magna Carta: Hindley, G., A brief history of Magna Carta, Robinson, London 2015.
7 – Deze Teutoonse of Duitse Orde dient niet verward te worden met de Duitse Orde van verdienste die in 1942 door Adolf Hitler is ingesteld.
8 – Zamoyski, op. cit. p. 61.

Bekijk meer over:

Polen

Categorieën

Vorige verhaal

Geluksjoden

Onze belangrijkste rubrieken: